Jacob

door:Alfons van Duijvenbode | 17 januari 2012 |Alledaags, Humor

Jacob was een aapje van slechts een paar maanden toen ik hem voor twee kwartjes op de passar in Batavia kocht. In mijn ouderlijk huis groeide hij op tot een verstandig, grappig en schrander dier. Wie was het ook al weer die zei dat de mens van de aap afstamt en wie zei daarop ook al weer: “Maar dat verbaast ons niet, omdat men zoveel apen onder de mensen ziet.”

Toen ik Jacob kocht zat hij zielig in een veel te klein bamboe kooitje, temidden van kippen, vogels andere apensoorten, zoals smal- en breedneusapen en klapperapen. Jacob zat daar zo vreselijk zielig met z’n kale babysmoeltje te kijken, dat elke dierenvriend hem direct had willen meenemen. Welk mens immers kan nu voor die twee kwartjes zo’n beestje in zo’n akelig klein kooitje laten zitten?

De ware Jacob…
Er was bij mijn ouders, die in Batavia een groot huis met een tuin bewoonde, plaats genoeg om het aapje, dat ik dus Jacob noemde, gelukkig op te laten groeien, met veel pinda’s en bananen. Bij ons zou hij z’n wangzakjes vol kunnen proppen met hapjes, zou hij kunnen genieten van z’n jeugd en mogelijk later voor een of andere apenjuffrouw de ‘ware Jacob’ worden.

Hoe onze vriend Jacob opgroeide, hoe ondeugend hij werd en hoe hij van ons jongens van tien en vijftien jaar allerlei rekelstreken wist te leren, zal ik U nu hier vertellen.

Jacob was de eerste maanden de lieveling van ons allen. Hoe kon het ook anders zo klein en hulpeloos als hij was. Vaak zat hij in een hoekje met z’n oogjes te knipperen of sabbelde op z’n pootje. Iedereen stopte hem wat lekkers toe en z’n kleine vingertjes gristen het uit je handen. In het begin was hij nogal angstig, maar na een poosje verdween dat en werd Jacob zo brutaal als de beul.

Alleen naar mij luisterde hij en kwam als ik riep. Mogelijk zag hij in mij een beetje zijn gelijke, want ik was al eens eerder, door mijn kwajongensstreken, voor apekop uitgemaakt. Misschien verklaart dat zijn stipte gehoorzaamheid aan mij.

… de ondeugende Jacob
Na een klein jaar wist Jacob het riempje om zijn middel, waarmee hij aan een ketting vast zat en over een lange bamboestok kon lopen, zelf los te maken. Op het laatst liep hij op de meest onverwachte momenten los en rende dan als een dolle van voor naar achter door het huis, de tuin in om dan in het grind uitdagend op z’n achterpoten te gaan staan grijnzen. Niemand kon hem te pakken krijgen en het personeel van mijn ouders had het soms zwaar te verduren.

Dan was het wachten tot ik thuis kwam terwijl intussen Jacob door het huis heen galoppeerde, her en der een banaan of een handje pinda’s weggrissend.

In de tuin zat hij de daar rondscharrelende kippen achterna of hij klom tegen een bediende op die rustig stond te strijken en trok haar kapsel los. Hij was niet vals en hij kende iedereen. Bang was hij alleen altijd een beetje voor de grote snor van mijn vader, maar verder had hij maling aan iedereen. Als er verkopers op ons erf kwamen was Jacob aanwezig en wist dan altijd wel een of andere lekkernij te bemachtigen op het moment dat even niemand oplette.

Zo vermaakte Jacob zich tot ik thuis kwam. Meteen sprong hij dan op mijn schouder en zat iedereen dan aan te kijken met een snuit van: “En, wat moeten jullie nu eigenlijk?”

Op een gegeven dag ontdekte hij dat onder de dakpannen mussen hun nesten hadden en vanaf dat moment zat hij graag daar hoog boven de grond. Met zijn grijpgrage handjes voelde hij in de warme hestjes en at zich ziek aan de musseëieren. Dat hij daarbij steeds dakpannen verschoof en zodoende lekkages veroorzaakte begreep hij natuurlijk niet. Knipogend bleef hij op het dak zitten, rare snoeten trekkend naar beneden waar men stond te roepen en met bananen stond te zwaaien. Jacob kwam niet.

Ik was nog niet in aantocht of hij sprong van het dak in de mangaboom, roetste naar beneden en zat meteen op mijn schouder, wroetend in mijn haardos, waar hij echter niets van zijn gading vond. Van blijdschap trok hij dan aan mijn neus of beet zachtjes in mijn oor.

