Het leven op een theeplantage in de Soendalanden

door:Lodewijk de Geer Boers | 2 april 2012 |Alledaags, Cultuur

Soekamadjoe, maart 1935

De theeplantage, waar ik werkzaam was, lag in een grijs-paarse nevel tegen de helling van de vulkaan Tanguban Prahu en de theeheester waren nat van de dauw, nat van de laag op het glooiende bergland hangende wolken. Zo nu en dan brak de zon door, maar licht was het nog niet helemaal. De dessahuisjes waar veel plantagekoelies woonden, lagen nog vredig als donkere schimmen tussen de bomen. Hier en daar werd een oliepitje aangestoken en hoorde ik zangerige vrouwenstemmen binnen de bamboemuurtjes. Tussen de atap-dakbedekking ontsnapte wat blauwige rook van het houtvuur in de hawoe (stookplaats) en bleef tussen de bomen hangen.

De dessa ontwaakt
De dessa ontwaakte langzaam, zonder rumoer en lawaai. De paardjes, de geiten en de schapen in de primitieve stalletjes hoorde ik op de planken vloeren stampen en de eerste kippen kropen onder de huisjes vandaan. De zon gooide haar gouden stralen van achter de vulkaan door het gebladerte van de bomen in de dessa en ik rook de geur van de Tjempakabloesem, van de Kenanga en de Tandjoeng. Ik rook de intense geur van de rijpende nangkavruchten en van de doerian. De opkomende warmte van de zonnestralen deed de reuk nog sterker worden en ook de in het halfduister groeiende kembang bangkéh (de slangenplant, de Amorphorphallus) verspreidde haar wee-zoete geur over de humuslaag van het bamboebos.

Het leven begon op gang te komen. Vrouwen en kinderen liepen het glibberige bergpaadje af om bij de pantjoeran in het ravijn van de Tjihasseum een bad te nemen. De mannen, nog enkelen gehuld in hun sarong, gingen op weg  naar de tuinen om daar de rorokans tussen de theeheesters uit te diepen. De Patjols, waarmee zij de vanggoten, welke dienden om de door de slagregens afgespoelde aarde op te vangen, uit moesten diepen, droegen ze over de schouder. Vredig rookten ze hun strootjes van molléhtabak.

Zingend en lachend aan het werk
Ook de pluksters togen weldra op weg naar de tuinen nadat ze de kleine kinderen thuis hadden toevertrouwd aan de zorgen van een broertje of zusje. Tenslotte moest moeder ook meehelpen om wat centjes te verdienen. Vrolijk zingend en lachend trok de stoet van vrouwen en meisjes met hun plukmanden en slendangs het heuvelland in en onder het lopen las ik van de ‘rol’ hun namen. Het waren er meestal zo’n dertig. Aangezien ik wist dat de Soendanees bijzonder vatbaar is voor grollen en grappen en nimmer uit zijn humeur is, had ik de gewoonte om onder het lopen en onder de ‘pluk’ diverse grappen te lanceren. In de flauwste mopjes hadden ze dan de kinderlijkste pret en men begon de arbeid met een opgewekt en blij gemoed.

Iedere vrouw kreeg dan van mij een rij heesters aangewezen welke zij diende af te lopen om de jonge blaadjes te plukken, hetgeen niet zo heel eenvoudig was. Elk steeltje diende namelijk zo geplukt te worden, dat het na enkele weken weer behoorlijk kon uitlopen. Werd een heester fout geplukt dan duurde het vaak maanden voordat de schade was hersteld en dat was verlies. Enkele onervaren pluksters konden honderden theeheesters bederven, dus zorgde ik er steeds voor, goede vrouwen en meisjes in de kebon te hebben. Hoe kreeg ik dat voor elkaar? Dat was nu juist de kunst. Veel tuinopzichters wilden nog wel eens jachtig, gehaast en ruw optreden en begonnen dan, bevreesd de vereiste dagpluk niet te halen, te vloeken en te tieren. Dat was totaal fout, want de Soendanees lacht daarom in z’n vuistje. Hij lapt het gebulder en gevloek laconiek aan het onderste deel van zijn rug. Allemaal fout en het resultaat was dat de mensen wegbleven en bij een andere tuinopzichter, die meer verdraagzaam was, gingen werken. Ook zocht men dan wel werk op een andere plantage, want er waren er genoeg.

