Soep

door:Lodewijk de Geer Boers | 10 april 2012 |Oorlog

Het was in het midden van de Westmoesson en zware plensbuien hadden zich ontlast boven het Japanse gevangenkamp Cimani waar tienduizend Europeanen door de Godenzonen waren opgesloten. Het was die dag kil en guur in het bergplaatsje waar voor de oorlog met Japan een groot deel van het KNIL gelegerd was. De gewezen Nederlandse kazerne waar ook ik zat geïnterneerd, zat volgestamt met van heinde en verre aangevoerde gevangenen. Mannetje aan mannetje lagen de mensen, allen burgergevangenen, in de van bamboe en cement opgetrokken barakken. De militairen, welke hier eerder door de Japanners waren opgesloten, waren kort voor ons weggevoerd, naar Singapore en Japan. Krijgsgevangenen waren dat en nu kwamen wij, burgers afkomstig uit alle delen van Java en de buitengewesten, in dit kampement hun plaatsen innemen. 

De druilerige, steeds aanhoudende regen, welke volgde op een hevige tropische bui die het terrein van het gevangenkamp geheel blank deed staan, had ons naar binnen gedreven. Rillend zaten we daar binnen op onze matjes, de tikars, te wachten tot de zon zich weer zou laten zien, maar zoals dat in de bergen van de Preanger kon gaan, bleef de dag kil en guur. Op een kluitje zaten we met een man of acht het ene sterke verhaal na het andere te vertellen en maar te wachten op datgene wat gebeuren zou, maar er gebeurde niets. 

Fantasie gerechten
Uitgehongerd dat wij allen waren na zo vele maanden van ondervoeding, verzonnen wij de heerslijkste recepten welke wij ‘thuis’, als alle ellende afgelopen zou zijn, op tafel zouden laten komen. De één verzon nog smakelijkerer gerechten dan de ander en bij velen liep het water in de mond. Als maar eerst de oorlog was afgelopen, dan zouden we het er van nemen, reken maar. Velen schreven met stompjes potlood op stukjes papier de meest idiote gerechten op om later ‘thuis’ klaar te maken, maar voorlopig moesten wij het nog wie weet hoe lang doen met wat modderige batatenknollen, waterige koolstronkensoep en stijfselpap, alles in de geringste hoeveelheid. 

Aan de wacht, waar de Japanners onder de poort van het gevangenkamp bij elkaar zaten, werd op een oude radio Jappenmuziek ten gehore gebracht en de krakende tonen galmden over het terrein. Ik weet nog hoe afschuwelijk is dit alles vond. Er moest een wonder gebeuren, wilde ik dit alles nog langer volhouden, zo dacht ik. 

Vreedpartijen door de Jappen
Onder de met ijzeren hekken afgesloten poort, brandde ondanks dat het overdag was, toch het elektrische licht en door een houten raam in de barak zag ik een tiental Jappen gulzig stukken kip naar binnen werken en glazen drank ledigen. Alcohol in grote hoeveelheden werden verwerkt en het was een geschreeuw en gekrijs van belang daar binnen. Grote opengesperde monden waarin rijen enorme tanden, werden volgepropt met voedsel. Alsmaar jankte het radiootje die vervloekte melodie en alsmaar werd er daar binnen, onder de poort, gezopen en gevreten, gebruld en geschreeuwd en ruzie gemaakt. Het was duidelijk, de bende was het zat. Straal bezopen en slechts de op wacht staande paar soldaten hielden met hun spleetogen de poort in de gaten. 
Later hoorde ik dat de Amerikanen ergens in de buurt van de Bismarck-archipel, de Japanse vloot een danige klap hadden toegebracht en dat er vele Japanners waren omgekomen. 

Extra sadistisch en gemeen
Aan het gedrag van de kampbewaking konden wij steeds weer merken als hun weermacht of marine zware nederlagen hadden geleden. Dan waren de kampbeulen extra sadistisch en koelde hun woede over de verliezen steeds weer op willekeurige burger-gevangenen. Dan werd er geranseld en geschreeuwd en de zogenaamde keuken, waar toch nimmer iets bijzonders werd klaargemaakt, voor een paar dagen gesloten. Dan was het over de hele dag slechts 100 cc waterpap, stijfsel zonder enige smaak. 

Het was voor velen van ons die maar een beetje kijk op de situatie hadden, duidelijk dat de oorlog niet naar hun zin verliep en dat binnen niet al te lange tijd de Japanse nederlaag voor de deur kon staan. Er was ergens op een verborgen plek in het kamp een radio-ontvangtoestelletje. Waar is nooit uitgelekt, maar daar kwamen de schaarse, maar wel betrouwbare nieuwsberichten vandaan. Heel voorzichtig circuleerde dan een sumier verhaal onder de duizenden gevangenen, die het na zoveel teleurstellingen niet meer geloofden, doch welke zoals later bleek, toch op de waarheid hebben berust. 

