mijn familiegeschiedenis van 1942-1958 in Oost Java

door:hans faber | 16 oktober 2016 |Oorlog
Surabaya. De stad waar ik op zoek zou gaan naar mijn roots. En hier zal ik ingaan op die geschiedenis. Een belangrijke maar volstrekt niet-toeristische stad van ongeveer drie miljoen inwoners in het oosten van Java. Het belang van de stad is de haven waar niet alleen goederen worden gelost en geladen, maar ook de marine die er een basis heeft.
De stad aan de kali Mas waar sura (haai) en baya (krokodil) met elkaar vochten en waar de onafhankelijkheidsstrijd tegen Holland begon, is zoals haar naam één van rauwheid en ogenschijnlijke chaos. 

 

Het was onder Hollandse tijd een prachtige stad vol met art deco-architectuur, alles in wit uitgevoerd, met in het midden een historisch centrum uit de tijd van de Republiek der Verenigde Nederlanden. Inclusief nog steeds een levendige Chinese wijk waar overal gehandeld wordt en zowel de reisgidsen als later onze chauffeur ons voor waarschuwden om goed op je spullen te passen. Indonesië is mentaal niet het vaste land van Zuidoost-Azië. Het lijkt er niet eens op. Judith vond Indonesië al niet erg prettig en dit was helemaal een vreselijke stad. Vies en onveilig. Ik vond het intrigerend. Eigenlijk kreeg je een kijkje in de keuken van een stad die qua humeur en temperament al honderd jaar of langer ongewijzigd is gebleven. Er zijn alleen mensen en auto’s bijgekomen. Zeker in het oude centrum zou iemand uit de tijd van de Republiek de atmosfeer kunnen herkennen, verbeeld ik me. En als je goed keek, zag je achter het zwarte vuil en de goedkope valse gevels en reclameborden de oude, witte Hollandse panden. Zo veel prachtige art deco-gebouwen staan er nog; als je goed kijkt. Ooit gebouwd om te imponeren in een periode dat zelfs Atjeh na de eerste guerrillaoorlog ter wereld door de marechaussee eindelijk en voor het eerst was verslagen. De Amerikanen kopieerden deze tactiek later in Vietnam. Nu spelen de gebouwen van de hectische stad verstoppertje. Bang om herkend te worden als overblijfsel uit de koloniale tijd en om dan net als de Indo-bevolking na de oorlog, gesloopt te worden. Ik heb ze beide gevonden. De oude panden en de Indo’s. Over de laatsten later meer. Het voormalige Engelse warenhuis, restaurant Hellendoorn en de Simpangsche Apotheek, ik zag ze allemaal. En zo vervallen deze old soldiers langzaam anoniem en in stilte. Wij verbleven twee nachten in het luxe Hotel Majapahit aan de jalan Tunjungan. Het is een hotel vol geschiedenis en heette tot de onafhankelijkheid van Indonesië Het Oranjehotel. Toen Surabaya nog als Soerabaja werd geschreven. Een parel in de rauwe stad. Judith haar vader had wel eens in het hotel overnacht toen ze Indonesië woonden midden jaren 70. Het was hier waar in 1945 de Nederlanders de vlag weer hesen en dit leidde tot een gevecht metpemoeda’s die met hun vermaard geworden scherpe bamboestokken voor een afhankelijk Indonesië streden. Zij scheurden de blauwe strook van de Nederlandse vlag af waarmee het de rood-witte vlag van Indonesië werd. Daarmee werd op deze locatie de start gegeven voor de onafhankelijkheidsstrijd. Naast het Oranjehotel stond restaurant Hellendoorn, ik noemde het al. Het gebouw staat er nog, maar ook achter reclameborden en vieze, goedkope voorzetgevels. Ik heb nog foto’s gezien van voor de oorlog hoe de officieren in smetteloos wit op het terras zitten en de trams voorbij zien komen over de brede straat. Nu raast het miljoenenverkeer voorbij en wordt de klamme, volzoete geur van de tropen verdrongen door ijle uitlaatgassen.