Met zachte hand
Ikzelf echter had nimmer last van een tekort aan werkvolk, want beschikte, de hemel zij gedankt over een gemoedelijke wijze van omgang met de werkmensen omdat ik het volk kende. Omdat ik wist hoe ik moest optreden zonder de goede jongen te willen zijn, want, denk er om, dat heeft de snuggere Soendanees vlug door, zonder dat hij iets laat merken. Menigeen van mijn collega’s waren te kort in de tropen of in de cultures om dit te begrijpen en dachten met harde hand en zogenaamd flink optreden veel te bereiken. Niets was minder waar dan dat. Er waren er bij die het werkvolk verboden in de tuinen onder het plukken te zingen of grappige verhaaltjes te vertellen. Ik vond dat verschrikkelijk en verlangde van mijn mensen dat er een vrolijke  sfeer tijdens het werk heerste en dat er gezongen werd. Ik vond dat leuk klinken in de bergen. ‘Zo moet het en niet anders’, dacht ik.

Een luie koelie aangepakt
Natuurlijk heb ik wel eens een koelie onder mijn mensen gehad die liever lui dan moes was en de lijn op een kundige wijze dacht te trekken, maar die kwam bij mij altijd van een koude kermis thuis. Ik herinner me een kerel waarvan ik al geruime tijd in de gaten had dat hij het minst van allen uitvoerde en telkens, als ik mijn rug om draaide, op de grond ging zitten zodat hij achter de heesters niet gezien werd. Dan zat hij daar prinsheerlijk aan een strootje te sabbelen en liet de anderen werken.

Op een dag had ik hem te pakken en liet hem bij mij komen. Zodat al het vrouwvolk en ook de mannen het hoorde, maakte ik hem verlegen en gebood hem netjes te gaan zitten en een strootje op te steken. Hij mocht van mij niets anders doen dat zitten en kijken naar zijn vrienden die hard aan het werk waren. Ik riep tegen de mensen: “kijk mensen, dit is de grote toewan, die jullie laat werken en zelf niets wenst te doen!” Allemaal stonden ze stil en staarden de luiwammes met open mond aan. Ineens brak er een gejoel los van vreugde, want ze wisten wel dat deze snaak altijd liever lui dan moe was. Maar zoals dat gaat hadden ze zich nimmer openlijk bij mij over hem beklaagd. Dat doet een Soendanees niet.

Uur na uur heb ik de lijntrekker latten zitten terwijl zijn vrienden zingend verder werkten. Dan gaf ik altijd een kwartiertje pauze om thee te drinken en een strootje te roken. Bij die gelegenheid liet ik twee van de jongste plukstertjes de man een beker thee brengen, want hij was immers de grote meneer, die niets hoefde te doen? De kerel schaamde zich zo verschrikkelijk voor zijn dorpsgenoten dat hij mij smeekte om weer mee te mogen doen met de werkende mensen. Hij zou voortaan niet meer lui zijn, daar kon ik op rekenen. Nou, na een paar uur heb ik hem weer losgelaten te midden van de werkende vrouwen en mannen, die een luidkeels vreugdegegil aanhieven toen hij weer in hun midden verscheen. Paarsrood van schaamte hervatte hij zijn werk maar hij heeft nog heel wat schimpscheuten van zijn kornuiten moeten aanhoren voordat hij alles weer vergeten was. Ik kan u echter verzekeren dat de kerel een van mijn allerbeste koelies is geworden die ik na en paar maanden tot voorman heb gebombardeerd. Kijk, dat bereikte ik met mijn wijze van omgaan met dessamensen, maar dat kost ervaring en verdraagzaamheid. Het zijn mensen waarmee men moet werken en geen dieren. Zonder hen bereikte ik niets maar had wel altijd de grootste plukopbrengst en het meeste werkvolk.

Daarbij kwam nog, dat het niet altijd een bezadigd en oud opzichter hoefde te zijn om de orde in een troep werkvolk te handhaven. Ook onder hen waren er die ondankt hun leeftijd verkeerd optraden. Knorrig waren en vlug liepen te bulderen en te vloeken. Ik behoorde tot een van de jongste tuinopzichters en het is mij opgevallen dat ‘jonkies’ bij de koelies vaak gewilder zijn dan de oude toewans. Men werkt in de kebon vaak liever onder een ‘djoeragan anom’ dan onder een ‘djoeragan sepoeh’ met welke laatste de oude bazen worden bedoeld.

