Het visnet

door:Lodewijk de Geer Boers | 13 april 2012 |Avontuur, Humor

Het zal in 1928 geweest zijn dat ik als jongen zeer onder de indruk was gekomen van de wijze waarop de inheemse bevolking van het destijds genaamde Batavia (Batawi) hun dagelijkse maaltje vis uit de kalies en moeraspoelen wisten op te halen. Met een ontzettende handige zwaai wisten zij hun djala’s (netten) in een grote cirkel in het water te werpen. Het beste kon men zo’n net vergelijken met een cirkelvormig geheel met een diameter van ongeveer vier meter. Geheel rondom zat langs de kant een kettinkje van loden schakeltjes om het vangapparaat te laten zinken. In het midden van de cirkel zat een stevig touw vastgemaakt waaraan het net na de worp kon worden opgehaald.

Overal zag men zulke dingen gebruiken. Het was een vertrouwd gezicht, zo’n visser, die vaak tot aan zijn middel in het water stond, die steeds opnieuw het net met een sierlijke worp op het water wierp. Het moest geleerd worden. De netten werden vaak door de eigenaar zelf gemaakt, maar ze werden ook wel verkocht in Chinese toko’s te Passar Ikan, de vissershaven van Batavia. Voor die tijd was de prijs van zo’n net nog vrij duur en niet iedereen kon het enorme bedrag van 2 gulden missen.

Gelukkige kinderen
Op een of andere handige wijze, die me tot op heden nog steeds is bijgebleven, wist ik van mijn vader een rijksdaalder los te peuteren, want ik bleef maar praten over zo’n net, ik kon er niet van slapen, droomde er van en moest en zou zo’n ding hebben. Een rijksdaalder, het was een groot bedrag, maar mijn vader kon het als goed gefortuneerd man best betalen. Het gold in het geheel niet als een soort verwennerij, maar mijn vader zaliger is altijd van het standpunt uitgegaan, dat als je het hebt, je het maar moet geven want dat we maar eens leven en van dit leven ten volle moeten genieten en laten genieten. In een land van warmte en zon, waar dagelijks de vogels fluiten, de bloemen geuren en goed leven was, paste geen krenterigheid. Ouders leefden geheel voor hun kinderen, dat bracht de tropen met zich mee. Een kind moest gelukkig zijn en blij, dus zolang het kan, geef ze en laat ze genieten. Dat is dan ook de reden dat nu, vijftig jaar later, diezelfde kinderen terug kunnen denken aan een rijke jeugd, aan een onbezorgd, zonnig leven vol geluk en ouderlijke zorg en er tot op heden nog niet zijn over uitgepraat. Zeker, er waren ook kinderen wiens ouders het niet zo breed hadden, maar ook zij waren gelukkig, blij en tevreden in dat mooie land waar de zon op hun bruine kopjes scheen. Een papieren vlieger van twee cent was reeds een heel bezit. Een kind was tevreden met niets, vooral waar de zon alleen al zoveel vreugde in een mensenhart brengt. Als ik dat nu vergelijk met kleine kinderen hier in Holland. Als ik ze in een gure wind op een straathoek zie spelen in een regenjack, drijfnat. Tussen geparkeerde auto’s moeten ze zich maar zien te vermaken. De huizen lenen zich volstrekt niet voor kindervermaak, dus moet men naar buiten anders wordt het vloerkleed vuil of valt er een vaas om. Een kind in Indië kon buiten spelen, de hele dag. Elk huis had wel een tuin met vruchtbomen en een grasveldje. Je kon naar binnen rennen, want het huis was van voren en achteren geheel open. In de achtergallerij stonden planten en vogelkooien. Er stond ook een houten rek met kruiken ijskoude drank, zoals stroop soesoeh, stroop assem en stroop pala. Dat hoorde zo in een land waar men dorstig is.Geregeld werd de zaak door de bedienden aangevuld en dat was geen luxe, nee, dat was nu eenmaal zo en het hoorde zo, tenminste ik heb nooit anders gekend.