De aankomst in Het Oranjehotel, zo noem ik toch maar, was panas (heet) en hectisch. We hadden op het busstation waar we waren afgezet na de reis vanaf gunung Bromo, een taxi gepakt om ons naar het hotel te laten brengen. De chauffeur leek me een sjacheraar. Bij het inchecken bij het hotel kwam ik er achter dat ik mijn tas was vergeten in de taxi met daarin vliegtickets, bankpasjes, paspoort, paar honderd dollar aan contanten et cetera. Een doemscenario voltrok zich voor mijn ogen en in mijn hoofd. Ik sprong onmiddellijk in een gereedstaande Blue Bird taxi van het hotel en probeerde de sjacheraar te traceren in het verkeer. Een schier onmogelijke opgave in een miljoenenstad met het daarbij horend autoverkeer. Wat in een actiefilm altijd lukt, lukte mij niet. Na een wilde, wanhopige en zinloze achtervolging te hebben ingezet, zonder eigenlijk te weten wat we precies achtervolgden, keerde ik terug naar het hotel waar Judith stond te wachten. Tijdens de speurtocht bedacht ik nooit meer met een andere taxi te reizen dan met Blue Bird. Blue Bird is een betrouwbaar bedrijf waar je niet hoeft te onderhandelen en in iedere taxi een registratie te vinden is van de chauffeur voor het geval je klachten mochten hebben. Dan zou ik mijn tas terug hebben gekregen. In mijn hoofd was ik al bezig plan B uit te werken. Maar daar bij het hotel stond de taxichauffeur met mijn tas en plan A was nog springlevend! Ik heb de beste sjacheraar iets van vijftig euro aan beloning gegeven voor deze vriendelijke daad en ook met een tip de Blue Bird taxichauffeur betaald. Goed te beseffen dat je je altijd weer kunt vergissen in mensen.
Mijn moeder gehurkt met achter haar, haar oudere zus en oudere broer (+/-1957)
Nu was het tijd om het ouderlijk huis te gaan zoeken. We regelden de volgende dag een auto met chauffeur van het hotel voor de hele dag. Zoals gezegd, ik had alleen een oude foto en de straatnaam jalan Johor. Op de stadsplattegrond stond een jalan Johar aangegeven met ‘a’ in plaats van een ‘o’. Daar zijn we heen gereden. De straat lag vlak bij het treinstation en het Kantor Gubernur (oude gouverneurshuis). Johar bleek niet de juiste straat te zijn en niemand die iets wist van Indische Nederlanders die er ooit gewoond zouden hebben. Daarop zijn we teruggegaan naar het hotel. Daar met mensen van de receptie gesproken en die wisten te vertellen dat er in het noorden een jalan Johor was, wel met een ‘o’. De straatnaam stond niet op de kaart. Wij weer met de auto en chauffeur op pad. Er bleek inderdaad een jalan Johor te zijn. Dit leek er meer op. Een buurt van kleinere huizen en niet zo relatief welvarend als bij de jalan Johar. Er stond nota bene nog een protestant kerkje en we spraken daar een oud, arm, verward vrouwtje dat half Nederlands sprak. Verward door de ouderdom of door een leven van onverwerkte trauma’s? We zaten op het goede Indo-spoor en vroegen verder rond en legden uit op zoek te zijn naar belanda’s (Hollanders) die hier gewoond hadden. We werden uitgenodigd om naar een huis te gaan waar dan onze familie zou hebben gewoond. Eenmaal binnen werd een misverstand duidelijk. De mensen van het huis dachten dat we kennelijk familie van hun waren. Als we dat bevestigd hadden, waren we ter plekke in hun armen gesloten. Weer buiten lukte het maar niet het huis te vinden. Uiteindelijk gaven we het op. Voor we teruggingen naar ons hotel, hebben we ons eerst af laten zetten in het oude centrum van de stad en er een uurtje doorheen geslenterd. Ik geloof niet dat onze chauffeur het helemaal vertrouwd vond en, zoals gezegd, hij waarschuwde ons om goed op onze tassen te passen. Wat een bedrijvigheid en ik schreef het al, dit is het echte Indonesië. Je leest de historie in wat er gebeurde op straat en in de oude gebouwen. Ze zijn minder verborgen, maar veel is ook gesloopt. Daarna zijn terug gegaan naar het hotel. Maar dat we het ouderlijk huis niet hadden gevonden, bleef aan me knagen. Ik was zo ontzettend dichtbij. Ik wist het zeker.
De volgende dag zijn we toch weer op zoek gegaan. Ik wilde nog een poging wagen. Nu met een taxi. Die zette ons ergens anders af, maar wel in de buurt van de jalan Johor waar we de dag ervoor waren geweest. En zo kwamen we er achter dat er diverse jalan Johors waren die min of meer parallel aan elkaar lagen. Er was een jalan Johor Barat, een jalan Johor DKA (feitelijk de spoorbaan) en sec een jalan Johor. En zo begonnen we weer rond te vragen en lieten de foto zien van mijn moeder met haar zus en broer voor een grote watertank met op de achtergrond nog iets van het huisje zichtbaar. Uiteindelijk leek een man met wat langer krullend haar de waterput te herkennen en zei dat die inmiddels weg was en het huisje ook en had plaatsgemaakt voor een soort flat. We werden door hem naar het kantoortje van de ‘wijkagent’ gebracht. Deze deed voornamelijk gewichtig maar wist niets zinnigs te melden. Communiceren was ook onmogelijk vanwege de taalbarrière. Eenmaal klaar met dit Javaans schimmenspel, kwam dezelfde man met het krulhaar weer naar ons toe en bracht ons naar een oude vrouw die nog Nederlands sprak. Alsof er even clearance nodig was van de wijkagent. Vergelijkbaar met wat in goed Nederlands community policing heet, of blauw-op-straat.