Waardering en dankbaarheid
Mijn vrouw, ik was net een paar jaar getrouwd, had de gewoonte om op gezette tijden de vrouwen in de pondok (huisjes voor het plantagevolk) te bezoeken en hen de nodige medicijnen en verband te brengen. Aspirine en kinine waren altijd zeer welkom en de mensen waardeerden deze hulp van de ‘djoeragan istri’ (mevrouw) zeer. Uit zichzelf verlieten vaak koelies hun werk in de theetuinen en als ik dan vroeg waar ze heen gingen, kreeg ik te horen: ‘ik ga mevrouw bij u thuis helpen met water halen of wassen’. Dan liep zo’n vrouw of man een half uur naar beneden, want ik had mijn huis in het dal liggen en deed uit zichzelf allerlei werkjes. Allemaal uit waardering en dankbaarheid omdat wij ook veel voor hen deden.

Ik had thuis bijvoorbeeld geregeld een paar grote zakken houtskool nodig om op te koken en dat werd in de bossen gemaakt. Dan ging een van mijn koelies weer uit zichzelf op pad naar Tjisaroewa, zo’n drie kwartier lopen, en sjokte dan door drie ravijnen, beladen met de zakken houtskool, terug.

Mijn oudste dochtertje was toen een jaar op twee en wilde wel eens bij mij, boven in de tuinen kijken. Dan was het mijn vertrouweling, de koelie Darta, aan wie mijn vrouw de kleine meid toevertrouwde en die haar dan bovenop zijn schouders de tuinen in droeg. Darta, gewapend met een gevaarlijke golok (kapmes) droeg dan het aan hem toevertrouwde kind van zijn toewan de bergen in, dwars door de rimboe en ik verzeker u, dat geen mens er over dacht om de kleine ook maar iets aan te doen. Darta had zich dood gevochten, want was voor geen kleintje vervaard.

Een goede verstandhouding
Zo heb ik vele voorbeelden van alles waarin wij ten alle tijden op de hulp van het Soendanese werkvolk konden rekenen. Er was wederzijds een zeer goede verstandhouding en ik kan me nu op het moment dat ik dit alles schrijf, niet voorstellen dat nog geen twintig jaar later, ditzelfde volk, opgezweept door de ‘merdeka’ en het revolutionaire gebrul van hun leiders, onze vijand zou zijn. Nog steeds geloof ik niet dat de kleine man, waarover ik hier boven schrijf, mij als vijand beschouwde, maar slechts uit angst voor wraak mee deed met alles dat tot het ontstaan van de ‘Repoebliek Indonisia’ leidde. Ik weet zeker, dat zij, die nog leven, daar boven in de bergen van het Soendaland en niet gevallen zijn in de moordende strijd voor hun ‘merdeka’ (onafhankelijkheid), nog wel eens terug denken aan als dat gene wat zij met ons samen meemaakten. Het is al te lang geleden en de herinneringen zijn vervaagd, maar stellig zal er in de gedachten van de thans oude mensen, iets naar boven komen dat herinneringen oproept aan die ‘djoeragan anom’ en zijn ‘djoeragan istri’. Ik zelf ben de mensen daar, ver weg van hier, niet vergeten. Tenslotte vochten ze voor hun vrijheid en dat deden wij Nederlanders destijds ook.

Mooie meisjes
Maar laat ik verder gaan met het dagelijks leven in de dessa en de plantage. De plukstertjes; er waren hele jonge bij, stonden onder het plukken van de theeblaadjes tot aan hun middel in het natte gebladerte van de heesters zodat hun sarongs op hun onderlijf geplakt zaten en hun lichaamsvormen in alle schoonheid deed uitkomen, want er waren onder het vaak zeer jeugdige volk, ware schoonheden en menig jong plantertje kon de verleiding dan ook niet weerstaan een dergelijk wezentje tot zijn huishoudstertje te nemen. Het was in die jaren bekend, dat onder de Soendanese vrouwtjes de beeldigste snoetjes voorkwamen. Hun vaak zachtgetinte huid, de fijn besneden gezichtjes met een ietwat spits neusje en de sierlijk handen en vingers, deed vaak hun afkomst vermoeden, namelijk van een westerse inslag.

