Kraters van West Java en de dood van twee jonge onderzoekers

door:Lodewijk de Geer Boers | 2 maart 2012 |Avontuur, Natuur, Overig

Op een uitstekende rotspunt van de krater lag eenzaam het hutje van de waker

De jaren 1930-1939 waren in mijn leven de allermooiste en dan bedoel ik niet dat ik zo verschrikkelijk dik in mijn slappe was zat of zo’n fraaie villa bewoonde, nee ik bedoel daarmee het vrije leven in een overweldigende, prachtige tropische natuur, ver weg van de drukke steden, hoog in de bergen van Bandung alwaar ik op een plantage werkzaam was. Deze plantage lag op de helling van de vulkaan Tanguban Prahoe, die met z’n vorm van een omgekeerde prahu (boot) de hele hoogvlakte van Bandung beheerste.
Deze enorme kolos behoorde nog altijd tot de werkende vulkanen en bijna dagelijks konden we in ons bamboehuisje aan de voet van de berg het gerommel in z’n binneste horen. De misselijk makende zwavelstank roken we op het laatst niet meer, hoewel al het zilverwerk wat wij bezaten zwart werd.

Ons huisje lag gerekend vanuit het bergdorp Lembang halverwege de dessa Tjisaroewa, dat net boven Tjimahi (Cimahi) lag. Langs een smalle binnenweg, een door het leger aangelegd, stond eenzaam en nogal verlaten ons huis temidden van bamboebossen en de geterrasseerde rijstvelden. De afstand tot aan de kraters van de vulkaan bedroeg een kilometer of drie en direct achter ons huis begon reeds de helling naar boven.

De vulkaan Prahoe
Hoewel vulkanen en bergen in Indië niets bijzonders zijn en ik er vele heb beklommen, was de Prahoe er een die mij telkens bleef boeien, omdat hij binnen zijn eliptische vorm twee kraters had, vlak naast elkaar liggend, als was het een liggende 8. Een enorme rug van steen, lava en rots scheidde de twee giftige en kokende kraters van elkaar. De ovale bovenrand van de krater had een lengteas van ongeveer 1500 meter bij een breedte van ongeveer 1300 meter. De diepte van het gat was ongeveer 400 meter.

Vanaf de rand kon men in de diepte kijken, maar voor ongeoefende klauteraars was dit zeer gevaarlijk. Vele malen heb ik met de in mijn buurt wonende kleinlandbouwer H.J.C. Guittet de vulkaan beklommen, dwars door het haast ondoordringbare oerwoud. Wij moesten dan klimmend, klauterend en geregeld het kapmes gebruikend ons een weg banen door de woestenij van lianen en andere slingerplanten. Waren wij boven, dan leek de krater en de wand waarover wij voortgingen op een enorme holle kies. Het rond de krater lopen vergde al vlug een uur of drie vier, ook al omdat er geen goed begaanbaar pad was.

Een droevig ongeval
Op  één van mijn klimtochten die ik maakte in gezelschap van een van mijn plantagekoelies, die een bijenvolk wilde vangen, waagde ik mij met hem om op de wand tussen de kraters te lopen. Deze rug had bovenop een breedte van niet meer dan twee meter en aan de beide zijden liep het vrijwel stijl naar beneden. Wij keken op rots en lavasteen vol scherpe punten, vaalgeel van de zwavel.
Toen ik op een gegeven moment op handen en voeten verder moest kruipen, maakte ik met mijn zakmes een harde rotsschilfer los en zag fraaie goudkleurige en blinkende kristalnaaldjes. Dunne slierten damp uit de diepte opstijgend noopte mij echter terug te klauteren naar de rand van de kratermuil. Links en rechts lagen de rokende kraters van de Kawah Ratoe en de Kawah Oepas, in de ene een kokend meertje met een vuilgrijze kleur, in de andere een kokende poel, groenachtig van kleur. Dát was de grote gifpot.
Bij het zien van deze levensgevaarlijke gifpot moest ik  opeens terugdenken aan twee jonge ornithologen, die samen de krater waren ingedoken op zoek naar de broedplaats van een zeldzame soort arend. In deze woestenij hield de vogel haar nest. Voor een tijdschrift in Nederland moest dat gefotografeerd worden. Het waren de broers Van Deelen en de jonge Maasdam, wiens vader ik later in 1940 in Djokjakarta leerde kennen, die hier alle drie door verstikking de dood vonden toen ze in een giftige gasspelonk verdwaalden.
Toen het drietal niet rond de afgesproken tijd thuis kwam, ging men vanuit Tjimahi zoeken. Men vond niets. Twee dagen later dook men met behulp van een legervliegtuigje zo diep als maar mogelijk wa sin de krater. In een rotsspleet zag men de drie lijken liggen. Het reukloze gas had hen overvallen en naast hen lag de camera, dezelfde camera die ik later in Djokjakarta bij de oude heer Maasdam zag liggen. Na de verkenningvlucht met het vliegtuig ging men de volgende dag met touwen, bamboestokken en haken aan de gang om zo mogelijk de lichamen uit het gat te halen.

