In pyama naar de bioscoop en Willem met de drie handen

door:Lodewijk de Geer Boers | 23 maart 2012 |Alledaags, Humor, Romantiek

Vele jaren voor de oorlog met Japan, zo omstreeks 1921 – 1935, was Batavia een stad waar men heerlijk uit kon gaan. Er waren societeiten, zeer goede restaurtants, luxe hotels, een fraaie schouwburg waar op gezette tijden operagezelschappen uit de hele wereld uitvoeringen kwamen geven, en andere gelegenheden.

Een muzikale opvoeding
Als jonge man van zo’n jaar of zeventien moest ik zo veel mogelijk de opera’s bijwonen. Het hoorde bij de opvoeding dat een zoon uit een zó muzikaal gezin als het onze op de hoogte was van de werken van grote componisten en er over mee kon praten. Een voordeel had ik als jongen al, dat ik veel van muziek hield en buiten vrij verdienstelijk gitaarspel ook aardig gevorderd was op de clarinet waar ik geruime tijd les in had. Samen met mijn moeder, die te Batavia pianolessen gaf, presteerde ik het om het duoconcertant voor piano en clarinet van Carl Maria van Weber ten gehore te brengen.

Liever buiten ravotten
Ondanks echter alle vermakelijkheden en amusementen op cultureel gebied, welke er voor de meer gesitueerde Europeanen in Batavia waren, trok mij en velen van mijn Hollandse vrienden, de eenvoud van het Indische leven aan. Het deftige uitgaan, het stijve deftige leven, dat bij de Europese gemeenschap van Batavia hoorde en waar je niet onderuit kon zonder voor ‘minder in stand’ te worden aangezien, vond ik in één woord verschrikkelijk. Veel liever vertoefde ik in de buitenwijken van de stad, waar ik als kind kwam te wonen en thuis was. Alles kende ik daar en speelde er met mijn vriendjes in hansop, de zogenaamde tjilana monjet (apenbroekje) onder de vruchtbomen van nabij ons grote woonhuis gelegen kampongs. Op blote voeten holden wij op de sawahdijkjes achter onder vliegers aan of zaten urenlang te vissen in de moerasse, de rawah’s. Daar voelde ik me thuis en daar lag mijn jeugd.

Als we uit school kwamen gingen de schoenen en de ravothansoppen aan en wat was er dan heerlijker dan met je vriendjes in de tropische natuur te spelen. Met elkaar stout te kunnen zijn en te kunnen donderstralen op de rijstvelden en te zwemmen in de kalie hetgeen ons ten strengste verboden was door onze ouders, gezien het gevaar voor typhus en andere ziekten. Maar, zoals dat met kinderen gaat, wat verboden is werd toch gedaan. Dan zwommen wij, blanke jochies samen met de katjongs uit de dessa gebroederlijk in de rivier en ik moet eerlijk bekennen dat er wel eens heel wat gezwaaid heeft als mijn vader er achter kwam. Hij kon het niet verkroppen dat zijn zoons poedelnaaks in de kalie zwommen. Dat kon niet, dat was schande en gevaarlijk bovendien.

“Laat die jongens toch…”
Hoe dan ook, allen waren we rekels, maar zijn er wel groot door geworden en wereldwijs ook. Een zoete jongen waarover ons wel eens werd verteld, bestond in onze ogen niet. Dat kon geen jongen zijn. Een pak slaag hielp niet veel. Het avontuur bleef trekken. Mijn moeder dacht heel anders over de zaak en was toleranter en ging van het standpunt uit dat we nu eenmaal in dit land leefden en woonden. Dat we het land en het volk moesten leren kennen. Ze zei wel eens: “laat die jongens toch ravotten, het is gezond, het worden kerels en er komt een tijd dat ze een meisje van dit land leren kennen en er later mee zullen trouwen. Wat zul je gaan zitten verbieden wat toch onvermijdelijk is omdat je nu eenmaal gekozen hebt in dit tropenland te leven.”
Dat vonden wij jongens natuurlijk een prachtige instelling en ook mijn vader is er uiteindelijk zo over gaan denken want… je kunt niet aan ’t mopperen blijven nietwaar?

