Weltevreden

door:Lodewijk de Geer Boers | 13 maart 2012 |Humor, Overig, Romantiek

Aan de Plantage Middenlaan in Amsterdam, staat een huis, grenzend aan de dierentuin Natura Artis Magistra, met het opschrift “Weltevreden”. Of dit huis, dat stellig enkele honderden jaren oud is, genoemd werd naar de tevredenheid van de bewoners of dat het de naam kreeg van het Bataviase stadsdeel, eens door de befaamde Gouverneur Generaal Willem Daendels buiten het oude Batavia gesticht, is mij niet duidelijk geworden. In elk geval trekt mij dat huis steeds weer aan en de naam Weltevreden doet mij altijd, als ik er voorbij kom, terug denken aan het Weltevreden uit ons voormalig Indië.

Weltevreden
Doordat het oude Batavia van Coen om verschillende redenen begon te vervallen en niet meer geschikt bleek voor bewoning door Europeanen, liet Daendels in de eerste jaren  van de negentiende eeuw een geheel nieuw stadsdeel ontwerpen, namelijk enkele kilometers zuidelijk van de oude stad. Het werd de zogenaamde bovenstad en kreeg de naam Weltevreden.

Batavia was nu gesplitst in twee delen, Batavia-stad en Weltevreden. Terwijl in de benedenstad van Batavia bijna allemaal handelskantoren waren gevestigd, was Weltevreden een zeer fraai stadsdeel, met fraaie huizen, pleinen en parken. Een echte buitenstad, waar veel voorname Europeanen hun huizen hadden staan langs het voorname Koningsplein. Thans, in 1980, is er van Weltevreden niet veel meer over en ook niet van Batavia. Beide stadsdelen heten nu Djakarta en alles is veranderd. De pleinen, parken, straten en woonwijken hebben andere namen gekregen. Vele gebouwen zijn afgebroken. Weltevreden is niet meer terug te herkennen. De wegen lopen anders dan vroeger en er zijn grote flatgebouwen verrezen.

Koningsplein
Het voormalige Koningsplein, bij de bevolking bekend als Gambir, zal in zijn vroegere vorm nog wel bestaan en ook het vlakbij gelegen Waterloopplein waarvan de hoge, witte zuil met daarboven de leeuw van Waterloo, die verdwenen is, zal er nog wel zijn. Natuurlijk hebben deze pleinen thans andere namen gekregen, maar zullen toch altijd een orientatiepunt blijven van de situatie zoals die in mijn jeugd was. Het blijven de wegwijzers in het vroegere Weltevreden. Het hiervoor genoemde Koningsplein, was het centrum en had een omtrek van een kilometer of vier. Alle zijden waren een kilometer lang en beplant met fraaie tamarindebomen die geregeld hun zoetzure peulvruchten op de grond lieten vallen. Vele vrouwen en kinderen uit de kampongs kwamen deze assemvruchten inzamelen want ze waren een onmisbaar ingredient bij de rijsttafel. Ook werd er de overheerlijke stroop assem van gemaakt. De tamarinde siroop waarvan in elk Indisch gezin enkele flessen aanwezig waren.

Aan de oostzijde van dit mooie plein, waar jaarlijks de grote Passar Gambir werd gehouden, lag het station der Staatsspoorwegen waar de treinen uit Soerabaja, Bandung en Buitenzorg aankwamen. Een druk station was het. Er tegen over lag de Protestante koepelkerk, het gebouw van de Koninklijke Paketvaart Maatschappij, en de voorname Broederschool terwijl verderop het Hotel Daendels lag. Een echt Indisch hotel, met lommerrijke tuinen en koele kamers. De allerbeste rijsttafel werd hier geserveerd in grote eetzalen welke uitzagen op de tuin. Aan de Noordzijde lag het grote, hagelwitte paleis van de Gouverneur Generaal, de onderkoning van Nederlands Oost Indië.

Meester Dirk Fock
Toen ik in 1920 als kind in Indië kwam, zetelde daar in dat prachtige paleis de Gouverneur Generaal van Limburg Stirum en na hem de vrijgezelle Exelentie Meester Dirk Fock die vanaf 1921  tot 1926 het hoge ambt van gouverneur generaal bekleedde.