jl Johor, Surabaya

 

Ze heette Cherley Mendoza, was tweeënzestig jaar en woonde aan jalan Johor 5A, Blok A. Een huisje naast de plek waar de watertank had gestaan, verstopt in een buitenwijk van Surabaya. Ze was klein, zeer tenger en mager en duidelijk arm. Maar ze had overleefd. Haar Nederlands was nog perfect. Deftiger en beleefder dan dat van Nederlanders en niet met het zangerig accent van de Late Late Lien Show (een concept later gekopieerd door de Rayman is Laat Show; of is dit gewoon een patroon van geleidelijke integratie?). Ze herinnerde zich mijn familie en ook heel duidelijk mijn moeder. Mijn familie had gewoond in Blok C of D, dat nog maar net gesloopt was. Ze vertelde vroeger veel met mijn moeder gespeeld te hebben op het plein van het schooltje en wist zich te herinneren dat mijn moeder vaak huilde om haar zin te krijgen.

opa Frits Bouwens

Ze wist zich ook mijn opa Frits Bouwens te herinneren. Ze noemde hem ‘onze vader’ omdat hij na de oorlog voor de Indischen langs deze spoorbaan aan de rand van de stad zorgde. Net zoals hij dat min of meer ook had gedaan in het NIAS direct na de oorlog, leerde ik later en waarover straks meer.