Een aangename verassing
Eens kreeg ik een stel nieuwe pluksters in dienst omdat enkele oudjes wegens bevalling of om andere redenen niet meer aan het werk konden deelnemen. Ze kwamen uit de niet ver afgelegen dessa Prompong bij Tjisaroewa. Het waren gewone vrouwtjes, net als de andere, maar er was er één bij die ik al enkele dagen had geobserveerd. Het was een nogal tenger vrouwtje, niet mager en klein, maar wat wij mannen pleegden te noemen ‘mollig gevuld’. Haar gelaatskleur was formeel blank, als een melattibloempje. Het haar was golvend zwart en kleine krulletjes drappeerden haar slapen. ‘Dit kon geen zuivere Soendanese zijn’ dacht ik en riep haar op een zonnige dag bij mij. Onderdanig kwam ze naar mij toe in bijzijn van mijn mandoer (inheemse voorman) en ik vroeg haar in het Soendanees waar ze woonde en hoe ze heette. De mandoer stond, alles al wetende, met een uitgestreken smoelwerk te grijzen en hing de onschuldige zelf uit. Wie schetste mijn verbazing toen ik in het zuiverste Nederlands te horen kreeg: “ja meneer, ik ben eigenlijk de dochter van meneer Ungermanns van de plantage Padalarang en ben op school geweest op de Hollands Inlandse School. Mijn vader was niet met mijn moeder getrouwd, want zij was ook een Soendanese plukster en hij heeft mij nooit als zijn dochter erkend. Erg jammer mijnheer, maar mijn vader is toen ik veertien jaar was, gestorven aan de pest. Er wat toen in de kampong bij ons veel pest en veel mensen zijn gestorven. Ik heb al lang van u gehoord. U bent goed voor de mensen en heb ook wel gezien dat u vaak verwonderd naar mij stond te kijken…’

Ik wist werkelijk niet wat ik hoorde en heb staan kijken of ik het in Keulen hoorde donderen. Ik verwachtte zoiets niet hoog in de bergen op een verlaten plantage waar je bijna geen Hollands hoorde. Daar stond voor mij een half Europees meisje, gekleed in een sarong en een gebloemd baadje. Op blote voeten en een doek over het hoofd stond ze me lachend aan te kijken alsof ze wilde zeggen: ‘daar sta je van te kijken he’. En ja, ik was zeer verbaasd, maar had wel iets kunnen vermoeden. De mandoer stond er maar glimlachend bij, keek mij aan en veegde, z’n wenkbrauwen iets optrekkend, zijn hoofd af. Met deze confrontatie was ik wat verlegen en wist niet goed wat ik verder zeggen moest. Zoiets overviel mij op een geweldige manier. Verlegen lachend vertrok ze weer en voegde zich weer tussen de andere vrouwen, die haar vroegen wat er tussen haar en mij was gesproken. Ik zag ze lachen, want Soendanese vrouwen lachen altijd. Ze had het liefst gehad, dat ik niets in de gaten had gehad en dat ik ook niets had opgemerkt want ze was helemaal opgegaan in de dessagemeenschap en berustte in haar lot.

Geruime tijd werkte ze nog in de theetuinen, doch op een gegeven dag zag ik haar niet meer. Van haar vriendinnen vernam ik dat ze kennis had gekregen aan een jonge Soendanees die werkzaam was in het zendingshospitaal Emanuel in Bandung. Door zijn toedoen kwam zij daar ook te werken in de keuken en liet ook haar Soendanese moeder uit de dessa Prompong overkomen. Ook zij kreeg een baantje in de keuken van het hospitaal zo vertelden mijn pluksters mij.

Een bijzondere uitnodiging
Op een avond, het was reeds aardedonker, zat ik bij mijn petroleumlamp “Made in Hong Kong” de Java Bode van een week oud te lezen toen ik buiten, in het duister iemand door het grint hoorde schuifelen en zacht hoorde kuchen. Door het schijnsel van mijn lamp kon ik niet zien wie zich door middel van deze onderdrukte hoestbui aan wenste te kondigen. Toen ik vroeg wie daar was, kreeg ik op mijn: “Saha té téhhh???” het geijkte antwoord: “adbiii djoeragan…” hetgeen betekende “ik”. Alsof ik meteen begrepen had wie ‘ik’ dan wel was, nodigde ik de persoon uit om maar binnen te komen in mijn voorgalerijtje van bamboe. Het was een van mijn hoofdkoelies die in half gebukte houding, zijn rechter arm met zijn linkerhand ondersteunend en de duim iets vooruit gestoken, mijn van bamboe repen gevlochten vloerbedekking betrad en met gekruisde benen in de deuropening ging zitten. Mijn bediende bracht hem een kop pikzwarte koffie met veel suiker en ik gaf hem een sigaar van zogenaamde bevolkingstabak. Als je zo’n sigaar opstak, kon je er de donder op zeggen dat er geen muskiet in velden of wegen te zien was.