Wij kinderen mochten veel, want als ouder ging men van de veronderstelling uit dat het kinderen waren en moesten later met genoegen aan hun kinderjaren terug kunnen denken. Het kon daar allemaal omdat je het klimaat en de ruimte in de huizen mee had. Ik vertel over het kinderleven in Indië later nog wel meer, in elk geval, ik had mijn rijksdaalder. Niet uit verwennerij, maar omdat hij er was. En met die riks in mijn zak toog ik de volgende morgen op weg naar Passar Ikan, waar een Chinees het door mij begeerde net verkocht.

In de tram
Wij woonden destijds op Tanah Abang, een buitenwijk van Batavia en daar ergens begon een elekrisch trammetje zijn loop door de kotta. Meestal waren het twee wagentjes, waarvan het eerste was gedeeld in eerste en tweede klasse en het tweede wagentje was derde klasse met krossie kajoe (houten bankjes). Ook liep er wel eens een derde wagen achteraan met rekken er in gebouwd. Dat was de zogenaamde marktwagen voor manden vruchten, groenten en kippen. Soms zag men er ook een magere geit in meerijden.

Ik herinner me dat het die dag uitzonderlijk heet was, bijna 40 graden, vandaar dat er slechts enkele Europeanen in het trammetje zate. Met erg hete dagen bleef men rustig thuis, in de koelte achter de kree’s (bamboe zonnenschermen) in de koele voorgallerij. Ik heb de rit van ons huis uit naar Passar Ikan altijd een leuke gewaarwording gevonden. Het duurde ongeveer een uur en de afstand was ongeveer een kilometer of tien. En dat voor de somma van 17,5 cent, eerste klasse. Als een vorst zat je dan op bankjes van gevlochten riet door een open raampje naar buiten te kijken naar de drukte op passar Senen waar duizenden Chinezen hun handel bedreven. Het was de tijd dat er nog Chinezen rondliepen met de bekende haarvlecht. Met sprak dan van ‘een Chinees met een staart’. Ook zag men overal Chineze vrouwen met de veel besproken kleine voetjes die door omzwachteling in hun jeugd vaak op zeer pijnlijke wijze klein gehouden werden. Er waren vrouwen bij die voetjes hadden niet groter dan een verschrompelde aardappel.

Ik keek mijn ogen uit
Hoewel alles voor mij, die in Indië was opgegroeid vanaf mijn vijfde levensjaar, niets bijzonders meer was, keek ik toch steeds weer opnieuwe mijn ogen uit naar dat gewriemel en gekrioel van die duizenden mensen, Javanen, Arabieren, Klingalezen, Chinezen, Soendanezen, Oedikers en andere landslieden. Alles wrong en perste zich door elkaar, gilde en schreeuwde dat het een lust was als er een enorme kar volgeladen met manden kakelende kippen zijn weg dor de menigte moest banen en half naakte koelies, badend in het zweet, grote zakken rijst of mais versjouwden waarbij een botsing vaak niet uitbleef.

Als de tram de ‘listrik’ dan eindelijk de drukke Passar Senen verlaten had, kwam er een meer rustiger rit, waar hij meer kon opschieten. Dan schommelden de wagentjes over de rails van Goenoeng Sari, waar links en rechts veel Chinese graven met hun karakteristieke grafheuvels  tussen de duizenden kokospalmen lagen. Je kon dan tussen de rechte kokosstammen heel ver door kijken naar het Westen, naar de eigenlijke stad Batavia, want het trammetje reed nu geheel buitenom en kwam weldra over de uiterst stille Djakartaweg, waar nog enkele ruïnes lagen van oude buitenhuizen uit de tijd van Gouverneur Generaal Zwaardekroon, van Imhoff en anderen.
Daar was niet veel meer van over dan een paar stukken muur waar de waringings welig op tierden. Een enkel oud zuiltje van een inrijhek van een reeds lang verdwenen buitenhuis uit de VOIC-tijd zag je staan tussen het hoge alang-alanggras, waar duizenden slangen huisden en vele schorpioenen rondkropen. Ook zag je ergens in deze eenzame rimboe ineens een soort bedje staan met een klamboetje er overheen. Dat was een heilige plaats, een zogenaamde tempat anker. Anker wil zoveel zeggen als heilig. Onder dat klamboetje stonden dan een paar schoteltjes met offergaven in de vorm van wat rijst, bloemetjes en wierrook (menjan). Ik weet nog dat je daar nooit ook maar een sterveling zag of tegen kwam. Het was er doodstil en slechts het geratel van het trammetje en een enkele ouderwetse auto verstoorde de min of meer griezelige rust. Zo’n lucht van klappermelk, bloemetjes en verbrand gras. Ik kon het nooit thuisbrengen.