Na de oorlog konden en wilden niet alle Indische Nederlanders naar Holland. Ook mochten ze niet altijd van de Nederlandse overheid. Zeker de halfbloedjes zonder duidelijke banden met Nederland niet; de zogenaamd oostersch georiënteerden. Waarschijnlijk viel dit deel van mijn familie hieronder. Ze hadden niet in het KNIL (Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger) gezeten en evenmin waren ze ambtenaar geweest. Mijn opa had meende ik een rijstpellerij. Lizzy van Leeuwen heeft dit goed beschreven in haar boek ‘Ons Indisch Erfgoed’. Het was een dreigende tijd en de Indo’s, die tijdens de oorlog al hun bezittingen kwijt waren geraakt, waren als levende herinnering aan de overheerser hun leven niet zeker. Gedurende de oorlog, los van de slachtoffers in de kampen, en tijdens de zeer moorddadige Bersiap-periode, zijn duizenden Indo’s, Nederlanders, Chinezen op brute wijze vermoord in kampongs. De Bersiap, waarvan de betekenis ‘wees paraat’ is, is volgens sommige deskundigen feitelijk een genocide geweest. De schattingen tijdens de Bersiap lopen zeer uiteen van vijfenhalfduizend tot vijfendertigduizend. Maar er zijn ook historici die schatten dat er tweehonderdvijftigduizend tot driehonderdduizend moorden zijn geweest, hoewel dat waarschijnlijk te hoog is. Het aantal burgerdoden in de Jappenkampen bedroeg ongeveer zestienduizend, nog los van de slachtoffers van de krijgsgevangenen en aan de Brima-spoorlijn. De Indo’s vertegenwoordigden zoals gezegd de oude overheerser. Ze hadden als gevangene in de Jappenkampen of als buitenkamper amper de oorlog overleefd en waren nu totaal verarmd. Bekend is het Goebeng-transport in oktober 1945 in Surabaya waarbij vijfentachtig vrouwen en kinderen werden vermoord door de pemoeda’s. Slechts enkelen overleefden de aanval. Historicus Bussemaker heeft de Bersiap op Java en Sumatra uitvoerig beschreven. Na de Bersiap was het leven nog steeds moeilijk en werden ze bij vlagen nog bedreigd en überhaupt gediscrimineerd door de Indonesische overheid en zochten ze bescherming bij elkaar. In 1957 groeide het anti-Nederlandse sentiment vanwege Nieuw Guinea. Ze waren met recht en rede niet veilig gezien de jaren voordat ze aan de jalan Johor terechtkwamen. Mijn moeder weet nog dat er veel honden en ganzen waren ter bescherming en dat als ze de stad in gingen, zij altijd verstopt moest worden in het ‘koetsje’ omdat ze vrij blond was. Mijn oma zou, anders dan tegen de Japanners, nooit wrok tegen de Indonesische bevolking hebben gekoesterd. Ze hadden recht op hun eigen land. Mijn oma had een leven meegemaakt waarin ze alles had gehad en een leven waarin ze niets meer had. Haar slotsom was dat je het eerste niet nodig hebt om gelukkig te zijn. En dat er zo weinig over deze geschiedenis en de ‘genocide’ dan wel massamoorden gesproken en geschreven wordt in Nederland, is volgens mijn moeder omdat een land een verloren oorlog wil vergeten en daar dus nooit over praat.
In ’58 kwamen mijn oma en haar kinderen aan in Holland, volledig berooid en enkel met een paar koffers gevuld met trauma’s.

Trauma’s van de Jappenkampen, de Bersiap en het verlies van twee kinderen en twee mannen binnen enkele jaren. De overtocht en gezinshereniging lukte dankzij haar zoon (halfbroer van mijn moeder) die al wel in Holland was en later door iedereen bij gebrek aan een vader ‘Pa’ zou worden genoemd. Een dappere man, noemt mijn moeder hem. Hij had de Jappenkampen overleefd en zijn vader verloren aan de Birma spoorlijn. Hij heeft de Bersiap overleefd. Hij was voordat hij achttien jaar was, ergens rond 1956 per boot naar Holland gegaan. Mijn oma had hem naar het schip gebracht. Maar hij kreeg heimwee in Holland, had niemand en is toen naar Singapore gegaan om zo dicht mogelijk bij zijn moeder te zijn. Singapore, de Chinese stad die vanuit het noorden prikt in de Indonesische archipel. Vanuit de hoerenbuurten van Singapore had hij, oom Edwin, de reis van zijn familie financieel mede mogelijk gemaakt. De hoerenbuurten omdat mijn oom natuurlijk het geld niet had beter te wonen. De Nederlandse overheid had inmiddels het beleid verruimd voor repatriëring van Indische Nederlanders, maar financieel moesten deze laatste Indo’s zelf de reis naar Holland zien te bekostigen. Mijn oma moest eerst dus het geld bij elkaar verdienen om weg te komen. Eenmaal in Holland kwamen ze, na eerst opvang te hebben gekregen in een pension in Groningen, of all places in Harlingen terecht. De meeste Indo’s gingen het liefst naar de weduwe Den Haag of naar het warmere Brabant. Maar de wachtlijsten voor een woning waren daarvoor langer en mijn oma besloot daarom naar Harlingen te gaan. Toen ook, een tekort aan sociale huurwoningen. Parallellen met huidige migratieproblematiek zijn overal. Maar ook weer totaal anders. De Indische migranten moesten de kosten van het verblijf in het pension wel betalen. Het leidde tot schulden die in de jaren later nog moesten en werden terugbetaald. Uit schaamte is hier nooit over gesproken door de Indo’s. Misschien ook een reden van oma om snel in Harlingen te gaan wonen om zo de schuld beperkt te houden. Ook dit is nog steeds een niet transparant stukje Nederlandse geschiedenis.

