Het mandihok

door:Lodewijk de Geer Boers | 7 maart 2012 |Alledaags, Natuur

Toen ik in 1932 als ‘jongkie’ op de theeplantage Soekamadjoe boven Bandung kwam, werd mij daar door de administrateur, de baas over de onderneming het huisje aangewezen alwaar ik zou komen te wonen.
Het was een zware, nogal vettig uitziende man met een rood hoofd. Hij droeg een wijd kaki hemd met grote zakken en een dito rijbroek waarvan de pijpen in beenkappen gestoken waren. Je kon aan hem zien dat hij planterservaring had.

‘Villa’
“Daar staat je villa” zei hij lachend en wees met z’n dikke rotanstok in de richting van een niet al te grote bamboewoning op paaltjes. “Een wc en een badgelegenheid zijn er niet, maar die laat je maar door een stel koelies in elkaar timmeren zodra je er in zit. Dat is zo gebeurd”. Hij veegde met een soort beddelaken z’n bolle hoofd af en begon te vertellen hoe goed de thee hier in de tuinen wel was.

Het was de eerste dag dat ik me bij hem op de kebon moest melden en was vanuit Bandung met een autobus naar Lembang gereden van waaruit ik door twee diepe ravijnen de plantage had bereikt. Behoorlijk moe en dorstig van de klim door de djoerangs (ravijnen), was het een pak van mijn hart toen de ‘baas’ mij na een stevige wandeling door enkele theetuinen inviteerde om bij hem thuis een koele dronk te gebruiken. Na geruime tijd met hem te hebben gepraat over allerlei zaken die de cultures aangingen, nodigde zijn Chinese huishoudster mij uit mee te blijven rijsttafelen. Zijn woning was beduidend gerieflijker dan die welke mij werd toegewezen. Het was eveneens een bamboe huis en stond ook op palen. Met een uit Holland geimporteerd behangetje waren de muren beplakt hetgeen direct een gezellige indruk gaf. Op allerlei knaapjes en tafeltjes waren met de meeste zorg ingelijste portretjes neergezet. “Allemaal familie” zei mijn gastheer. “Allemaal zitten ze in Holland maar ik krijg geregeld brieven en tijdschriften van hen”. In een hoek stond een grote lectuurbak vol met allerlei tijdschriften die allemaal uit Europa afkomstig waren. Een drietal enorme petroleumlampen hingen aan de zolder en op de peloepeovloer lagen enkele Chinese- en Japanse kleden. Peloepoevloeren waren gemaakt van gevlochten bamboerepen. Deze vloeren trof men in veel plantagewoningen aan, voornamelijk op ver afgelegen oorden in de bergen.

Bij de rijsttafel, die ik mij voortreffelijk liet smaken, werden enkele flessen bier, van een onbekend merk geopend en ik vroeg me af waar men hier in die eenzame uithoek boer kon kopen. Er was geen toko te bespeuren waar men ook maar iets kon kopen. “Oh” zei mijn gastheer, “dat bier laat ik elke maand uit Lembang aandragen door een koppel koelies en dan hang ik al die flessen in rotanmanden in de put, waar ze heerlijk koel blijven”. Aan stevige rotantouwen hingen enkele manden met elk zo’n fles of twintig, in de diepe put. Geen slecht idee, want koelkasten waren er niet.

Tijdens de maaltijd zat ik steeds maar te denken op welke wijze ik mijn toekomstige huisje net zo gezellig kon maken als dit en hoe ik hierheen moest verhuizen. Nu kon men moeilijk van verhuizen spreken, want ik bezat namelijk niet veel bijzonders. Een veldbed, een gote hutkoffer en een blikken petroleumlamp die mijn vader zelf nog in Deli op de tabakplantage had gebruikt. De baas zou op mijn “verhuisdag” zorgen dat er wat koelies aan de grote straatweg in Lembang zouden staan om mijn huisraad voorzover ik die had, naar mijn woning te dragen.