Langdurig zat de man, Madlia genaamd, mij op te nemen alvorens hij van wal stak. Er kwam maar niets en ik dacht zoals altijd: ‘bedaardheid en kalmte is des poedels kern’. Dus zweeg ik ook. Eindelijk kwam het er uit. Het kwam hier op neer, dat hij was gekomen om mij en mijn vrouw, de djoeragan istri, namens alle koelies uit te nodigen op een rammen- en hanengevecht, welke heugelijke gebeurtenis de volgende dag plaats zou vinden na het werk en of ik het goed zou vinden dat men twee uur eerder naar huis kon gaan, want zo zei hij: “de rammen moesten nog gemasseerd worden en de hanen nog gebaad.”

Ik deed of ik er heel ernstig over moest nadenken en gaf na lang en zwaar gedacht te hebben mijn toestemming onder voorwaarde dat er de volgende dag twee uur moest worden ingehaald. Ik kon aan de mans tronie zien dat hem dat niet zo erg welkom was, want de dagtaak was al zo lang. Weer begon ik mijn wenkbrauwen te fronsen en zwaar na te denken en naar de lucht te kijken. Dat maakte enorme indruk, dat wist ik, en beloofde de man dat als de volgende dag de opbrengst nat blad, meer dan normaal zou zijn, ik de twee uur niet zou rekenen. Maar, dan moest er goed en ijverig geplukt worden.

Ik dacht dat de man een flauwte kreeg van dankbaarheid want met samengevouwen handen tegen zijn gezicht zei hij keer op keer: “Noehoen koelan, seriboekali noehoen.” Dat betekende: “dank u meneer, duizend maal dank.” Toen slurpte hij zijn zwarte koffie van het schoteltje en vertrok, achteruit lopend in half gebukte houding. Aan het gloeiende uiteinde van zijn sigaar zag ik hem in de duisternis terug gaan alwaar hij het grote nieuws huis aan huis ging vertellen. De volgende morgen waren de mannen en pluksters reeds een uur eerder in de tuinen. Dat kwam nooit voor, want altijd stonden de mensen te wachten tot ze mij het dal uit zagen komen en liepen dan met mij mee naar boven. Dat waren ze altijd zo gewend geweest. Nu echter waren het maar een tweetal vrouwen die met mij meeliepen en vertelden dat ze alles al gehoord hadden. Nieuwtjes werden altijd heel snel in de pondoks verspreid.

De voorbereiding kon beginnen
Om half drie liet ik de mensen ophouden. Eerder dan ik beloofd had en ieder rende de theetuinen uit op weg naar huis om hun mooiste baadjes aan te trekken. Onder het naar huis lopen zag ik dat men onder een afdak reeds een bamboe podium had opgetrokken waarop een klein gammelangorkestje moest plaats nemen. Enkele mannen en een naburige dessa stonden reeds te babbelen over allerlei zaken de wedstrijd aangaande. Ook mijn vertrouweling, Darta, die altijd haantje de voorste was bij zulke evenementen en zich verantwoordelijk voelde voor de orde, zag ik rondlopen.

Toen ik me thuis had omgekleed en ten tonele verscheen, begon de gammelang een soort welkomstmelodie te spelen. Er werd danig op de gendang (een soort trom, bespannen met geitenvel) en de gong geslagen. De toeschouwers, mannen, vrouwen en kinderen zaten en stonden onder het afdak en de domba’s, de rammen, waren reeds aan strakgespannen touwen gebonden en stonden alsof ze wisten wat er ging gebeuren, met het wit in de ogen naar elkaar te kijken.