En in Harlingen begon het Grote Indisch Zwijgen en het verweer tegen het scheldwoord pindapoepchinees. Ook in mijn familie werd gezwegen. Er zijn slechts flarden van vroeger bekend over het leven in de Jappenkampen, zoals het eten van, muizen, ratten en het stelen van rijst. Oom Edwin vertelde ons hoe hij altijd muizen moest van vangen van mijn oma om te eten. Ook maakte mijn oma van de jutte zakken voor de rijst kleding voor haar kinderen. Eén van die flarden is indrukwekkend. Tijdens het dagelijks appel in het kamp boog mijn oma niet diep genoeg en kreeg een klap in het gezicht van de Jap.

Zij sloeg de Jap in een reflex terug in het gezicht. Daarna zakte ze door haar knieën, overtuigd dat dit haar dood zou worden en haar kinderen onbeschermd achterlatend. Er waren al anderen onthoofd. 
Oom Edwin, een jongen van ongeveer negen of tien jaar meen ik, was getuige geweest van zo’n onthoofding en heeft dat wel eens aan ons verteld. De man liep zonder hoofd nog even door, ‘zoals een kip dat doet,’ aldus mijn oom. Hij vertelde dit met een Javaanse of oosterse lach, zittend met de benen over elkaar geslagen en zoals altijd op de uiterste rand van stoel, terwijl hij een shagje rolde. De lach maakte het geleden leed duidelijk. Maar de Jap deed niets nadat hij publiekelijk een klap in zijn gezicht had gekregen van oma. Mijn oma zou de oorlog overleven, maar veel te vroeg in 1967 op drieënvijftig jarige leeftijd, komen te overlijden. Net zo oud als haar tweede man. In dat jaar riep ze haar kinderen ’s ochtends bijeen om te vertellen dat ze een droom had gehad waardoor ze zonder enige twijfel wist dat ze binnenkort zou komen te overlijden en het tijd was om afscheid te gaan nemen. Ze had al vaker een droom gehad dat haar oom zijn hand wilde geven, maar zij hem had geweigerd. Die nacht had ze hem wel de hand gegeven. Het bleek kanker te zijn en zo liet ze alsnog haar kinderen als wees achter.

Mijn moeder was zes jaar toen ze in de winter met haar moeder, broer en zus in een vliegtuig over Nederland vloog en tot haar verwondering een sneeuwwit land zag. Het was voor het eerst dat ze sneeuw zag. Het was niet de gebruikelijke reis geweest als zovelen jaren eerder hadden gemaakt per schip via het Suezkanaal. Zij waren per boot naar Bangkok gegaan en vandaar met het vliegtuig naar Holland. In Bangkok brak de zus van mijn moeder nog haar arm en ik meende dat mijn moeder daar nog behandeld is voor haar scoliose. Mijn opa Frits, de tweede man van mijn oma, is in 1953 nog overleden aan de jalan Johor in Soerabaja op drieënvijftigjarige leeftijd, naar verluid aan longkanker. Hij rookte veel. Ook heeft mijn oma aan de jalan Johor nog een kind aan ziekte verloren. Martin heette het twee jaar oude jongetje. Mijn oma zou mijn moeder later vertellen dat ze na de dood van haar tweede man en jongste kind ‘gek’ was geworden. Mijn opa was volgens Cherley, zoals gezegd, vader van de kleine Indische gemeenschap daar langs het treinspoor aan de rand van de stad. Het waren soort barakken waar ze in woonden, ‘blokken’ zoals Cherley ze noemde. Ook Cherley was mengbloed, wat alleen al door haar achternaam Mendoza wordt verraden. Misschien zelfs wel nazaat van een Mardijker gezien de achternaam Mendoza. De Mardijkers waren door de Hollanders in Indië vrijgelaten Portugese slaven uit India en Ceylon. Mardijker is een verbastering van het Maleise woord merdeka, wat vrijheid betekent. Ik belde met mijn mobieltje mijn moeder op en gaf de telefoon aan Cherley. Contact na ongeveer vijftig jaar hersteld. Iets ander proces dan www.schoolbank.nl. Ik kon natuurlijk niet in het hoofd van Cherley kijken, maar hoe de geschiedenis zo verschillend kan lopen van twee families die naast elkaar in de blokken woonden langs het spoor en hetzelfde lot deelden op dat moment. De één wist uiteindelijk naar Holland te komen en de ander bleef arm en onbeschermd achter. Dan, na vijftig jaar, duikt een (te) wel doorvoede, donkerblonde nazaat van die andere familie uit Holland op en het contrast tussen haar en mij kon niet groter zijn. In alle opzichten.