Als jongen van een jaar of elf heb ik deze ‘tippelaar’ zoals hij wel werd genoemd, vaak zien wandelen langs het plein. Met z’n wandelstok, gekleed in een hagelwit pak en tropenhelm op, zag ik hem dan tippelen onder de tamarindebomen. Soms stond hij stil, veegde z’n voorhoofd af, draaide dan even aan de punten van zijn snor en knoopte een praatje aan met kinderen die op weg waren naar school. Het was een kranig figuur deze G.G. Onder hem bestond de doodstraf nog en ik herinner me dat hij zonder pardon moordenaars liet ophangen. Het was naar ik meen in 1923 dat een Hollandse dame en haar tienjarige dochtertje op een vreselijke wijze door de huisbediende waren vermoord. De kranten stonden er vol van. De moordenaar werd enkele dagen na de moord tot de strop veroordeeld. Meester Fock had geen pardon met mensen die een ander naar het leven stonden. En zo was het ook met zijn voorgangers. De doodstraf bestond in Indië nu eenmaal.

De doodstraf
In een oude krant van de Java Bode las ik een artikel waarin melding werd gemaakt van de afschuwelijke moord op een Indisch vrouwtje, Fietje de Feniks genaamd. Ze was nog geen twintig jaar oud en werd om het leven gebracht door een zekere Gemser Brinkman, die notabene nog lid was van de Bataviase societeit. In mei 1912 werd het lijk van de vermoorde vrouw in een juttezak, aan handen en voeten gebonden, opgedregd uit een kali in Batavia. Een vriendin van het vrouwtje had de moord zien gebeuren, door tussen het bamboe vlechtwerk van het huisje door te gluren. Uit vrees in de zaak gemoeid te worden, zweeg zij en werd eerst enkele dagen later als getuige opgeroepen door de justitie. Toen verklaarde zij dat de moord door Brinkman was gepleegd. Ze had het gezien verklaarde zij toen. Brinkman zou worden opgehangen, maar hij pleegde uit wanhoop zelfmoord. Waaruit moge blijke dat ook tegen Europeanen de doodstraf kon worden voltrokken.

Goed toeven
Na dit sinistere relaas wil ik thans verder gaan met het verhaal over Weltevreden, waar het goed toeven was. Aan de Westkant van het Koningsplein lag het grote in Griekse steil opgetrokken museum met daar voor, op een grasveldje, een bronzen olifant op een sokkel. Dit was een geschenk van de voormalige koning van Siam. Buiten de fraaie woonhuizen die er aan het plein in de lommerrijke tuinen stonden, lag aan de Zuidzijde nog het gebouw van de kunsten en wetenschappen en het gemeentesecretarie.

De Passar Gambir
Geregeld vonden er midden op het plein paardenrennen plaats waaraan ruiters uit alle landen deel namen en waar grote bedragen werden vergokt. Eenmaal per jaar werd er een grote jaarmarkt gehouden, namelijk de Passar Gambier welke men in Holland wel eens tracht na te doen, doch die er in de verste verte niet op lijkt. De Passar Gambir was een enorm groot aantal bamboe gebouwen en torens van wel twintig meter hoog. Het halve plein werd maanden tevoren reeds volgebouwd met kunstwerken van bamboe. Al die bouwwerken boden plaats aan allerlei winkeltjes, restaurantjes, schiettenten, alsmede loterijhokjes. In het midden spoot een fontein, die steeds van kleur veranderde z’n waterstralen omhoog. Handelaren, restaurantshouders, sateverkopers en sigarettenfabrikanten uit alle delen van de Indische archipel hadden er hun stands en deden goede zaken. Zelfs sigarettenfabrieken uit Egypte hadden er hun winkeltjes. Het was zo gek nog niet, of het was op de Passar Gambier aanwezig. Men keek z’n ogen uit. Er was een circus van de bekende Harmston, er stond een tovenaar, Denny genaamd, Arabieren bakten er hun moertabak en de Chinees verkocht er z’n bami en babi panggang. Draaimolens uit Manilla en glijbanen uit Amerika, van alles was er en men had niet genoeg tijd om alles op een avond te bekijken.
De hele passar was verlicht met tienduizenden elektrische lampjes die in lange slingers langs de contouren van de gebouwen waren aangebracht. Langs de dakranden van huisjes, langs de hoge bamboetorens, overal brandde de lampjes. Soms bleef de jaarmarkt meer dan een maand staan en dan werd de hele zaak weer afgebroken en werd de baboe openbaar verkocht.

Op de hoek van de Gang Scott en het Koningsplein lag in een grote tuin met een eeuwenoude waringinboom een huis waarin de schrijver Louis Couperus nog had gewoond. Er tegenover lag de Armeniaanse kerk, waar mannen met zwarte sluiers over hun hoofddeksel en zware baarden de diensten leidden.