Een luguber monument
Dan kwam het meest interessante deel van de rit, namelijk de streek waar eens de Kotta Tiha lag. Tot op heden bestaat er in deze buurt nog een straatje ‘Gang Tahi’ genaamd. Kotta Tahi is vertaald niets anders dan Drek stad. Tahi is doodgewoon poep. Deze minder smakelijke benaming vindt zijn oorsprong in het volgende verhaal. Toen het leger van Mataram in 1628 Batavia, dat betrekkelijk kort tevoren gesticht was, aanviel en wel onder Baoereksa werd de redoute Holland zwaar aangevallen doch dapper verdedigd door Sergeant Hans Madelijn met 25 man en twee kleine kanonnetjes. Toen kruid en munitie op waren, vulde men de kanonlopen met de inhoud van de nog niet geledigde potten beer uit de kazerne en hiermee werd de aanval afgeslagen. Van deze poepkannonade moest Kromo niets hebben. vandaar dat het hier nog steeds Kota Tahi heet. Als jongen vond ik dit een enorm mooi verhaal.

Het hoofd van Pieter Elberfeld op de schandmuur

Aan je rechterhand passeerde je dan het lugubere monumentje bestaande uit een oud muurtje waarop een mensenkop was gestokenaan een soort lans. Dat was het monument  dat moest herinneren aan de landverrader Pieter Elberfeld, een uit een Duitse vader en een Javaanse moeder gesproten vrijburger. Tijdens de tweede Javaanse Successieoorlog (1719 – 1723) die zonder moeite door de Compagnie werd bedwongen, ontstond een soort religieuze oorlog die erg gevaarlijk werd voor het Nederlandse gezag. In 1721 brak die heilige oorlog uit onder aanvoering van de overgelopen Pieter Elberfeld en in samenwerking met de Javaan Karta Drija met als doel alle Europeanen te vermoorden. Hij werd, nadat zijn plan door anderen was verraden met nog 48 anderen ter dood gebracht. Op de plaats waar dat muurtje stond, lag eens de ouderlijke woning van Pieter Elberfeld. In het Javaans en in het oud Hollands staat het hele verhaal op een marmeren plaat onder de doorboorde kop waarop reeds vele lagen kalk zijn gesmeerd.

De vader van de bewuste Pieter was op een gegeven moment vrij man geworden doordat hij voldoende jaren had bij de Compagnie en was als vrijburger ergens buiten Batavia gaan wonen met een Javaanse vrouw. Bij deze vrouw kreeg de oude Elberfeld een zoon die natuurlijk uit de vele verhalen van zijn vader aardig wist hoe het er binnen de muren van het Fort der Hollanders toeging. Deze gegevens wist Pieter maar al te goed te gebruiken in zijn verraderlijke samenwerking met Karta Drija.

Een zeer getrouwe foto van dit afschrikwekkende monumentje te Batavia kan men vinden in het grote boekwerk “Nederlands Indie Land- en Volkgeschiedenis en Bestuur, Bedrijf en Samenleving” onder leiding van H. Colijn, Uitgeverij Elsevier 1911. Naar ik meen hebben de Japanners tijdens hun bezetting van Indië  dit monument afgebroken.

Of men nu, heden ten dage, met een zekere mate van afschuw, verbittering of wat dan ook terugziet op dit koloniale tijdperk van de Hollanders in Indië, toch was voor menigeen deze streek, geschiedkundig van groot belang. Zelfs op mij, een in die tijd opgroeiende jongen, maakte deze omgeving reeds een geweldige indruk en ik kon mij toen reeds fantastische voorstellingen maken van hetgeen zich hier heeft afgespeeld sedert 1595. Ik ben er dan ook zeker van dat zich in deze omgeving bij mij de grote liefde voor de historie in het algemeenheeft ontwikkeld. mede onder de sterke invloed van mijn vader, die zelf een groot liefhebber van alles wat geschiedenis aangaat was en van zijn vriend Professor Dokter Eddi C. Godee Molsbergen, Lands Archivaris van Batavia in de jaren 1927 – 1935.