Naar de kostschool
Wel heeft mijn vader in 1927, toen wij voor een jaar met Europees verlof naar Nederland gingen, ons bij aankomst meteen op kostschool in Oudenbos gedaan. Ergens in Brabant op een Instituut waar tucht en orde werden bijgebracht aan jongeheren van ons type. Daar zouden wij eens omgetoverd worden tot voorbeeldige snaken en onze vrije tropenstreken kwijt raken. Dat heeft vader handen met geld gekost, maar het was voor de opvoeding. Nou, niets heeft minder geholpen dan dat, want doordat ik als Indische jongen het gevoel kreeg in een gevangenis te zijn beland en dat mij mijn vrijheid was ontnomen, kreeg ik steeds meer de duvel aan die ommuurde omgeving.

Toen het jaar om was en wij allen weer op de boot stapten, terug naar Indië waar de klapperbomen, de sawahs en mijn vriendjes op me wachtten, het land waar ons grote koele huis met de heerlijke tuin lag, voelde ik me het gelukkigste kereltje van de wereld en ik ben mijn ouders altijd dankbaar gebleven voor het feit dat ze me ‘voor de goede opvoeding’ niet achter hebben gelaten in Nederland van toen, waar je je kinderen heen moest sturen voor hun opvoeding…. Nou, ik heb ’t gezien.

De kostschool met alle tucht, orde en dicipline heeft niets opgeleverd. Ik bleef de jongen uit Indië met al de bij zijn karakter passende hebbelijkheden en onhebbelijkheden. Gelukkig maar, ik heb er geen spijt van want beter dan nu had ik niet terecht kunnen komen. Aan een karakter kan de beste kostschool niets veranderen.

De bioscoop
In die vooroorlogse jaren waren er in Indië buiten de luxe-bioscopen en theaters ook kleine, vaak door een Chinees gedreven filmgelegenheden. Echte vlooientheatertjes, vaak van bamboe opgetrokken of in de openlucht, waar de zwart-wit stomme films vertoond werden op een witgekalkt stuk bilik (bamboe vlechtwerk). Van kleurenfilm was nog geen sprake.

Het entreebedrag bedroeg in vele gevallen niet meer dan dertig cent voor de beste klasse, terwijl de inheemse bevolking voor een dubbeltje mede van de voorstelling kon genieten als was het dan ook met een stijve nek van het omhoog kijken naar het scherm of doek waar men te dicht op zat. Er werden dan meestal films vertoond van niet al te beste kwaliteit, maar waarin wel ferm gevochten werd door cowboys. Blanke mannen die met elkaar aan het bakkeleien waren en door het stof rolden. Prachtiger kon het niet. Het was vooral de dessabevolking die het schitterend vond om twee toewans te zien vechten en waarvan er tenslotte  één een lading lood in het lichaam geschoten kreeg. Prachtig vond men dat en op het hoogtepunt van zo’n verwoede knokpartij, waar het tenslotte om ging, barste er in de laagste klasse, waar Amat en Sidin uit de kampong zaten opgepakt, een daverend gejoel en gefluit op de vingers los. Van het hele verhaal snapte ze geen silabe, als er maar gebakkeleid werd. Hoe harder hoe beter, tenslotte was er een duppie voor neergeteld.

Buiten op het pleintje voor de bios stond het dan zwart van de verkopers met hun snoep- en eettentjes. Er hing een vette walm van geroosterd vlees, de saté kambing en walmende oliepitjes. Een Chinees verkocht er zijn pinda’s en een Arabier jongleerde er met zijn moertabak, een soort pannekoek van meel, eieren en groenten, welke demonstratief telkens de lucht in werd gegooid en waarnaar de inlandse jeugd in extase stond te kijken. In een hokje zat een Chinees de kaartjes te verkopen. Loge – dertig cent, stales – twintig en ‘schellinkie’ tien cent. Voor die tien cent zat Amat met de zijnen in de zogenaamde ‘klas kambing’, de geitenklas.