De terugtocht
Het was reeds vrij donker toen ik mijn terugtocht door de ravijnen aanvaarde. Een bierfles, voor een kwart gevuld met petroleum waaruit een oude lap hing, werd voor mij aangestoken en walmend begon ik mijn terugtocht. “Als je in Lembang bent, mieter je je flambouw maar in ’t ravijn” riep de toewan besar me in het duister nog na. Bijna een uur heb ik gestunteld door de twee ravijnen, over steenbrokken, kuilen en boomstronken. Ik liep maar te denken aan dat huisje waar ik zou komen te wonen. Geen wc, geen badkamertje en geen elektrisch licht. Het laatste vond ik niet erg, want dat was er nu eenmaal niet op ver afgelegen plantages, maar geen wc en badgelegenheid. Dat was het eerste waaraan ik moest beginnen dacht ik. Strompelend door kuilen en barsten in de grond bereikte ik hijgend als een postpaard het bergdorp Lembang en stond daar in een kinatuin langs de weg naar Bandung, waar om de drie kwartier een busje naar toe zou vertrekken. Denkend aan de krasse raadgeving van mijn toekomstige chef, heb ik de zwart walmende flambouw het ravijn in gesmeten. “Gemietert” zei hij op een wijze die bij zijn postuur paste. Ik had tijdens mijn bezoek aan de plantage als ras in de gaten dat ik niet op een jonge-juffrouwen-kostschool terecht zou komen, maar zo heel erg was dat nu ook weer zijn. Ik had in mijn ouderlijk huis genoeg verhalen over het plantersleven gehoord, dus ik kwam niet geheel onbeslagen op het ijs.

Voor een kwartje bracht het busje, dat naar ik meende met ijzerdraadjes in elkaar zat, mij naar Bandung en onderweg zag ik reeds de duizenden lichtjes van de bergstad beneden mij als diamantjes op een zwart fluwelen kleed. Na twee dagen verhuisde ik naar ‘boven’ zoals men dat noemde en een viertal koelies zaten reeds geduldig op mijn komst te wachten.

Mijn prachtige badhok
Enkele dagen na mijn aankomst was er al een keurig badhok gebouwd enkele meters van mijn woning af en een grote petroleumton, een drum van zo’n 500 liter, diende als badkuip. Deze had ik voor een paar gulden in Lembang van een Chinese tokohouder gekocht en stond nu op een soort schaag van stevige balken in het onontbeerlijke mandihok. Helder water werd door mijn bediende uit een reeds lang geleden gegraven put gehaald en in de ton gegoten. Als die vol was, had de schaag heel wat te dragen, maar alles stond stabiel. Er moest geen aardbeving komen want dan had ik voor die stabiliteit niet ingestaan.

Brutale apen
Aangezien ik nog geen 200 meter van de bosrand af woonde, hadden de honderden apen die daar huisden natuurlijk al geruime tijd het vreemde bouwwerk gezien. Het getimmer en gezaag had hun aandacht getrokken en nieuwsgierig als de soerilies zijn, zijn ze eens een kijkje gaan nemen en op een ochtend merkte ik aan de vele sporen van handjes en voetjes dat er een hele familie van deze aapjes was komen gluren. Enkele dagen later werd ik bij het opkomen van de zon uit mijn slaap gewekt door een hels kabaal bij het badhok en al spoedig bemerkte ik dat een nog al flinke troep nieuwsgierige apen uit het bos tegen de hellingen van de vulkaan Tanguban Prahu waren gekomen en een ware rondedans uitvoerden in en om mijn fraaie bamboe badgelegenheid. Ik was zo trots op mijn mandihok dat ik deze baldadige uitspattingen niet kon dulden. Voorzichtig opende ik mijn houten raam en door een kier zag ik dat een oud mannetje, zo een met een bakkebaard, op de uitkijk zat met z’n rug naar de dol driftig in en uit de badkamer springende monjets – een lol dat ze hadden van jewelste. Ze sprongen en spartelden over elkaar. De grote drum was omgevallen en het water veroorzaakte een enorme modderpoel.
Oude, grote, jonge en kleine soerilies, moeders met kinderen aan de borst, alles vloog gillend van pret over elkaar heen. Enkelen schuimbekten doordat ze mijn stukken zeep voor lekkernij hadden aangezien. Oudere apen zaten onder het bloed want waren heftig aan het vechten om mijn scheermesjes. Het was een bende van heb ik jou daar. M’n kleren en sokken die aan een drooglijn hingen waren verdwenen, lagen in de modder of zaten onder het bloed.

