Sirdjo

door:H van Eeckenrode | 5 mei 2014 |Cultuur, Historisch

Sirdjo beviel mij voortdurend meer en ik schonk hem telkens groter vertrouwen, hetwelk hij scheen te waarderen en trachtte zich waardig te maken. Hij was ook dapper, hetgeen bleek uit  de volgende voorvallen:

Nadat ik enige werkzaamheden had verricht, een paal of twintig van Sinoloog, keerde ik naar de stad terug in het duister, want door allerlei oponthoud werd ik genoodzaakt, later te vertrekken dan ik voornemens was.  Vergezeld van Sirdjo, die een mijner makste paarden bereed, draafde ik snel voort, terwijl de schijn van de fietslantaarns, die wij aan onze zadels hadden bevestigd, ons de verraderlijke  kuilen en modderplassen in den weg reeds op een afstand deed bespeuren.

Ongeveer halverwege bleef Sirdjo een ogenblik achter en daar ik ongerust werd en zijn lantaarn niet meer bemerkte, keerde ik terug. Doch Sirdjo kwam reeds aanrijden: hij had zijn lantaarntje uitgedoofd, wijl zijn paard van het licht schrikte en reeds voortdurend gepoogd had, hem af te werpen.

Nadat ik thuis was en reeds gemandied ( mandi= baden  Jav:adhoes) en gegeten had kwam Saripa naar mij toe en zeide : “Toewan, Sirdjo is onderweg achtergebleven, wijl zijn paard schrikte van het licht zijner lantaarn. Het heeft hem op de  grond geworpen. Sirdjo hield stevig de teugels in de hand, terwijl het paard hem tegen borst en armen schopte, die geheel blauw en stijf zijn. Ook in het gelaat kreeg hij een schop, zodat zijne lippen bloeden en de voortanden loszitten.”

Ik deed Sirdjo roepen en zeide, nadat ik gezien had, hoe bleek  en gezwollen zijn gelaat was: “Sirdjo waarom hebt gij mij dat niet onderweg verteld, waarom moet ik het nu eerst horen?” “Mijnheer”, antwoordde hij  “ik ben spoedig opgestegen, nadat het paard weer rustig werd,  doordat ik mijn lantaarntje uitdoofde en zeide u niets, want ik wilde u niet noodeloos ophouden en verontrusten. Het heeft niets te beduiden.”

Ik vond zijn gedrag flink en schonk hem een zilveren horlogeketting.

Een anderen keer hadden weder mijne bezigheden mij belet voor het duister terug te keren. Men kon geen hand voor ogen zien, daarom reed Sirdje die als inlander scherper ogen had en beter den weg kon houden, ondanks den zwarten nacht, die ons omhulde, op enige afstand vooruit. Door de zorgeloosheid en onverschilligheid der bevolking van een kampong, dien wij voorbijgingen, liepen een aantal  karbouwen los op den weg!

Twee dier reuzendieren sloten ons den doortocht af, wijl zij , met de koppen naar elkaar  dwars op den weg bezig waren te herkauwen.

Sirdjo stuurde zijn paard behoedzaam tussen de twee koppen door, doch een der dieren raakte met de horens de achterpoten van het paard, hetwelk schrikte, een geweldige sprong voorwaarts deed en Sirdjo boven op de horens van de karbouw wierp, die den kop schudde alsof er een vlieg op ware neergestreken; toch riep hij nog, terwijl zijn paard steigerde om hem af te werpen :  “Mijnheer mijnheer, karbouwen! Pas op!“

Hadde hij dit niet geroepen, zeer zeker ware mij hetzelfde overkomen. Sirdjo rees spoedig op, hij had slechts enne  kleine verwonding aan de knie bekomen. Met veel beleid deed hij  de karbouwen opstaan, want , Javaan zijnde, was hij van zijne jeugd af vertrouwd met de reuzige doch goedaardige dieren, die hem reeds op de rug gedragen hadden en zich door zijn kleine hand lieten besturen, toen hij nog slechts een tweejarig kind was .

Nadat de dieren waren opgerezen, deed hij een geweldig gesis horen, wierp hen takken naar den kop, zodat zij spoedig, snuivend en onder luid gekraak, in het kreupel hout verdwenen.

Door dit alles hechtte ik mij aan Sirdjo. Hij sliep op ene mat voor mijne kamer en daar ik dit als een goede gelegenheid  beschouwde , het inlandsche karakter en de inlandsche denkbeelden te leeren kennen, hield ik nu en dan lange gesprekken met hem door de openstaande deur.

Hij verhaalde mij, hoe hij Maleisch en Javaansch had leeren lezen en schrijven op eene inlandsche school te Djoejo, welke bestuurd werd door een hadji, hij sprak mij over de koran  en over nabi Mohamad en was verbaasd, dat ik meer van den koran en van Mohamad wist dan hij. Op mijn beurt leerde ik hem allerlei wetenswaardigheden, welke , naar ik dacht, belang zouden inboezemen.