Bloederig gevecht
Een knal van een vuurwerkstuk kondigde de eerste vechters aan. De dieren werden losgemaakt en door hun baas aan de achterpoten vastgehouden. Ineens kwamen de dieren los en stormden op elkaar in. Met gebogen koppen klapten ze tegen elkaar. Het leek of de schedels zouden barsten. Dan liepen ze langzaam weer een paar meter terug en weer stormden ze op elkaar af. De keiharde slagen van de benige schedels die tegen elkaar ramden waren niet om aan te horen. Ik kreeg er zelfs pijn van in mijn hoofd, maar de omstanders vonden het prachtig. Weer vloog het stof omhoog en weer kletsten de koppen tegen elkaar. Er kwam geen eind aan. Dan ineens stonden de dieren op hun achterpoten, de kop iets gebogen en dan volgden weer zo’n verschrikkelijke klap. Ineens zag ik een van de dieren uit de neus bloeden. Het was de verliezer… Het beest werd door zijn baas op de rug geworpen en de neusgaten met opgerold bananenblad dicht gestopt.

“Zo”, dacht ik “nu zal het wel afgelopen zijn dat geduvel”, want ik had er meer dan genoeg van, maar nee hoor. De winnaar moest het opnieuw opnemen tegen een dier met zwarte vlekken, dat al hevig bevend en trillend op zijn poten stond te wachten tot hij zijn tegenstander te lijf mocht gaan. Hoewel ik het een vreselijke vertoning vond, bleef ik tot het einde aanwezig, maar ik was wel blij dat ik mijn vrouw niet had meegenomen. Die was stellig van haar stokje gegaan.

Bij het derde gevecht, waarin alweer de allereerste winnaar het op moest nemen tegen de kampioen van een naburige dessa, legde hij het loodje. Het bloed spoot uit een wond en het dier lag trillend in het zand. Ik weet het niet, want ik ben een leek op het gebied van dergelijke wedstrijden, maar ik vermoedde dat het dier een barst in de schedel had opgelopen. Plotseling stoof een man met een vlijmscherpe golok (kapmes) op het beest toe en sneed het nog voor het de geest had kunnen geven, de strot door. Immers een dier moet geslacht worden voordat het dood is. Enkele jongens sleepten het geslachte dier weg om in stukken te worden gesneden. Het vlees, zo hoorde ik later, werd onder de omstanders verdeeld. Ik was blij dat alles afgelopen was, want voelde me allesbehalve prettig.

Gewoontegetrouw heb ik een geldelijke bijdrage aan de ‘organisatoren’ van de spelen gegeven en ben, zonder het hanengevecht nog te hebben bijgewoond, huiswaarts gekeerd. Onder het lopen dreunden de trom- en schedelslagen bij elke voetstap nog in mijn hoofd na, maar ik had voldaan aan het goedgemeende gebaar van uitnodiging van mijn werkvolk, die de komst van hun toewan op zulke gelegenheden altijd zeer op prijs stelden. Dus wat doe je dan? Komen natuurlijk! Ik had me wel afgevraagd hoe mensen die soort evenementen glashard kunnen aanzien en er niet beroerd van worden. Maar hetzelfde is het bij de stierengevechten in Spanje, waar ook vrouwen en meisjes in volle extase naar zitten te kijken.

Binonenpest
De volgende ochtend was mijn werkvolk reeds in de tuinen toen er een man op een drafje het bergpad af kwam rennen met het bericht dat zijn vrouw vreselijk ziek was. Of ik direct ‘obat’ voor haar had. Obat is namelijk medicijn. Aangezien ik niet wist wat de vrouw had, ben ik mee gegaan en moest gebukt het kleine kamponghuisje betreden. Daar lag op een bamboe bank een balé-balé, de vrouw van de man. Haar tong was blauwzwart en onder haar armen zaten grote builen, terwijl het mensje gloeide van de koorts. Direct dacht ik aan de pestziekte die hier op gezette tijden heerste. Met een briefje gekrabbelt op een velletje uit mijn notitieboekje heb ik haar man op een paardje naar Lembang gestuurd, waar de Wedana (districtshoofd) zetelde. Deze heeft direct gezorgd dat de vrouw bezoek kreeg van een inheemse arts, een zogenaamde dokter djawa. Deze constateerde, zoals ik al had gedacht de gevreesde binonenpest. Het is een ziekte die vooral in de bergstreken overgebracht wordt door de vlo welke op ratten leeft.