We moesten altijd wel om Jacob lachen, maar hij werd ook wel erg brutaal. Bovendien groeide hij als kool en werd groter en sterker. Wanneer tussen de middag de poezen van mijn vader op schoteltjes hun eten kregen en met recht omhoog staande staarten stonden te eten, presteerde Jacob het om in z’n dolle capriolen alle schoteltjes met kattevoer door elkaar te gooien en de terecht blazende katten aan hun staart te trekken. Het werd echt te gek met Jacob. Er moest een betere riem om z’n middel komen of hij moest in een ruim hok gezet worden. Dat laatste zou voor hem niet meevallen. Hij sprong op de piano, ramde op de toetsen of trok bloemen uit de vazen. Met behulp van onze tuinman bouwde ik een soort volière. Het werd een stevige huisvesting van twee meter hoog, bij twee breed en drie lang. Op de deur moest een hangslot komen, aangezien meneer anders toch op den duur zou weten te ontsnappen.

die ruimte nodig had….
En daar zat Jacob dan achter het gaas. In het begin vond hij het best en vermaakte zich met allerlei zaken als een bal, stok of mandjes, maar naarmate hij langer gevangen zat en niet meer op het dak kon klauteren of niet meer de kippen achter na kon zitten, werd hij triester, humeuriger en agressiever. Alleen ik kon hem nog benaderen als ik in zijn kooi kroop om hem te aaien of wat met hem te spelen. Dan keek hij me aan alsof hij wilde vragen: “Mag ik nu echt er niet eventjes uit?”. Vastgebonden aan z’n ketting nam ik hem dan mee naar buiten op mijn schouder of soms op de fiets. Dat was dan feest voor hem. Een enkele maal nam ik hem mee in de tram naar de oude stad en dan had Jacob heel wat bekijks.

Jacob was inmiddels drie jaar geworden en enorm uit de kluiten gewassen. Ikzelf verliet mijn ouderlijk huis om als jonge planter op een theeplantage in de bergen van de preanger ‘Regentschappen’ te gaan werken. Jacob, ik wist het zeker, moest achter blijven. Hij was in goede handen en kreeg alles wat hij wilde. Die ondeugende Jacob, die ‘aap’ van twee kwartjes, die als we aan tafel zaten stiekem naar binnen sloop, onder het overhangende tafellaken op mijn schoot klom, zodat mijn vader met zijn grote snor, hem niet zou zien, die Jacob moest nu achterblijven. Achterblijven bij hen die hem wel zielig vonden en die hij ook wel kende, maar die hem desondanks achter het gaas zouden laten zitten, omdat hij onhandelbaar was geworden …

en zonder zijn baasje’s liefde….
Jacob kreeg eten en allerlei lekkers. Iedereen was lief en aardig voor hem, maar hij zat gevangen in z’n kooi en z’n baasje was verdwenen. Toen ik eenmaal op de plantage was gearriveerd schreef mijn jongere broer mij in een brief dat hij gezien had dat Jacob in de grote kooi had zitten huilen. “Ik zag een traan over z’n wang lopen”, schreef hij. Ik vond dit wel erg overdYeven, maar hoorde jaren later van een dierenarts dat dit wel degelijk mogelijk was. Ik voelde dat het met Jacob niet best meer ging, maar het was te laat. Toen ik van plan was om hem bij mijn eerstvolgende bezoek aan Batavia mee terug te nemen naar de theeplantage, was het met Jacob al gedaan. Op een morgen lag hij in de kooi dood op de grond, een stukje banaan tussen z’n vingers.

 stierf van verdriet …. 
“Jacob is dood”, schreef mijn broer. Dood gegaan door verdriet omdat hij niet meer met mij op de fiets wat rond kon rijden of mee kon rijden in de tram. Gestorven omdat hij niet meer ondeugend kon zijn, geen katten meer kon plagen of niet meer door de tuin kon rennen. Dat alles was voorbij voor hem. Hij kon niet tegen opsluiting. Hij verlangde net als elke andere aap naar gezelligheid en gezelschap en naar iemand die hij kende en vertrouwde. Voor Jacob was ik dat. Hij miste mij teveel.

Toen ik een half jaar later van de plantage thuis kwam, vlogen er een paar tortelduiven in de kooi rond. In de hoek lag het balletje en het mandje, het speelgoed van Jacob, stille getuigen aan de rekel, die eens maar twee kwartjes had gekost.

Aap Tangkuban Perahu, Guntur, Kota Jakarta Selatan, Jakarta, Indonesië

Jouw verhalensite met verhalen over Indonesië. Oude en nieuwe verhalen. Om te lezen, maar ook om zelf te publiceren. Doe mee en beleef mee!