Ik bewees hem, dat de aarde rond was, hetgeen hij niet kon geloven. Daarom nam ik mijn helmhoed en vroeg: “Sirdjo, als gij geen horloge hebt, waaraan weet gij dan, hoe laat het is?”

“Aan de schaduw, mijnheer, als zij het kortst is, zal het zowat twaalf uur zijn; daarna wordt zij weer langer .” Nu nam ik een  luciferstokje, hield dit loodrecht op den helmhoed, daarna draaide ik den hoed rond, zodat de schaduw van de lucifer eerst lang was en daarna, door het hoofddeksel zoo te draaien, dat de lucifer naar het lampje wees, al korter werd en ten laatste geen schaduw meer gaf. Sirdjo begreep mij en gaf het uur op, dat iedere schaduwlengte aanwees.

“Zoo gaat het nu ook met de aarde, Sirdjo en nu weet gij meteen, dat de zon stil staat en niet om de aarde draait, zoals de schijn ons doet zien.”  Na enigen tijd sprak ik over Sirdjo met Burgers, welke  zichzelf wilde overtuigen. Sirdjo werd geroepen en Burgers zeide: “ Zo Sirdjo, ik hoop dat gij zeer knap zijt, vertel mij ook eens, hoe de aarde eruit ziet.”

“De aarde is rond mijnheer.”  Ik zag Burgers met zegevierende blik aan. “Waarom is zij rond”, vervolgde Burgers, “ik heb het nooit gezien, hoor! Verbeeld je eens! Wij zouden er immers dadelijk afglijden en de hemel weet, dan kwamen wij misschien terecht in een oord, nog slechter dan Silondoeng en , op den koop toe met gebroken armen en benen, misschien met gebroken hals!”. “Mijnheer heeft het mij gezegd en de blanken zijn knap  en weten veel, het zal daarom wel waar zijn.”

Mijn gezicht werd lang bij deze woorden, ik zond Sirdjo heen en na dien tijd beproefde ik niet meer, hem iets te leren. Daarbij komt nog, dat de jonge inlander verkeert met andere ,oudere lieden van zijn volk. Indien hij dan verhaalt, hoe goed zijn heer is en wat deze hem gezegd heeft, wordt hem allicht toegevoegd: “Hoor eens, gij moet dien blanke niet vertrouwen, hij heeft daar zeker iets mede voor, pas op, hij is een ongeloovige en leert u niets goeds, “ en naar deze raadgevingen luistert de jongen natuurlijk het meest.

Later vroeg ik Sirdjo eens: “Wat zult ge doen, als gij rijk waart, als een blanke?”

“Dan werd ik hadji, mijnheer.” “Waarom Sirdjo, kunt gij niet rustig leven, zonder hadji te zijn? “  “Ja mijnheer, doch als ik hadji ben, wordt ik overal geacht en kan ik een lui, werkeloos leven leiden.”

Ik beschreef hem de wijze, waarop de Mekka-gangers door de Arabieren worden behandeld. Hoe duizenden te Mekka sterven, worden uitgeschud, bestolen of vermoord; hoe de Arabieren meer pelgrims lokken, om nog meer te kunnen stelen en plunderen; hoe de pelgrims de Kompeni en de scheepvaartmaatschappijen verrijken. Doch Sirdjo bleef standvastig bij zijn denkbeeld.

Door dit alles begreep ik welk een diepe kloof er bestaat tusschen inlander en Europeaan, veroorzaakt door godsdienst, verschil van levensopvatting en denkbeelden. Deze kloof wordt nog verbreed door den Europeaan zelf, wijl de inlander hem veracht wegens zijne onbeschaafdheid, die zich uit in onmatigheid, drift, vloeken en zedeloozen levenswandel.

Spoedig bemerkte ik, dat Sirdjo in de benteng reeds geheel bedorven was, ondanks zijn jeugdigen leeftijd. Op zekeren dag riep ik hem, doch Sirdjo verscheen niet. Nadat ik nogmaals geroepen had kwam Norsidin, zeggende:  “Mijnheer, Sirdjo is naar den kampong om iets te kopen in den warong.”

Nu was dit niets ongewoons: Sirdjo kocht er voor zijn zakgeld de snoeperijen en versnaperingen, die den inlander onmisbaar zijn. Doch na dien tijd was Sirdjo zoo dikwijls in den kampong, wanneer ik hem riep, dat ik wantrouwen opvatte en Norsidin voor mij deed verschijnen: “Norsidin, gij moet eens op Sirdjo letten en mij zeggen, wat hij in den kampong doet, ik vertrouw hem niet. Gij behoeft niet te vrezen, mij alles te vertellen, want ik zal hem later zelf zeggen, dat ik dit u bevolen heb, daar ik niet gaarne zie, dat hij een orang nakal  ( slecht mensch) wordt.”