 

De Amsterdamse poort
Maar nu merk ik dat mijn verhaal over het visnet helemaal in het gedrang is gekomen en wil ik snel weer verder rijden in de tram naar Passar Ikan, waar het net op mij ligt te wachten bij de ‘gestaarte’ Chinees van het tokootje. Na enkele minuten stopte het trammetje op zijn eindpunt, bij de grote Amsterdamse poort uit de 17e eeuw. Het was een grote witte poort met in diepe nissen zwarte beelden van Minerva en Mars. Heel vroeger droeg de poort nog een soort koepel waarin een bel hing die geluid werd als er een doodvonnis voltrokken werd. In die tijd echter had de poort nog twee zijvleugels doch die zijn afgebroken toen er een paardentram ging rijden als voorganger van de stoom- en elektrische tram, doch dit heb ik niet gekend. Ook deze poort is in de jaren ’50 door de Republiek Indonesiaafgebroken naar men mij vertelde. Jammer, maar de foto’s bestaan in elk geval nog.

Achter het poortgebouw lag onder een aantal zware Tamarindebomen het Heilige Kanon. Een uit de Portugese tijd afkomstig stuk geschut waar vooral vrouwen uit Batavia hun offers kwamen brengen in de hoop dat ze spoedig een kind zouden krijgen. Over dit kanon vertel ik in een ander verhaal meer. Over een soort ijzeren draaibrug heen en langs, onder lage bomen verscholen oude pakhuizen van Coen, bereikte ik de eigenlijke vissershaven waar het krioelde van mannen die grote vrachten vis uit de Javazee aandroegen. De grote uitkijktoren uit de tijd dat de grote haven Tandjong Priok nog niet bestond en dit haventje was aangewezen voor de zeilschepen uit Holland, staat er nog steeds. Ook de zogenaamde groot Boom, waar men zijn goederen kon inklaren na een maandenlange reis uit Holland staat er nog en ik zie de korte witte zuiltjes van het nabij gelegen logement waar de reiziger zich eerst een paar dagen kon voorbereiden op de lange reis naar het binnenland. Het stond er toen nog allemaal. Op het er nu nog is weet ik niet, want een mens, Europeaan of Javaan houdt nu eenmaal van afbreken met enkele uitzonderingen daargelaten.

Een levendige haven
In het haventje lagen honderden felgekleurde prauwtjes met zeilen de dobberen op het water. Een visser stookte op het kleine dekje van zijn prauw een vuurtje en kookte in een zwarte ijzeren pot, de kastrol, zijn portie rijs. Er waren bootjes uit Midden Java, Oost Java en zelfs uit Zuid Sumatra. Ik zag een dozijn prauws door het lange havenkanaal aan komen zeilen met hun vracht vis die in de nacht was gevangen en in de middag in de stad zou worden gevent. Dat was verse vis! Eten, zes uur na de vangst.

Overal waren winkeltjes waar visnetten, hengels, haken groot en klein, zeilen van stof en riet, manden, touwen, eetwaren, drank, spiegeltjes, sarongs, baadjes, wierrook, houtskool, petroleum, bier, thee en koffie werd verkocht. Er waren kleine eethuisjes waar je voor twee dubbeltjes rijst met vis kon eten, waar je nasi rames en nasi goreng kon eten voor twee duppies, beter dan die waar je nu in Holland tien gulden voor moet betalen. Grote garnalen, kreeften en enorme guramivissen lagen bij honderden op de pikolans, gereed voor de rit naar de stad. Achter aan de tram in de marktwagen waarvan ik al sprak. Dan werden ze langs de Europese woonwijken verkocht en ik hoor de visventers hun roep nog: EEEUUUWWW – EEEEUUUUWWW… dat vergeet je nooit.