Dit ging mij alles te ver want zelfs mijn mooie spiegel die ik in een toko van Bandung had gekocht, lag aan scherven. M’n tandpasta spoot alle kanten uit. Met een smak smeet ik het luik van m’n slaapvertrek open en sprong naar buiten, met mijn geweer in de hand, wetende dat oudere apen vaak zeer agressief zijn en kunnen aanvallen. Een schot in de lucht deed alle dieren het “apenpad” kiezen. Over elkaar springend en gillend stormden ze weg. Daar stond ik met mijn rommel in de vroege morgen. Een groot hangslot zorgde er voor dat de beesten in het vervolg geen toegang meer kregen in mijn badhok.

Jaren later, toen nog dikwijls mijn tuin om het huis door apen werd bezocht en een stuk bosgrond voor nieuwe theetuinen moest worden ontgonnen, vonden mijn koelies de restanten van mijn sokophouders, theelepeltjes, verroeste scheermesjes en een pantoffel in het onkruid. Nog enkele jaren later, toen ik gehuwd was en mijn eerste dochter was geboren, werden wij nog steeds bezocht door kleine groepjes apen, maar van een wildemansfeest was geen sprake meer. De badkamer en het toilet had ik intussen van stevige planken laten bouwen en er een zinken dak op geplaatst. Zo nu en dan vonden mijn koelies in het bos nog verschillende voorwerpen zoals een speelgoedpoppetje of een kannetje uit een kinderserviesje. Toen ik eenmaal een paar ferme waakhonden had aangeschaft bleven ze helemaal weg, maar het gebeurde wel dat als de honden in de middag onder ons huis in de koelte een dutje deden, er nog een brutale kwam kijken. Dan gritste hij als de bliksem een rijpe papaja van m’n boom en ging er op z’n achterbenen van door, te laat opgemerkt door de honden. Die werden pas wakker door het plotselinge gekakel van een stel kippen die de apen hadden opgemerkt.

Toch, hoe grappig apen ook kunnen zijn, voorzichtigheid met deze dieren was altijd geboden, want hoe vaak zijn er in die tijd dat de plantage nog bestond geen vrouwen en kinderen, die hout sprokkelden of naar de passar waren geweest, aangevallen. Letterlijk op een sluwe wijze aangevallen en van hun gekochte eetwaren beroofd. Met verwonde gezichten en gescheurde kleren kwamen ze dan thuis.

Prachtig regenwoud weggekapt
In 1942 en 1943 zat ik als gevangene van de Japanners in een concentratiekamp nabij Badung en vanachter het prikkeldraad had ik uitzicht op de hellingen van de Tanguban Prahu waartegen eens de plantage lag waar ik als ‘jongkie’ kwam te werken. De plantage was er niet meer en het oerbos was honderden meters terug gedrongen. Een grote kale plek tegen de eens zo dichtbeboste helling van de vulkaan lag daar boven. Weggekapt bos. Weggebrande vegetatie. Grijs en zwart van kleur. Slagregens spoelden alle vruchtbare aarde naar beneden. Eeuwenlang had het lover van de woudreuzen de dikke humuslaag gevormd en in enkele jaren wist de domme mens dit alles te vernietigen. Ons Nederlands Indische boswezen, met z’n goede en knappe houtvesters, bestond niet meer. Allen zaten gevangen bij de Japanners in kampen. Zij hebben niet kunnen verhinderen dat al dat prachtige regenwoud in enkele maanden werd gekapt op een onkundige wijze. Het bos is teruggedrongen en de aapjes die eens in mijn badhok rondsprongen, zijn meegegaan. Verder de helling op tot bijna bij de boomgrens aan de rand van de vulkaankrater.

Mijn baas, de dikbuikige man met het te wijde kaki hemd en de rijbroek, de man van de bierfles die als flambouw moest dienen, ontmoette ik in het concentratiekamp waar meer dan tienduizend Europese burgers zaten opgesloten in de aller ellendigste omstandigheden. Hij stierf na enkele maanden van uitputting. Ons plantersbestaan was afgelopen.

Aap, natuur Tangkuban Perahu, Cikahuripan, West-Bandung, West-Java, Indonesië

Jouw verhalensite met verhalen over Indonesië. Oude en nieuwe verhalen. Om te lezen, maar ook om zelf te publiceren. Doe mee en beleef mee!