Het weinige en slechte voer dat ons werd verstrekt werd minder en nog beroerder. Er was dus kennelijk iets gaande in het noorden van de Indische archipel. De sfeer in het kamp werd geheimzinniger en iedereen fluisterde allerlei geruchten die weer wat hoop gaven op een spoedig einde van de oorlog. Maar er stierven dagelijks vele gevangenen aan uitputting. Dan werd hun portie eten stiekem door een ander in ontvangst genomen, want de ‘administratie’ leek nergens op. Men had honger en dat maakt een mens hebberig, oneerlijk en gemeen. Op welke wijze ook, men moet in leven zien te blijven. De ene z’n dood, de ander z’n brood en zo ging dat…

Hongerig maakt sluw…
Nu waren er onder de vele duizenden in het kamp ook slimmerikken die probeerden geld te verdienen aan de mensen die krepeerden van de honger. Het beetje geld dat deze sluwe figuren nog probeerden afhandig te maken van mannen die dit hadden bewaard voor het geval de bevrijding zou komen, verdween in hun zakken en het waren voornamelijk branieschoppers die wel eens door rioolputten naar buiten slopen en zo ergens buiten het kamp terecht kwamen. In de nacht slopen ze dan langs leegstaande huizen waar eens Europeanen hadden gewoond en strikten met ijzerdraad loslopende honden of katten waarvan het vlees tegen schandelijke prijzen of tegen goud in de vorm van trouwringen, binnen het kamp werd verkocht. Zelfs rioolratten werden gevangen en tot soep gekookt.

Op het stoken van vuurtjes stond een zware straf. De dader die betrapt werd op het stoken van een vuurtje, waarop de soep of het hete water werd gekookt, kon rekenen op onmenselijke pakken ransel. Met ijzeren staven, bamboestokken en stukken prikkeldraad werden de kokers dan aan de wacht afgetuigd. Soms werden ze aan de motorfiets van een door het kamp rijdende Japanner vast gebonden en door het grint voortgesleept. Toch riskeerden verscheidenen deze behandeling en stookten hun vuurtjes achter bomen en muurtjes. Vaak waren het de Armeniërs, de in het kamp als geldwolven bekendstaande figuren, die in het geheim ‘soep’ verkochten voor ferme prijzen. Maar wat doe je als je hongerig bent? 

Op heterdaad betrapt
Op een dag maakte ik in mijn gescheurde pyamabroek een wandelingetje door het kamp en genoot van het verre uitzicht over de bergen van de Preanger. In de schaduw van enkele grote kanariebomen zat ik te kijken en hoorde plotseling een enorm motorgeronk. Ik verschool me achter een dikke boomstam en zag een viertal gewapende Jappen met hun gevechtspetjes op bij een muurtje van hun motoren afstappen en op een draf achter de muur verdwijnen. Daar werd geschreeuwd en gegild, geslagen, getrapt en hees gebruld. Ik zag rook en vuurvonken achter het muurtje vandaan komen en blikken door de lucht vliegen. Een stel kokers was door weer anderen verraden en werden nu door de Jap op heterdaad betrapt. Onder geschreeuw en gebrul werden ze naar de poort gebracht waar het stel half dood geranseld werd. 

Nepsoep
 
Van enkele nog op smeulende vuurtjes staande blikken werd de vieze, drappige inhoud, de zogenaamde hete soep, door enkele kampbewoners in kroezen en mokken overgegoten en verorberd, maar wat bleek, dat hetgene dat als stukken vlees onder op de bodem van het kookblik moest doorgaan, niets anders was als opgerolde rubberzolen van versleten gymschoenen…Deze ‘soep’ werd verkocht aan de hongerige mensen en er werd bij gezegd: “Kijk maar in het blik, het vlees zie je onderin liggen.” Dat noemde men handige jongens, maar het echte vlees van hond, kat en rat verdween in de magen van de rijken, mensen die nog dik in hun klandestiene geld zaten, zoals Chinezen en notabelen der Europese gemeenschap. 

En zo bedrogen de gevangenen in het kamp CQ te Tjimahi (Cimahi) elkaar. De ene arme sloeber bedroog de andere. Later werd mij verteld dat het vet dat op de ‘soep’ dreef, niets anders was dan gesmolten kaarsvet of wat wagensmeer. En aan de poort zaten de Jappen eend en kip de verorberen en sloegen al gillend van plezier de gesnapte soepkokers in elkaar. 

Jappenkamp, oorlog

Jouw verhalensite met verhalen over Indonesië. Oude en nieuwe verhalen. Om te lezen, maar ook om zelf te publiceren. Doe mee en beleef mee!