Onder de tamarindebomen, waarin grote dotten witte duifjesorchideeën bloeiden, zaten altijd vele verkopers. In de schaduw van het geboomte verkocht de stroopventer z’n siroop soesoe, siroop pala en siroop assem. Vooral op zondagen , als er veel bezoekers naar het museum kwamen, wemelde het er onder de bomen van drankverkopers. Dan deed de toekang limoen en de toekang bandrek alsmede de toewakverkoper goede zaken, want in Indië was het land waar men veel dorst had. De bandrek was een zoete drank welke met gember en javaanse suiker werd gemaakt en heet werd gedronken. Daarbij werden dan allerlei inheemse koekjes gegeten. De toewak was een palmwijn die gewonnen werd, door de bloemtros van de arenpalm af te hakken en het uit de ontstane wond druppelend vocht in een lange bamboekoker op te vangen. Na een korte gisting in genoemde koker was het, koel gedronken een heerlijke drank waarvan men bij als te overdadig gebruik aardig in de hoera-stemming kon komen. Maar, dan moest men er wel erg veel van drinken.

Salon de coiffeur
Chinezen, Arabieren, Bombayers, Soendanezen en Batavianen, mensen van buiten, uit de oedik (platteland), allen kwamen ze naar ‘Batawi’ waarover ze zoveel hoorden vertellen. Dan was het een vrolijke drukte onder bomen van jewelste. Het alleraardigste vond ik als jongen altijd de kapper die tegen de stam van een boom zijn salon de coiffeur had ingericht. Daar kon ik als kind geruime tijd naar staan kijken. Ik had er een kinderachtig plezier in om te zien hoe de man zijn kunnen op andermans hoofd botvierde.

Een klein spiegeltje of een scherf ervan werd met veel omhaal tegen de boomstam bevestigd en een krukje er voor geplaatst. Daar kon de gewone kampongman zich voor een stuiver van zijn haar laten ontdoen of zich laten scheren. Op een matje op de grond lag dan een half roestige tondeuze en een ouderwets inklapbaar scheermes. Als er dan een gegadigde op het krukje had plaats genomen, begon de operatie. Dan kreeg de klant net als bij de Hollandse kapper, een grote doek om zijn lijf en begonnen de zwarte lokken te vallen.

Het was vaak geen gezicht om zo’n man te zien zitten met zijn half blote lichaam onder dat laken en daar onderuit een stel bruine, blote trappers. Daar zat Kromo dan parmantig in het spiegeltjes te kijken of alles wel naar zijn zin gebeurde. Dan raapte de ‘kapper’ vaak met z’n tenen de schaar of de tondeuze van het matje op, want je moest je vooral niet vermoeien door steeds maar te moeten bukken. Dan was de salon de coiffeur in vol bedrijf en zaten er reeds vele nieuwe klanten in het gras te wachten.

Twee parken aangelegd door mijn vader
Op twee hoeken van het Koningsplein lagen parken. Twee in franse stijl aangelegde plantsoenen met fonteinen, het Frombergpark en het Helbachpark. Eénmaal per jaar bloeiden er de Famboyanbomen met hun overdaad aan vuurrode bloesem. Dan leek het of alles in brand stond. Deze parken, alsmede het Wilhelminapark, waarin nog de oude citadel lag, werden in de jaren 1921 – 1932 door mijn eigen vader aangelegd en ontworpen. Als tuinarchitect van Batavia stierf hij in een Japans concentratiekamp in midden Java en werd begraven op de ere-begraafplaats Menteng-Poelo.

Vermeldingswaardig vind ik nog dat in het boekwerk van V.I. van de Wall, ambtenaar bij de Oudheidkundige Dienst in Nederlands Indië , getiteld: ‘Het huis Reinier de Klerk’ (het latere ’s Lands archief) op bladzijde 64 de naam van mijn vader wordt genoemd als architect van de in Oud Hollandse stijl aangelegde tuin van dit huis dat in 1760 werd gebouwd. Het boekwerk ‘Het huis Reinier de Klerk’ werd uitgegeven door het Batavia’s Genoodschap voor Kunsten en Wetenschappen in 1932 en is in de bibliotheek van het Tropen Instituut te Amsterdam aanwezig.

Op het iets kleinere Waterloopplein vonden altijd parades plaats en werden door de stafmuziek onder leiding van de kapitein De Ruyter Korver, op gezette tijden muziekuitvoeringen gegeven, waarbij ook hier weer de Europese- en inheemse bevolking van hun aanwezigheid blijk gaf.