Mijn koelies, die dit allemaal hadden meegemaakt, vertelden mij dat tegen de avond men naar beneden gelopen kwam met de droeve last, dwars door de plantage waar ik toen werkte. Met rokende flambouwen trok deze nare stoet in de richting van Tjimaha. Een aantal jaren verscheen in een ornithologisch tijdschrift toch nog de foto van de bewuste arend. Zij hadden echter het succes van de foto moeten bekopen met de dood.

Toen ik in de doodse stilte in de schaduw van een spichtig boompje wat zat uit te rusten, moest ik aan dit drama denken, dat zich twee jaar daarvoor had afgespeeld. Beneden mij zag ik twee arenden rond cirkelen. Waren het deze dieren? Waren het deze vogels geweest van de foto of waren het al nakomelingen. Nu, in 1983, nu ik reeds meer dan dertig jaar van deze plaats weg ben en in Nederland woon, zullen er vast en zeker nakomelingen van die arenden rondvliegen, hun nesten bouwen en op hun beurt jongen voortbrengen. Ook nu, vijftig jaar nadat ik daar op de plantage woonde, zullen de kinderen en de kindskinderen van hen die daar eens tot mijn werkvolk behoorden, uit verhalen weten dat daar eens een Nederlander woonde met zijn gezin. Een Hollandse ‘toewan’ die op de theeplantage werkte die nu niet meer bestaat. Ook zullen ze het verhaal kennen van die drie jongens die een halve eeuw geleden in de krater omkwamen. Het zijn nu nog slechts herinneringen.

Stoomlocomotief
Ongeveer twee jaar voor ik op de hiervoor genoemde plantage aangesteld werd, dreef ik een eigen landbouwbedrijf gelegen aan de weg van Bandung naar Garoet in het gehucht Tjibiroe ten oosten van Oedjoengberoeng. Het bergland daar was van een zodanige schoonheid dat ik menigmaal de omgeving ging verkennen. Vooral het gebied rond Garoet trok mij bijzonder aan en de korte treinreis er heen was op zich zelf al van een wonderbaarlijke schoonheid. Vooral de rit over de Nagrek-pas was verrassend mooi. In die tijd werden de treinen daar door stoomlocomotieven getrokken. Het waren krachtige buffels, die in de rotsige bergen hun zware fluitsignalen lieten klinken, terwijl ze vaak stapvoets omhoog klommen.
Van veraf zag men dan reeds de grote lavatroom die van de Papandajan afhing. Aan de horizon verschenen de 2850 meter hoge Tjikoeray en de 2200 meter hoge Goentoer en vanuit de treincoupe keek men uit op het Wajanggebergte en vele andere toppen.

Vanaf Garoet trok een kleine locomotief via het smalle spoor uitsluitend een aantal derdeklas wagons in de richting van het eindstation Tjikadjang, aan de voet van de goenoeng Tjikoeray, alwaar de Tjimanoek ontspringt. Even vòòr het eindpunt lag toen het stationnetje van Tjisoeroepan, waar ik eens gastvrijheid mocht genieten bij een kennis, Horstmann Hoff, die daar een kippenfokkerij dreef en in een gezellig bamboehuis woonde. Elektriciteit was er natuurlijk niet, evenmin als een waterleiding. Het water kwam door een lange pijp van in elkaar gestoken en doorboorde bamboes vanaf een hoger gelegen bron in de bergen.
Het gerieflijke huis had een pannendak en stond op palen een halve meter boven de grond. De vloer in het huis – zoals ik ook in mijn eigen woning had – was van ‘peloepoe’, de Soedanese benaming voor een vloer van gevlochten bamboerepen. Het behoeft naturlijk nauwelijks te worden betoogd dat zo’n vloer voor een nogal labiele toestand zorgde en wanneer een zwaar persoon dan ook het huis betrad onstond er een situatie waarbij het meubilair en andere huisraad danig op en neer danste. Maar als buitenman wist je niet beter.

