Het seinhuis ‘Kampong Bandan’

door:Lodewijk de Geer Boers | 5 maart 2012 |Avontuur, Overig, Politiek

Eind 1946 kwam ik eindelijk vrij na drie jaren Japans concentratiekamp met aansluitend nog eens één jaar opsluiting door de rebellen van de door henzelf uitgeroepen republiek Indonesia. Ik was danig verzwakt en die vier jaar hadden mij behoorlijk aangepakt. Desondanks meldde ik mij spoedig na mijn evacuatie van Djokjakarta naar Batavia weer bij mijn werkgever, de Staatsspoorwegen. Batavia was vrij en er verbleven Engelsen, Australiërs en Brits-Indiërs.
Direkt na mijn aankomst werd ik herplaatst naar de havenstad Tandjong Priok, alwaar en onbegrijpelijke situatie heerste. Het grote hoofdstation was in handen v an de rebellen en het kleinere goederenstation was in onze handen. Op het ene station wapperde de Nederlandse vlag en dertig meter verder hing de rood-witte vlag aan de vlaggestok.

Rovers
Op het goederenstation Soengailagoea lagen Nederlandse troepen: jongens van de 7 Decembervisie en van de Limburgse Jagers. Hier werd ik geplaatst in een noodfunctie die van alles en nog wat inhield: treindienstleider, rangeerder, wisselwachter, treingeleider enzovoort. Deze veelzijdigheid vond zijn oorzaak in het feit dat het inheemse personeel niet meer in dienst van de Nederlanders durfde te werken. Ze waren als de dood zo bang voor de rebellerende troepen van de republiek. Wij moesten nu zelf maar het werk doen, maar de stakende Indonesiërs zaken zonder inkomen en moesten zelf maar zien aan de kost te komen. Voor de ons welgezinden – en die waren er zeker – was dit een ellendige toestand. Ze zaten wat je noemt tussen twee vuren.

Stampvol geladen goederentreinen stonden op de sporen met uit Nederland gearriveerde goederen voor het Nederlandse leger. Het behoeft nauwelijks te worden gezegd dat er vooral ’s nachts werd geroofd en dat er door de jongens op wacht werd geschoten evenmin. Wagons met rijst, blikken conserven en vele andere etenswaren werden opengebroken. Men boorde gaten in de bodems van de wagons en lieten zo de balen rijst – waaraan groot gebrek was, leeg lopen. De dieven stoven met hun buit de moerassen in om even later weer terug te keren. het was een rauwe tijd en één of meer doden telde niet. Tot rottens toe bleven de lijken in de hete zon in de greppels tussen spoorbaan en moeras liggen.
Ver weg in het moeras lagen enkele, kleine kampongs vanwaar de rovers kwamen. Verscholen in het gras wachtten ze tot dat het donker werd en dan begon het zachte gesluip naar de eenzaam op de sporen staande wagons.
Omdat mijn gezin nog gevangen zat in een Indonesisch kamp in Midden Java, had ik tijdelijk mijn intrek genomen bij mijn jongere broer, hoofdverpleger in het militaire hospitaal in Batavia en wanneer ik nachtdienst had, sliep ik in de kazerne in Tandjong Priok temidden van de Nederlandse soldaten. Immers, zij waren belast met de bewaking van de emplacementen met de volle goederenwagons. Ik at met hen mee uit de pot en sliep ’s nachts op een veldbed onder een klamboe tegen de muskieten.
Ik vond de situatie allerbelabbertst en vroeg overplaatsing aan naar het enkele kilometers verderop gelegen Batavia-Benedenstad, een groot station van waaruit ik elke dag op en neer kon naar het huis van mijn broer.
Ook op dit station moesten wij allen het werk doen wat anders door het Indonesische personeel was gedaan. Om de beurt werden we aangewezen dienst te doen op een verlaten liggend seinhuis, aangeduid als ‘Seinhuis A’ en liggend in kampong Bandan. Waarom het daar zo heette is mij altijd een raadsel gebleven, want er was niets, helemaal niets, laat staan een kampong. Een flink eind van het hoofdstation langs de spoorlijn Batavia-Tandjong Priok lag het verscholen in het moeras met meters hoog gras. Een paar cocospalmen achter het seinhuis boden plaats aan een slet klapperratten, die aldoor tegen de stammen op en neer klommen. Dát was het waarmee we ons konden vermaken. Er was slechts stilte en eenzaamheid, haast bij het griezelige af.

Het seinhuis
Desondanks was dit seinhuis toen van zeer groot belang omdat van hieruit vele belangrijke rangeersporen naar het hoofdstation werden bediend. Bij een sluip-overval vanuit het moeras en wanneer de telefoondraden zouden worden doorgeknipt, zat je als een rat in de val. Met die wetenschap deden wij daar altijd dienst met een Gurkasoldaat, bewapend met een stengun en een gevaarlijk uitziend krom mes. Meestal waren het mannen met zwarte baarden en een tulband.

Wanneer je dienst inging, werden we ergens langs de Priokweg met een vrachtwagen afgezet en moesten we ons een weg banen door het metershoge gras tot aan het seinhuis. De vrachtauto verdween dan weer en je was alleen met de soldaat. De doodse stilte verbrekend werd dan eerst met veel geknars de deur boven aan de trap geopend, de telefoon gecontroleerd en gekeken of de trekdraden naar wissels en seinen functioneerden.