De grote R.K.Kerk staat er nog steeds is mij verteld, doch de hoge witte zuil, die bovenop de leeuw van Waterloo droeg, is afgebroken. Daar op dat plein kwam op warme avonden de upperten van Batavia, officieren met hun echtgenotes, dames in blote jurken, tezamen om te flaneren in de avondlucht om daarna in de societeit Concordia de gezelligheid voort te zetten aan de bittertafel. Dat alles is voorbij.

Aan het plein lag tevens het enorme departement van Financien dat doo Gouverneur Generaal Daendels werd gebouwd. Van dit gebouw, in Napoleontische stijl op getrokken, werd schertsend verteld dat het er krioelde van de witte mieren, de rajaps, waar over ik reeds sprak in het artikel over de plantentuin te Buitenzorg. De witte mieren vraten alles op wat binnen hun bereik kwam. Hout, leder, boekwerken, ja zelfs bankpapier en als er op het departement tekorten waren geconstateerd, kregen de witte mieren de schuld, zo beweerde men.

Seranade
Uit mijn jongensjaren weet ik nog dat naast de woning van de legercommandant een groot huis stond dat bewoond werd door enkele tientallen jonge meisjes en vrouwen. Werkende jonge vrouwen die alleen stonden en plantersdochters uit de Preanger. Het was het gebouw van de vrouwenbond die zich ontfermde over alleenwonende vrouwen en meisjes. Die hadden daar elk een kamertje plus kost en inwoning en het geheel stond onder leiding van een directrice met een bril en een toetje. Het was een zeer strenge juffrouw, die vooral scherp toezag op alles wat het erf op kwam. Dit echter was voor ons, jongens in de leeftijd van achttien jaar geen bezwaar om zo nu en dan het tehuis eens met ons bezoek te vereren. Meestal was het al laat in de avond dat wij in een tweetal rijtuigjes met een Inheemse koetsier op de bok, een ebro, door Batavia reden en uitgelaten als jongens in die tijd ook al waren, een avond serenade gingen brengen in de tuin van de vrouwenbond waar vele schonen zich gereed maakten voor de nacht.

Dan was half Batavia in rep en roer, want wij wisten van geen ophouden. De pastoor aan de overkant, die naast de kerk woonde dreigde met politie en de directrice die naar buiten kwam en wiens brilletje van drift haast van haar neus viel, schreeuwde moord en brand tegen ons, alsmaar met haar vinger zwaaiend in de lucht. Dan lagen wij krom van het lachen achter in de rijtuigjes waarvan de koetsiers stellig dachten dat we uit een gekkenhuis waren ontvlucht. Maar binnen in het huis, daar zaten de juffertjes door de raamhorretjes te gluren, want die vonden dat stel jonge kerels daar buiten best leuk.

Geregeld werd door ons een rijtoer door Weltevreden gemaakt. Soms in twee, soms in drie rijtuigjes en de vaak suffige koetsier reed ons daarheen waar wij heen wilden. Hij vond alles best en bleef gelaten zijn paardjes met allerlei geluiden aansporen. Dan toerden we door Weltevreden. Rondom het Koningsplein, door parken en straten en hadde het grootste plezier. De meeste koetsiers van de Bataviaanse rijtuigjes, de Ebro’s kensen ons al en maakten met elkaar ruzie om ons op zwoele avonden voor een paar gulden door de dreven van Weltevreden rond te rijden. De kerels hadden er zelf pret in. We waren wel belhamels en rekels, maar nooit baldadig of ongemanierd. We vernielden niets en vielen geen mensen lastig. Toch hadden we als grote lummers plezier in kleine voorvallen die tegenwoordig niets om het lijf zouden hebben.

Het gezelschap jonge lieden waarmee ik geregeld optrok, bestond uit zonen van een tandarts, een pianoleraar, een majoor en twee broers uit het gezin van een apotheker. Allemaal jongens die na hun studie behoefte hadden om de bloemetjes op geregelde tijden flink buiten te zetten en dat gebeurde dan ook.