Na de jalan Johor hadden we nog tijd om naar een de plek te gaan waar mijn opa Frits en mijn oma Christina elkaar direct na de Japanse capitulatie en de Jappenkampen hadden ontmoet en een poosje gewoond. Ze moeten elkaar in het najaar van 1945 daar hebben ontmoet. Het was de NIAS, de Nederlandsche-Indische Artsenschool. Dit gebouw was niet moeilijk te vinden en deed nog steeds dienst als ziekenhuis. Mijn oma was na de Jappenkampen hier terechtgekomen en het was één van de Bersiap-kampen in Soerabaja. Veel details heb ik niet, maar het Bersiap-kamp NIAS waar mijn grootouders verbleven, lag vlak bij het Goebeng station en dus niet ver uit de buurt waar het drama van het Goebeng-transport in oktober 1945 heeft plaatsgehad. Soerabaja was de stad waar tijdens de Bersiap het zwaarst is gevochten en 15 oktober 1945 heet sindsdien ‘bloedige maandag’. Honderden Indo’s en alles wat pro-Nederland was, werden op gruwelijke wijze vermoord in oktober en november dat jaar. De rivier dreef vol met lijken. Vrouwen en kinderen werden verkracht, baby’s verminkt en vermoord. En tijdens showprocessen werden mensen terechtgesteld, gemarteld en levend hun hart of genitaliën uitgesneden. De stad stond in brand en er werd zeer zwaar gevochten door de Britten tegen de opstandelingen, pemoeda’s en opstandelingen, met zware verliezen. Het moeten enorm beangstigend zijn geweest voor mijn familie, mijn opa en oma.

Zij, Christina met achternaam Vincent, kwam oorspronkelijk uit Blitar, Java. De voorouders van Vincent waren in ieder geval al honderdvijftig jaar geleden naar Nederlandsch-Indië gekomen. Haar (eerste) man, met de mooie achternaam De Vicq de Cumptich, was gedurende de oorlog tewerkgesteld aan de Birma-spoorlijn en was daar (nog) niet van teruggekomen. Toen zij uit het Jappenkamp kwam, was onbekend of hij was overleden in Thailand. Intussen leerde ze haar tweede man kennen, mijn opa, en kreeg met hem een relatie. Mijn opa Frits, achternaam Bouwens, was oorspronkelijk afkomstig van Kediri, Java en werkte na de capitulatie van de Jappen in het NIAS-kamp. Hij zou er volgens de familie-overlevering de leiding hebben gehad om ‘te zorgen dat alles goed ging met de mensen die daar kwamen,’ wat dit ook precies hebben mogen betekenen. Iets van de ontreddering van die mensen die er moet zijn geweest, kan ik me wat voorstellen toen ik zelf in vluchtelingenkampen heb gewerkt, maar dan zonder dat ik over mijn eigen veiligheid hoefde in te zitten (lees verslag: Macedonië – Kosovo). Mijn opa was volgens de verhalen vroom katholiek, was weduwnaar sinds 1945 en had kinderen die al ouder waren dan mijn oma. Mijn oma was ook katholiek, maar mijn moeder zou later alle religie afzweren. Ook dat was een verhaal van de Indo’s in Nederland die de wijze van geloofsbelijdenis niet vonden aansluiten op hoe zij het gewend waren in Nederlandsch-Indië. De pastoor later in Harlingen dreigde bijvoorbeeld met de hel naar mijn moeder van tien jaar oud toen zij had gegeten voor communie, terwijl het voor mijn oma ondenkbaar was een kind de hele dag niet te laten eten. En, bedenk ik nu, wie was die pastoor om te dreigen over de hel tegenover mensen die die hel hadden meegemaakt? Mijn opa en oma en hun eerste kind Frans zouden na de ‘capitulatie’ van de Nederlanders in 1949 vanwege de onlusten nog tijdelijk uit Soerabaja weggaan en ergens ten zuiden van de stad in een kamp terechtkomen, of kamp Waru zoals mijn moeder zegt.