Verrukt van mijn nieuwe net
Ineens zag ik een winkeltje, voor de hitte gecamoufleerd met allerlei wapperende doeken waaronder een gemoedelijke Chinees met ontbloot bovenlijf zich koelte zat toe te wuiven met een waaier. Ja hoor, daar hingen ze, de netten. Bruine en zwarte, grote en kleine mazen. Prachtig. Splinternieuw. Prijs 2 gulden, twee mooie Nederlandse guldens. De Chinees verzekerde mij dat de draden van het net gelooid waren in een aftreksel van een soort boomblad, dus ijzersterk. Een olifant kon niet meer loskomen uit zo’n net. De Chinees stond maar te lachen en te roepen: “Loewa loepia njo” want de Chinees kan de r niet uitspreken. Het betekende “Doewa roepia sinjo” (twee gulden jongeheer). Nu zit de grote kracht op handelsgebied bij de Chinees voor een groot deel in zijn minzame lach, waarbij hij meestal een heel stel goude tanden toont. Hoe geslepen en glad je ook meent te zijn, tegen zo’n lach verliest menig koper het. Ik heb me eens laten vertellen dat als je meent een Chinees te hebben ‘genomen’ voor een gulden, hij je uiteindelijk nog voor drie kwartjes heeft beduveld.

Maar hoe dan ook, twee van mijn guldens gingen over in de handen van de winkelier en ik maakte dat ik met mijn kostbare net weg kwam, wat je weet maar nooit. Hij mocht je eens terugroepen en zeggen dat het eigenlijk 2,25 moest kosten want dat hij zich vergist had. Alles kan in Indië. Er zijn wel voor tienduizenden guldens in instellingen verdwenen. Zo maar ineens… Door de witte mieren. Opgegeten door de termieten, de rajaps.

Ik kon in de tram terug mijn ogen niet van het prachtige mazenwerk afhouden, ik was verrukt van dit bezit, maar mompelde wel aldoor in mezelf “Loewa Loepia njo.” Ik voelde in de zak van mijn korte broek nog de 15 cent die ik over had van mijn riks, want had ook nog 35 cent aan de tram betaald. Ik vroeg me af of het wel goed was zo met geld te smijten terwijl men toch voor nog geen gulden met een niet al te groot gezin een dag kon eten. Ik dacht aan alles maar piekerde ook over het aantal dagen dat een man had zitten werken aan mijn net. Misschien wel 14 dagen. Maar ja, de koop was gesloten en nu moest ik zien in de vorm van vis mij koopsom terug te verdienen.

Oefenen, oefenen…
Thuis gekomen begon ik direct met oefenen in het werpen van het net. De kebon, de tuinman van mijn vader, hielp me hierbij en maakte in de open achtergalerij, die zo groot was dat je er met een paard in kon rondrijden, ruimte door potten en kooien aan de kant te zetten. Toch schrokken enkele vogels zich telkens opnieuw een rolberoerte als het net door de lucht suisde en de loden sluitketting met een klap op de tegelvloer terecht kwam. Menige bloeiende orchidee sneuvelde voor ik een beetje de slag van gooien te pakken had. Met twee handen moest je het net beetpakken en een punt ervan over je linkerschouder werpen. Bij een goede gooi kwam het dan in een fraaie cirkel op de vloer terecht. Zo moest het en na enkele dagen kon ik het.

En toen was het zo ver…
Op een namiddag toen de zon reeds aan de horizon stond en de grote hitte wat weg was, kon ik niet meer wachten en stapte op mijn fiets en reed naar het Bandjirkanaal, de kali Bandjir nabij ons huis op Tanah Abang. Ik hoorde in de grote nabijgelegen kampong Pondok Betoeng een tongtong slaan ten teken dat de mengerip, schemering, is ingevallen.