Goudkrater
Toen ik in Tjisoeroepan logeerde, maakte ik ook een tocht in de omgeving en zag de lavastroom uit 1772. Deze in de loop der eeuwen verharde stroom was destijds door de kraterwand heen gebroken en in verscheidene vertakkingen naar omlaag gevloeid. Ik constateerde dat toen de lavastroom uit diverse gaten was gestroomd en in één van die holten waagde ik mij al klauterend. Het gat was wit uitgebeten door de hevige dampen en in de verte hoorde ik het geloei van de werkende krater. Een geluid dat doet denken aan een grote blaasbalg die een vuur aanblaast: vandaar ook de naam Pappandajan (hetgeen betekent “smidse”). Ergens zag ik witte rook en stoomwolken opstijgen, overal ontsnappend uit kieren in de grond. Ook waren er zogenaamde spuiters van heet of koud water, die tesamen naar beneden lopende stroompjes vormden. Toen ik met mijn wandelstok ergens in de verweerde aardkorst prikte, spoot er meteen een stoomstraal omhoog. De zwavel, vermengd met steen en klei vormde hier en daar pyramidevormige torentjes met een hoogte van één à twee meter. Ze waren hol en vanuit de opening in de top spoot zo nu en dan een straal heet water. Een enkele keer kan zo’n pyramide met een doffe plof uit elkaar spatten en het is dus raadzaam niet al te dichtbij te komen. Duidelijk kon ik in kleine spleten kristallen en goudkleurig gesteente zien. Fijn kantwerk van gouddraadjes, allemaal zwavel en daarom heet deze krater ook Kawah Mas (goudkrater).

Zo nietig als een mens maar kan zijn stond ik daar vlak bij de muil van die immense smidse, waaruit eens de lava was gevloeid, mensen, vee en huizen meesleurend. De nu verharde stroom, eens heet, zacht en vloeibaar, toonde nog duidelijk de krullen en wrongen, zoals er ook wel in een haarvlecht zitten.
Beneden mij tsjirpte het bos van de duizenden vogels, de bijen en cicaden. Op mijn terugtocht naar het woud hoorde ik de soerili’s, de met elkaar stoeiende en door de bomen gierende apen. Hun ‘hoe-hoe-hoe’ hoorde ik duidelijk tussen de boomstammen galmen, waarna het op eens weer stil kon zijn.
Het geboomte vlakbij de bres in de kraterwand was veelal niet meer dan plukjes armzalige en spichtige planten: half dood, geel gekleurd door de zwavel hielden ze zich met een sprankje leven in stand tot op de dag dat de hitte en de damp zo dicht genaderd zal zijn en ze daaraan ten prooi zullen vallen.

Langs rotanstengels en afhangende, bemoste takken, over dode boomstronken heenstrompelend, baande ik me een weg naar beneden waar de vele stroompjes gelig water zich samen voegden tot een brede beek.
Achter mij, boven het woud uitstekend, zag ik de muil van de krater met de lavatong, de tong van een draak. Lang geleden zakte deze weke, gloeiendhete brei naar beneden, onderweg alles verwoestend. Nu klonk slechts het zachte geloei en gegrom. Maar wie weet. Een vulkaan blijft een vulkaan, die elk moment weer kan uitbraken dat wat in hem te veel is. Het gezegde “Leven op een vulkaan” wordt dan ook niet voor niets gebruikt.

natuur, vulkaan Tangkuban Perahu, Cikahuripan, West-Bandung, West-Java, Indonesië

Jouw verhalensite met verhalen over Indonesië. Oude en nieuwe verhalen. Om te lezen, maar ook om zelf te publiceren. Doe mee en beleef mee!