mijn oma

 

Het machtsvacuüm in 1949 betekende voor de Indo’s die achterbleven in Indonesië en doelwit waren geweest van de pemoeda’s en volkswoede tijdens de Bersiap en daarna, opnieuw onzekerheid of ze wel zouden worden beschermd en niet vermoord of uitgemoord. In kampung of kamp Waru, is mijn moeder geboren. Ik heb het nog niet terug kunnen vinden. Op de foto staat mijn oma met mijn moeder als baby in haar armen. Vaag op de achtergrond stellages die lijken op uitkijkposten van een militair kamp. Het is een mooie foto want het laat de kwetsbaarheid, ja bijna de naaktheid, van het bestaan toen zien. Mijn oma met het enige bezit wat ze nog heeft, haar kleine kinderen volstrekt vastgeklampt en afhankelijk van haar. Maar wat voor toekomst kan ze haar kinderen bieden? Terug in een kamp, wellicht een oud jappenkamp waar ze tijdens de oorlog ook in waren opgesloten, nog steeds op zoek naar veiligheid. Met behulp van een pastoor van de katholieke school, waar de toen kleine oom Frans op zat, kwamen ze later terecht aan de jalan Johor in het noorden van Soerabaja. Dat zal ergens in 1949 of 1950 zijn geweest vermoedelijk.