Vrienden
Als we dan een paar uur hadden rond gereden, lachend en zingend, verdwenen we voor een poosje het Hotel der Nederlanden in om daar een spelletje biljart te spelen en een ‘splitje’ te drinken. Een splitje was een glas spuitwater met een scheutje whiskey er in. Dan stonden de rijtuigjes buiten te wachten en de koetsiers zaten met elkaar hun strootjes te roken, wachtend tot de jonge heren, de toewan moeda’s, weer naar buiten kwamen en dan begon de lol weer van voren af aan. Zonder mankeren stond dan het huis van de Protestantse vrouwen- en meisjesbond op het programma alwaar wij in het grind van de oprijlaan ogenblikkelijk onze serenade, ons traditionele  liefdeslied aanhieven. ‘Dat zal me wat moois geweest zijn’ zult u zich afvragen. Nu, ik kan u verzekeren dat het wel degelijk mooi was, want wij allen zongen in een Batavia’s mannenkoor en onze stemmen klonken in de tropenavond zeer melodieus, zo zelfs dat in de omwonende huizen de bewoners in hun pyama’s en nachtgewaden in de voorgalerijen kwamen luisteren.

Alleen de vinnige directrice, wiens brilletje bijna van haar neus viel, maakte zich uitzonderlijk driftig en sprong als een sprinkhaan van links naar rechts in de deuropening. Als een kloek wakend over haar kuikens stond ze dan met de armen zwaaiend, de veiligheid van de haar toevertrouwde kostgangertjes te verdedigen. Maar die zaten binnen of lagen reeds te bed naar ons gezang te luisteren. Niet om de lieftallige bewoonstertjes van het tehuis, maar om de oude juffrouw nog meer drift en nijd te besparen, hebben we op een dag jammer genoeg moeten besluiten onze bezoeken aan de inrichting maar te beeindigen. Het mensje ging waarschijnlijk voor haar genoegen enmet liefde door het leven met een humeur als een oorwurm en wij wilden niet op ons geweten hebben dat ze op een goede dag uit wanhoop de hand aan zichzelf zou slaan. Later is één van ons met een meisje uit dat tehuis getrouwd en naar Belgisch Congo getrokken waar hij op een plantage kwam en zij in de verpleging werkzaam was.

Een prinsenleven
Voor ons, jonge kerels, was Weltevreden oergezellig en er viel veel te beleven. Als zonen van welgestelde ouders hielden wij er dan ook een heerlijk, zorgeloos leventje op na. Het ontbrak ons aan niets. Het leven was mooi en lachtte ons van alle kanten toe. Een prinsenleven heb ik daar in dat goede Indische Weltevreden gehad als jongeman en nog vaak denk ik met weemoed terug aan mijn ouderlijk huis, van waarui ik eens zelf de wereld in moest trekken. Een heerlijke, zonnige tijd was het die niemand mij ooit kan afnemen.

De vreselijke oorlog met Japan maakte in 1942 een einde aan alles wat eens mooi was. Toen waren onze jongensjaren reeds geruime tijd voorbij. We waren uit elkaar gegaan. In concentratiekampen verdwenen. De één in de strijd gesneuveld en de andere naar Japan vervoerd. Ikzelf kwam in een burgerkamp terecht en herkende na mijn bevrijding uit deze het Weltevreden niet meer terug. Het zag er allemaal nogal vijandig uit. Het was er onveilig en chaotisch.

Alles was veranderd
Voordat ik met mijn inmiddels gevormde gezin op de boot stapte, om na een verblijf in de tropen van meer dan twee en dertig jaar, in Holland te gaan wonen, heb ik nog door Weltevreden gewandeld. Over de verwaarloosde pleinen en door de verwaarloosde straten waarin de huizen niet meer door Europeanen werden bewoond. Ik heb staan kijken voor het gewezen huis van de vrouwenbond waar wij als jonge mannen in het grind stonden te zingen. Het was een soort kantoor geworden. Alles was veranderd. De vrouwtjes waren weg. In de oorlog waarschijnlijk ook door de Godenzonen in kampen opgesloten. Mogelijk in de aller ellendigste omstandigheden in kampen gestorven. Ik moest er beslist niet aan denken. Het huis was nog niet als toen en in mijn verbeelding zag ik in de open voorgalerij weer de directrice staan met haar magere schoudertjes, haar brilletje en haar knoedeltje.

Mijn jeugdvrienden met wie ik jarenlang optrok, zijn weg. Vrienden, met wie ik veel pret heb gehad onder de tropenzon, zijn in de oorlog gestorven of in kampen omgekomen. Maar, hoe dan ook, we hebben met elkaar geleefd. En hoe!!

Zie hier een zeer beknopte beschrijving van het vroegere Weltevreden, waar aan het huis in de Plantage Middenlaan in Amsterdam mij steeds weer doet herinneren.

Batavia, herinnering Jakarta, Indonesië

Jouw verhalensite met verhalen over Indonesië. Oude en nieuwe verhalen. Om te lezen, maar ook om zelf te publiceren. Doe mee en beleef mee!