Zo nu en dan belde Priok om te controleren of we er nog zaten en om te informeren of alles goed ging. Een of meerdere treinen werden afgeseind en zo verliep de dag tot de dienst er op zat. ’s Middags kwam de vrachtauto ons weer ophalen, z’n komst aankondigend door luid getoeter. We waren blij dat alles goed was gegaan, het slot van de deur knarste weer en de zaak was dicht tot de volgende morgen. Om veiligheidsredenen werd in die periode ’s nachts geen dienst gedaan, het was overdag als onveilig genoeg.

Een dolle aanval
Op een dag toen ik daar weer eens dienst had, het was verschrikkelijk warm, keek ik voortdurend naar links en rechts uit de ramen of alles veilig was. In de verte was een stuk droog rietgras in brand gevlogen, iets was onophoudelijk gebeurde, maar ik vond het altijd een indrukwekkend gezicht die zwarte rookpluimen tegen de lucht. Deze keer blijf ik heel lang kijken en turen. Het was of ik ergens een voorgevoel van had. Een vreemde rilling kroop over mijn rug, maar ik begreep niet waaraan het kon liggen. De bewaking bestond die dag uit twee Sikhs, engelse soldaten uit Brits Indië , bebaarde mannen met automatische wapens en kromme messen. Terwijl ik wachtte op het ‘voorbijsein’ uit Priok zaten de twee beneden op de onderste tree van de trap te keuvelen en ik hoorde hun stemmen. Hun wapens lagen naast hen op de grond.

Opeens zag ik een man in een lang soort wit hemd aan de overkant van de kali Antjol rennen. Ineens was ik hem kwijt, doch zag ik hem even later met een duik in de kali springen. Druipend van het water kroop hij aan onze kant op de oever en stak de asfaltweg over richting het seinhuis. Zwaaiend met een lange golok (kapmes) boven z’n hoofd stormde hij als een dolle onze kant op, duidelijk met de bedoeling zich in het hoge gras voor te bereiden op z’n aanval, notabene in z’n dooie eentje.

Uit ervaring wist ik dat dergelijke door het dolle heenzijnde figuren zich helemaal vergeten, geen gevaar meer zien, ook niet voor hen zelf. Het bleek een hadji (een soort priester) te zijn die door de duivel bezeten was, een soor ‘mata-gelap’ (verblink door z’n woede). Hij zou Allah wel een tonen hoe dapper hij was, want wanneer je een blanke een kopje kleiner maakte, stond je goed aangeschreven en zat je goed. Maar Allah was hem blijkbaar niet welgevallig. De Sikhs waren echter ook niet van gisteren en hadden de moordenaar in spé al lang ontdekt. Ze hadden wel eens voor hetere vuren gestaan. Bovendien zei men van hen dat ze met één oog dicht konden slapen, terwijl het andere, open oog alles zag wat er gebeurde.

Vuurstoot
Nog voordat ik iets naar beneden kon schreeuwen doorkliefde een salvo van wel zeker twintig schoten de lucht. Grasstengels, stenen en aardkluiten werden door de verschrikkelijke vuurstoot de lucht in geslingerd. Ik zag hoe op een afstand van ongeveer dertig meter de man met het lange, witte hemd een enorme salto maakte en morsdood tussen de alang-alang viel. Even was het doodstil en het was alsof ik geen geluid uit kon brengen. Voor de eerste maal in mijn leven had ik gezien dat een medemens doodgeschoten werd. In de kampen had ik tientallen doden gezien waar je op het laatst gewend aan raakte, maar dit had ik nog nooit meegemaakt, terwijl ik wel vaak rekening had gehouden met de mogelijkheid. De Sikhs waren het hoge gras in gerend. De halmen zwiepten heen en weer.

De bloktelefoon rinkelde en Tandjong Priok riep: “Trein 8112 af 13 uur 12”. Weer was er stilte. Enkele minuten later hoorde ik het belletje boven het bloktoestel rinkelen. De telefoon ging weer en ik meldde dat ik het had begrepen. Even later snlede de lange goederentrein voorbij en ik seinde terug: “Trein 8112 voorbij 13 uur 24”.
De Sikhs waren ondertussen naar hun moordlustige slachtoffer gaan kijken en namen hem het kapmes en de zogenaamde gelukbrengende stukjes wierrook en de bloemetjes af.

Niemand sprak er meer over…
Toen ik het voorval rapporteerde werd het voor kennisgeving aangenomen en in het dagrapport vermeld. Klaar, punt, uit! Er werd verder niet meer over gesproken. Uiteindelijk kon je wel aan de gang blijven. Het lichaam bleef in de voortwoekerende rimboe liggen. Niemand kwam het ophalen. Men was bang want een onsterfelijk iemand die toch door een kogel sneuvelde… daar was iets mee aan de hand.

Een week voor ik met mijn inmiddels vrijgekomen gezin naar Nederland repatrieerde, lag het lichaam er nog, een wit, opgebleekt hoopje beenderen. een half vergane riem met een verroeste gesp lag er naast. Vreemd, maar niet iets om nog angstig voor te zijn. Het was voorbij, gebeurd en vermoedelijk had niemand het zich aangetrokken. Het was al weer te lang geleden. Bovendien waren er zo velen gegaan. een Indonesische rangeerder, die overigens wel voor ons bleef werken, vertelde mij later eens dat de dorpsgenoten van het slachtoffer precies wisten waar het lichaam lag, maar het om een of andere duistere reden niet durfden of wilden ophalen. In het hoge gras nabij het seinhuis tussen Priok en Batavia bleef het geraamte liggen. Nooit hoorde ik er iemand meer over spreken. Indië is en was een land waar men veel weet, maar waar men weinig spreekt.

herinnering Jakarta, Indonesië

Jouw verhalensite met verhalen over Indonesië. Oude en nieuwe verhalen. Om te lezen, maar ook om zelf te publiceren. Doe mee en beleef mee!