Vier zoons van mijn opa hadden gediend in het KNIL en konden dus direct na de Nederlandse capitulatie in 1949 naar Holland. Eén van de zoons schijnt tijdens de oorlog van 1945 tot 1949 bij de spionagedienst of inlichtingen te hebben gezeten en het verhaal gaat dat hij zijn leven niet zeker zou zijn in Indonesië als hij daar naartoe terug zou zijn gegaan. Eenmaal in Nederland heeft hij een diepe haat tegen de Nederlanders ontwikkeld. Hij weigerde op bruiloften te komen wanneer binnen de familie getrouwd werd met Hollanders, met een belanda. Waarschijnlijk is het verhaal van deze ooms zoals het zovele KNIL-militairen is vergaan. Tijdens de oorlog in het Jappenkamp gezeten, na de capitulatie van Japan zijn ze direct gemobiliseerd door de overheid. Maar vol trauma’s en de ervaring van de Bersiap, toen veel van hun familie en Indo-gemeenschap werden vermoord. De KNIL stond voor de oorlog al bekend om zijn harde optreden. Nu was dit aangevuld met diepe wraak. En toch ook, waren zij het die de Indo’s in nood vanuit door milities en het Indonesische leger omsingelde zelfinterneringskampen en uit de kampongs in veiligheid brachten. Het was ook deze oom die in 1949 na de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog zijn kleine broer bij zijn stiefmoeder liet weghalen, mijn oma, en naar Holland haalde. Zij had in de jaren na de Tweede Wereldoorlog de zorg overgenomen, omdat zijn moeder aan het eind van de oorlog was overleden. Zoals hij het heeft verwoord; ‘ik heb mijn moeder tijdens de Jappenkampen zien verhongeren omdat ze al het eten aan ons [haar kinderen] gaf.’ Het verdriet om gescheiden te worden van oma, is groot geweest, aldus mijn moeder. Mijn moeder heeft nog steeds contact met deze halfbroer. Niet met haar ‘KNIL-halfbroers’. Volgens deze halfbroer was mijn opa Frits aan het sparen om zich met zijn gezin te vestigen in Brazilië om daar een plantage te beginnen. Hier is het nooit van gekomen door zijn vroegtijdig overlijden. Mijn oma was zwanger van het eerste kind van mijn opa Frits toen haar (eerste) man toch terugkwam uit Siam, Thailand. Van de Birmaspoorlijn. Hij lag al in een kist, zeer zwak en lijdend aan de ziekte biribiri waar hij niet meer van zou herstellen. Hij is kort daarna gestorven. Het eerste kind, mijn oom Frans, zou desondanks de achternaam De Vicq de Cumptich krijgen om geen bureaucratische vragen te krijgen, maar zijn vader was dus Frits Bouwens. Oom Frans werd in 1947 geboren. Vernoemd was hij door mijn oma naar een goede vriend die tijdens de Bersiap was vermoord. Nog geen zeven jaar later zou dus ook haar tweede man, mijn opa Frits, sterven (zie ook mijn reisverslag van Japan in 2012). De naam Frits is trouwens doorgegeven in de tweede naam van mijn moeder, Florida, en in de tweede naam van onze oudste zoon, Florens.
Toen mijn oma en haar drie kinderen in 1958 in Holland kwamen, waren alle familieleden na twee eeuwen weggevaagd uit Indonesië. Op twee familieleden na. Mijn overgrootmoeder en één van haar zoons, William. Haar naam is Kartinah en zij was een ‘inlandse’, zoals het in de oude handgeschreven akte staat, uit Kali Kempit, Oost-Java. Het hoe en waarom zij niet mee zijn gegaan naar Holland, is volstrekt onbekend. Niemand weet het. Niemand heeft er over gesproken en niemand heeft ooit nog contact met ze gehad. Maar het ligt voor de hand dat ze is gebleven, omdat ze gewoon een echte inlandse was, haar Hollandse deel van de familie volledig uit elkaar was gereten tijdens de oorlog en wat moest ze in dat onbekende, verre Holland? Eenmaal in Harlingen kwam een eind aan het zwervend en onzeker bestaan van mijn familie sinds 1942 na de inval van de Jappen. Zestien jaar gruwelijke ellende. Van hun huis in Blitar in Oost-Java naar het Jappenkamp, daarna naar Soerabaja de stad die een hoofdrol zou vervullen in het massageweld van de Bersiap, daar nog een paar keer verplaatst om veiligheidsredenen, uiteindelijk naar Holland, hier voor korte tijd in een pension in Groningen en toen eindelijk een arbeidershuisje in Harlingen. Van het warme vulkaanlandschap aan de Javazee naar het waterkoude terpenlandschap aan de Waddenzee.
Een paar jaar na onze reis heeft mijn broer Cherley Mendoza nog opgezocht. Waar, toen ik er was, nog een open ruimte was voor het huis, stond inmiddels een moskee die de zon tegenhield van het protestantse Indo-kerkje. Joldert heeft met Cherley een korte wandeling langs het treinspoor gemaakt. Op het moment dat ik dit schrijf in 2015 weet ik niet of ze nog leeft. Wanneer zij overlijdt, komt een einde aan de eeuwenoude Indo-cultuur in Indonesië en spreekt niemand meer Nederlandsch in Indonesië. Onderdeel van de cultuur van gemengdbloedigen tussen Hollanders en ‘inlandschen’ die teruggaat tot de zeventiende eeuw. De Gouden Eeuw van de Republiek der Verenigde Provinciën. Deels zelfs ontstaan uit vrijgelaten Mardijkers en loyaal aan de toenmalige koloniale overheid, maar met eigen gewoonten en een eigen Creoolse taal. Zoals de Creoolse bevolking van Suriname. Een bevolkingsgroep en cultuur die binnen twee decennia achtereenvolgens is vernietigd door de Japanners, de emigratie direct na de oorlog, de ‘genocide’ tijdens de Bersiap-periode en, ten slotte, de discriminatie en onderdrukking door de Indonesische overheid na een onafhankelijk Indonesië waardoor ook de laatst overgebleven Indo’s emigreerden als ze het geld bij elkaar konden brengen. Naar Holland, Amerika of Australië. Het was daarom zo waardevol Cherley Mendoza te hebben mogen ontmoeten en eerbiedig schrijf ik haar naam met historisch gezag.
hans faber soerabaja bouwens, vincent bersiap Soerabaja, Kota Surabaya, Oost-Java, Indonesië

Jouw verhalensite met verhalen over Indonesië. Oude en nieuwe verhalen. Om te lezen, maar ook om zelf te publiceren. Doe mee en beleef mee!