Cowboys en andere helden
In de klas van dertig cent zaten de draagkrachtigen, de Europeanen, Chinezen en gegoede Arabieren en geruime tijd voor de aanvang van de voorstelling, hadden velen hun plaats reeds ingenomen en knabbelden op nootjes of gesuikerde nootmuskaatvruchten, de pala manis. Kleine jochies droegen een kist voor hun buik door de zaal of over het terrein alsmaar roepend: “Roko, garet, palamanis, roko, garet, palamanis.” (rokerij, sigaretten en gesuikerde muskaatnootvruchten). Wij kwamen vaak in deze bioscoopjes omdat de films er altijd van het Wild West soort waren en van het genre Tarzan. Daar waren wij ook gek op en onze helden waren Eddy Polo, Buck Jones (Beuk jouw neus) en Ken Maynhardt. Geweldige vechters en pistoolmaniakken. Ook Jonny Weismuller die als Tarzan door de bomen slingerde vertoonde zijn apengrimassen en klauterpartijen aan het dankbaar publiek.

Verscheidene Indische Nederlanders die in de buurt van zo’n bioscoopje woonden, kwamen er dan wel in pyama. Keurig door moeder de vrouw gestreken en gesteven kwamen ze dan rustig binnen op sloffen of sandalen. Luchtige kledij voorwaar, hoewel wij het niet in ons hoofd hoefden te halen in dergelijke kledij naar wat voor theater ook te gaan. Maar hoe dan ook, dergelijke echt Indiëgasten er in die tijd. En bij die hitte diende het gemakt nu eenmaal de mens. Een pyama werd in Indië zeer veel gedragen, vooral in huis. Het was een luchtige dracht, maar om er nu mee naar de bios te gaan, kwam mij altijd erg overdreven voor.

Een grappig gezelschap
Voor dat het venijnige belletje rinkelde als teken dat de voorstelling een aanvang ging nemen, zat ik altijd mijn ogen uit te kijken naar het soort publiek. Een chinese heer met zijn gezin, waarvan de vrouw in een wijde, zijden broek met enorme blote borst haar baby te drinken gaf, was de gewoonste zaak van de wereld. een stel over geldzaken keuvelende Arabieren in hun lange gewaden en hun rode fezzen of en dan het geheel voor aan zittende dessavolk dat rokend, etend en joelend zat te wachten totdat direct na het begin van de voorstelling als de eerste cowboy de andere een enorme optater begon te geven. Dan werd het een goeie film en werd er al op vingers gefloten. Hoe harder ze elkaar afranselden en hun pistolen op elkaar leegschoten, hoe harder ze vooraan in de klaskambing begonnen te fluiten en te joelen als teken van waardering of afkeuring. Alleen daarom kon je je ziek lachen.

Ik herinner me de dag waarop ik als opgroeiende snaak met een stel vrienden, die eveneens door alle wateren van de zee waren gewassen, een film ging zien van de Drie Musketiers. Dat was een bijzonderheid want zulke draaiboeken werden er in die theatertjes nooit vertoond.

Kale knikker
We hadden met ons zessen elk een keurige plaats naast elkaar op klapstoeltjes. Wel wat gammel maar toch niet uitgesproken slecht. Wel moest je oppassen dat bij een bepaalde beweging het velletje van je zitvlak niet klem kwam te zitten tussen de latten van de zitting. Keurig zaten we op een rijtje toen er een dikke Chinees in een badjoe tjina in de rij vlak voor ons ging zitten en allerlei rare snuifgeluiden begon te maken. Hij was uitgerust met een enorm groot, kaal hoofd dat boven de stoelleuning uitstak. Het was in zijn soort een fraai, glimmend, kaal chinezenhoofd en één van ons, de grootste belhamel, wilde de man op zijn schouder tikken om hem te vragen of hij misschien onderteboven zat, maar op ons aller aandringen heeft hij van zijn voornemen moeten afzien. We waren tenslotte voor ons lol uit en niet om een man’s kale knikker op de korrel te nemen.