Het was stil langs de kanaaldijk. Het water dat anders krachtig stroomde, afhankelijk van de regenval in Buitenzorg (Bogor), was nu kalm, bruin, zoals ook de klei van de oever en aan de kant stond in het gras roerloos een late karbouwenreiger in het water te kijken. Ik trok het petroleumlampje van mijn fiets, u weet wel, zo’n lampje van blik dat onder het rijden zo mooi kon dansen vanwege de veer en dat altijd zwart was van het roet. Ik stak het aan, dan kon ik zien wat er in mijn net zou belanden en zette het in het gras langs de kant. Ik moet wel vermelden dat het in deze kalie kon wemelen van de krokodillen, vooral meer de kant van de monding op, bij zee. Vaak heb ik hier militairen uit de de kazerne in Laan Trivelli zien jagen op deze monsters waarbij dan het water rood kleurde van het bloed. Menige vrouw, die uit de kampong was gekomen om aan de kant haar kleren te wassen is hier aan de oevers weggesleurd en in de modderige rivierbodem gedrukt door zo’n krokodil. Dan kwamen de mannen uit de kampong wraak nemen en legden een grote kip neer aan de oever met een zak ongebluste kalk of een pakje karbiet aan de poten gebonden. Als dan zo’n krokodil de kip zou verslinden, hetgeen in een hap ging, dan was hij nog niet jarig, maar ik heb nooit van het resultaat gehoord. Vaak ook waren het kleine kinderen, grazende geitjes die het slachtoffer werden van die monsters, die vaak onopgemerkt, als een dood stuk boomtak, door de kalie dreven en ineens toeschoten. In de kranten, zoals de Locomotief en de Java Bode werd geregeld gewaarschuwd als er weer krokodillen waren gezien.

Een spannend moment…
Maar, u weet, een kind ziet geen gevaar en daar zat ik in het half duister met mijn net van ‘loewa loepia’. Nu zou het gebeuren. Als een ‘David’ van Michel Angelo stond ik gereed de worp van mijn leven te doen en ik zag de hoeveelheid visjes al voor me die ik zou binnenhalen. Met een plons vloog het net over het wateroppervlak en zakte snel naar de diepte. Een prachtworp, dacht ik en begon langzaam in te halen. In de mazen zag ik reeds enkele aardige vissen spartelen en was niet ontevreden. Bij het licht van mijn olielampje haalde ik veertien vrij grote riviervisjes op de kant en stopte ze in een mandje. De tweede worp ging minder goed en het net kwam half aan de kant, over het slijmerige overgewas terecht. Ik haalde in en voelde enorme rukken en schokken in het net. Dat moest een verschrikkelijke grote vis zijn. Ik trok verder in terwijl het net heen en weer schokte. Ineens greep ik in een dik, koud, sterk gespierd lichaam. Het voelde aan als een sterke mannenpols en was ook zo dik. Met het lampje dichterbij gekomen zag ik het. Het was een kleine python, ik schat van een meter of twee, gezien de dikte. Nu ben ik nooit een held geweest en schrok enorm. Het hart bonsde in mijn keel. Ik heb het net bibberend weggesmeten en ben met achterlaten van mijn olielampje en de gevangen veertien visjes de dijk opgerend, naar mijn fiets. Ik heb nooit zo hard gereden als toen, naar huis, waar ik mijn verhaal hijgend aan mijn vader vertelde.

Nooit meer…
Het was intussen 8 uur in de avond geworden en, zoals dat in Indië gewoonte was, zaten wij aan de broodmaaltijd. Mijn vader die een groot deel van zijn leven als tabaksplanter in Indië heeft doorgebracht en de gevaren van Indië en zijn natuur dus wel kende, reageerde niet uitermate opgewonden en vroeg slechts wanneer ik van plan was weer een nieuw net te kopen, wetende, dat ik, als wat men nu zou noemen, een grote schij…laars, mijn bekomst had van de nettenvisserij. En terecht, ik heb nooit meer een net aangeraakt. Heb wel met een hengeltje zitten knoeien,maar een net, nee, nooit meer.

De volgende morgen ben ik voor schooltijd op de fiets nog gaan kijken of ik iets van mijn net met inhoud terug zou zien, maar bleef wel op een veilige afstand. Het net met de slang zag ik niet meer, maar wel mijn lampje dat in ’t gras nog lag te branden op het laatste olierestje. Het net was met slang en al kronkelend en schokkend in het water gevallen en denkelijk naar zee gedreven terwijl de slang een vreselijke en benauwde dood moet hebben gehad. Ik weet het niet. Ik hoor het nog wel eens in mijn verbeelding: ‘Loewa Loepia Njo’.

natuur, vissen Tangkuban Perahu, Guntur, Kota Jakarta Selatan, Jakarta, Indonesië

Jouw verhalensite met verhalen over Indonesië. Oude en nieuwe verhalen. Om te lezen, maar ook om zelf te publiceren. Doe mee en beleef mee!