Enige dagen later meldde zich Norsidin bij mij aan en sprak: “mijnheer, Sirdjo gaat naar den kampong om te spelen en hij heeft reeds veel verloren. Aan den man , die in dat huisje, over mijnheer woont, verloor hij vijf gulden en aan een hadji tien.”

‘S avonds riep ik Sirdjo voor mij, hij hurkte neer. “Sirdjo, gij gaat zoo dikwijls naar den kampong, wat doet gij daar?.” “Ik koop kwe-kwe, mijnheer en katjang en nasi-goreng, anders niet.”

(kwe-kwe : koekjes  , katjang : pinda boontjes , nasi goreng: gebakken rijst met allerlei lekkernijen vermengd )

“Gij liegt, Sirdjo !”  “Neen mijnheer, ik lieg niet, ik heb nog nooit gelogen!”

Dit was een zeer brutaal antwoord; zelfs, al  had hij nimmer gelogen, dan nog verbood hem de adat. Zoo vrij tot zijne meerderen te spreken, ik besloot dus, strenger op te treden.  “Sirdjo,” zeide ik , “ik weet alles en ook , dat gij liegt: zeg de waarheid, want bij de eerste leugen die gij spreekt, geef ik u een tik met dit rietje.”

Als nu Sirdjo weder ontkende, zeker denkende: “Mijnheer is goed en heeft nog nooit geslagen, hij zal dus ook mij niet durven slaan”, gaf ik hem een tik op den rug. Sirdjo deed een schreeuw hooren, zoo luid mogelijk, opdat de menschen buiten het konden vernemen, doch hij ontving nog een klap zoodat hij zweeg en uitriep:  “Kaoelo nedi ampoen, endoro toewan mengakoe bedanter!” ( Ik vraag vergiffenis geëerbiedigde heer, ik zal alles bekennen!”

“Sirdjo, “ zeide ik “antwoord op mijne vragen:  hoelang speelt gij reeds in den kampong?” ”Van het oogenblik af, dat ik bij mijnheer in dienst trad.”

“Hebt gij dikwijls gewonnen?” “neen mijnheer, slechts éénmaal.” “Dat komt, Sirdjo, omdat gij nog te jong zijt en men u bedroog, om uw geld in handen te krijgen; hoeveel hebt gij verloren? “

“Een of twee gulden, mijnheer.” Weer kreeg hij een tik met het rietje: “Lieg niet, Sirdjo, denk er aan, dat ik alles weet!”  “Toewaaan! Toewaaan! Kaoelo nedi ampoen, kaoelo nedi ampoen!”

“ Welnu, hoeveel hebt gij verloren?” ”Twintig gulden mijnheer.” “Hoe kwam al dat geld in uw bezit?””Ik leende vijf gulden van Norsidin en Saripa.”

Ik riep beiden en vernam, dat zij hem ieder een rijksdaalder geleend hadden, daar hij geld noodig had, om kleederen te koopen en mijnheer zijn loon achterhield.

Over deze laatste leugen geraakte ik zeer in toorn, daar Sirdjo zeer goed wist , dat zijne moeder mij verzocht had, zijn loon te bewaren en hem slechts zakgeld te geven.

“Maar nu het overige, Sirdjo, dit is nog slechts vijf gulden.” En nu verhaalde de deugniet, dat hij de horlogeketting, welke ik hem had geschonken, verkocht had aan den tuinjongen  van Hengel, voor vijf gulden; zijn kris ook een geschenk van mij, voor vier gulden. Zijn kleederkist voor een guldenvijftig, daarenboven had hij nog een reeks kleinigheden ten gelde gemaakt.

“Sirdjo, gij zijt zeer slecht en ondankbaar geweest, ik zal u ditmaal ampoen geven, en zien, hoe gij u verder gedraagr. Doch bij hetminste, dat ik weer bij u bemerk, zend ik u terug naar uwe moeder.”

Sirdjo hield zich drie maanden goed en hier droeg veel toe bij: de spot en plagerijen der overige bedienden, vooral van de oude Saiepa. Daarenboven ontving hij een geduchte kastijding van zijne moeder.

Doch eindelijk betrapte ik hem zelf op heterdaad, terwijl hij aan het spelen was in den kampong met een hadji en nog enige leeglopers. Nu was mijn geduld uitgeput, ik riep Sirdjo’s moeder, gaf haar het loon, dat ik den jongen speler schuldig was en zond Sirdjo heen. Later vernam ik dat hij soldaat was geworden, evenals zijn vader.

—–

Opm: Oorspronkelijk verhaal van H. van Eeckenrode (deel XV uit de reeks Verhalen van Silondoeng). gedigitaliseerd door P. Lemon

Indonesië

Jouw verhalensite met verhalen over Indonesië. Oude en nieuwe verhalen. Om te lezen, maar ook om zelf te publiceren. Doe mee en beleef mee!