Willem en Toet
Enkele minuten later, even voor de eerste beelden op het doek zouden worden getoond, schoof er een lange hollandse soldaat met touwachtig blond haar tussen de voor ons staande rij stoeltjes door. Een tenger, klein indisch meisje had hij bij zich. Een echt nonnietje met een slang lichaampje en dunne armpjes waaraan een klingelend armbandje hing. Ze namen plaats in de stoelen vlak voor mij en het grietje kroop meteen al als een jong vogeltje tegen haar soldaat aan. Willem heette de lange militair. Met haar hoofd lag ze weldra tegen de schouder van Willem aan. Haar eigen stoere, blonde Willem! Zoiets doe je toch altijd in de bioscoop nietwaar? Nog duidelijk had hij de blozende kleur van de Hollandse weiden op zijn wangen en zat er wat onverschillig bij in deze vreemde omgeving. Het vrouwtje, teer en minnetjes vertgeleken bij Willem liet op een gegeven moment haar rechterarm slap langs haar stoel hangen. Toen fluisterde ze in het oor van haar held: “Adoe Willem, jij werkelijk perliep op mij ja?” Willem krabde zich even verwoed in de blonde kuif en zei niets anders dan: ja Toet.” “Ze heet dus Toet ” dacht ik.

Willem met zijn drie handen
Toen de musketiers druk aan het vechten waren heb ik me wat voorover gebukt en voorzichtig haar handje vastgepakt, waarna ze hemels naar blonde Willem opkeek, die het ineens niet meer helemaal begreep. Toetje was geheel in de veronderstelling dat het de hand van Willem was die haar zo teder vastgreep. Weer keek Willem naar het naast hem in het half duister zittende wijfie en dacht: “ik zal maar eens wat zeggen” en vroeg zachtjes: “Lekker ja Toet?” waarop Toet antwoorde met een klagend en heigend: “Huh-uh…?” Ik heb dit grapje nog enkele malen herhaald totdat het gelach onder mijn vrienden te hevig werd en op ’t laatst elk van hen dat handje wilde vasthouden.

Toen Willem dan ook opeens met z’n armen over elkaar ging zitten en ik nog steeds dat handje vasthield, heeft het meisje stellig gedacht: ” Hoe kan dat? Massa, Willem heeft drie handen???” Dat was het einde van mijn eigen voorstelling en onze handen lieten elkaar los. Het vrouwtje keek even achterom want nu begreep ze het eindelijk.  Ze zei niets, want in Indië  wordt veel gezwegen. Willem lag nu onderuit in z’n klapstoeltje met zijn armen gekruisd voor zijn borst en opnieuw vleide het vrouwenkopje zich tegen zijn brede schouder. Die Willem toch met zijn drie handen!

Het spreekwoord over zwijgen
Nadat Portos, Athos en Aramis op het doek nogmaals hun degens hadden gekruist, gingen de lichten weer aan en stroomde de bioscoop leeg. Buiten, tussen de rokende en walmende stalletjes van verkopers liepen wij vlak achter het verliefde stelletje, Willem en Toet. Even keek ze met haar grote, zwarte kijkers in die van mij en dacht van het hele gebeuren het hare. Niet praten. Het was immers wel leuk. “Jij ondeugende smeerlap ja?” moet ze gedacht hebben, maar of ze het meende weet ik niet. Ineens moest ik denken aan die oude Indische vrouw die het spreekwoord over zwijgen, zilver en goud verkeerd uitdrukte en sprak van: “Adoe meneer, hier in de Oost altijd spreken is zwijgen en zilver is goud.”

Wist Willem veel, hij was leuk uitgeweest. Dit alles is nu een dikke halve eeuw geleden, maar ik ruik nog steeds de geur van het melatti bloempje in het haar van het tengere vrouwtje wiens handje ik voor de grap vasthield.

bioscoop, herinnering Tangkuban Perahu, Cikahuripan, West-Bandung, West-Java, Indonesië

Jouw verhalensite met verhalen over Indonesië. Oude en nieuwe verhalen. Om te lezen, maar ook om zelf te publiceren. Doe mee en beleef mee!