Bange dagen
In een draagstoel, getorst door vier koelies is in 1937 mijn eigen vrouw, door diepe ravijnen, met dezelfde ziekte naar Lembang gebracht van waaruit ze per ziekenauto naar Bandung werd vervoerd. De bibonenpest had ook haar aangegrepen en het was een dubbeltje op z’n kant geweest of ze was er aan bezweken. Dankzij Professor Thierfelder en Dr. Bonebakker van het Zendingshospitaal is ze van deze veel voorkomende ziekte genezen, maar moest wel een dikke maand in het hospitaal blijven. Met mijn twee kleine dochtertjes, van drie en één jaar, bleef ik op de plantage en het was mijn vrouwelijke bediende en haar man, die de twee meisjes hebben verzorgd want ik zelf moest overdag in de tuinen zijn en kon slechts om de andere dag naar Bandung om mijn vrouw in het ziekenhuis te bezoeken. Dan kwam ik ’s nachts thuis. Strompelend door de diepe ravijnen en struikelend en vallend over losse stenen en boomtakken. Dat was een vreselijk angstige periode in mijn overigens zo rustige bestaan. De pestbestrijdingsdienst uit Bandung is toen op de plantage gekomen met allerlei middelen voor ontsmetting. De kinderen en ikzelf kregen een grote dosis serum ingespoten en mijn huis werd van onder tot boven op ratten onderzocht. De dieren huizen namelijk altijd in de holle bamboes en hebben daar hun nesten met jongen. Alles werd dichtgestopt en ontsmet. Ook mijn werkvolk werd ingeënt tegen de ziekte.

Na verscheidene weken van spanning kwam mijn vrouw weer thuis. Weer in een draagstoel, door de modder van de zware regens, het tweetal ravijnen door. U kunt zich voorstellen hoe een moeder zich voelde bij het weerzien van haar twee kleintjes, die haar na al die tijd niet meer herkenden en ‘ma’ zeiden tegen de bediende, die hen al die tijd had verzorgd. Nee, het buitenleven is heerlijk. Ook de eenzaamheid, maar je moet niets mankeren of ziek worden.

De vrouw die zo ziek in het kamponghuisje lag, is ook naar Bandung vervoerd, maar is jammerlijk overleden. Ze had al te lang met de ziekte rondgelopen. Nu, op het moment dat ik dit verhaaltje schrijf, zal alles wel anders zijn, maar in de jaren dertig was alles nog erg primitief. Als er dan een dode in de dessa was, werd er aan het huisje een geel papieren vlaggetje gehangen zodat de ‘dokter’, die meestel op een paardje kwam, kon zien waar hij moest zijn om de dood te constateren.

De geboorte van een kind
Bij de geboorte van een kind, werd vaak de tuinopzichter onder wie de bevallende vrouw altijd had gewerkt, gevraagd om bij de geboorte aanwezig te zijn. Ik heb dit eenmaal meegemaakt toen een van mijn pluksters het leven schonk aan een zoon. Uren van te voren zat ik reeds op een matje in hun kleine bamboehuisje en dronk de ene beter hete thee na de andere in gezelschap van de man en andere familieleden.

Een heel stel oude vrouwen zaten binnen in het half duister met schoteltjes cocosolie de buik van de zwangere vrouw in te smeren en prevelden allerlei zinnen. Een potje wierrook zorgde voor een spannende en geheimzinnige sfeer terwijl verscheidene kippen telkens probeerden het aangrenzende keukentje binnen te glippen om daar de op de grond gevallen etensresten op te pikken.

Al keuvelende zat ik daar met gekruisde benen op het matje in gezelschap van enkele van mijn werklieden de hete, zoete thee te slurpen. Dat slurpen hoorde er bij, want dat deed de gastheer ook. In een hoekje van het op paaltjes staande voorgalerijtje  lag een magere kamponghond te slapen. Opgerold lag het dier daar in al z’n magerte. De ribben staken door z’n lijf en hij droomde denkelijk van allerlei lekkers want trilde zo nu en dan met zijn oor.

Plotseling hoorde ik de oude vrouwtjes die binnen op de grond om de bevallende  vrouw heen zaten schel kakelen. Het deed me denken aan een hok met kippen die ruzie met elkaar hadden. Het kindje was ter wereld gekomen en een doekoen, een soort medicijnvrouw begon te prevelen en het kindje te wassen. Alles speelde zich af in een hokje van nog geen drie meter in het vierkant en in het half duister.

Op eens werden er grote pisingbladeren met allerlei etenswaren zoals rijst, gebraden stukken goudvis en vlees rondgedragen en ieder van ons kreeg zo’n maal aangeboden. De bevalling was voorspoedig (dengan selamat) verlopen en een dag later zag ik de vrouw reeds bij de brond, de pantjoeran, een bad nemen en kleren wassen. Voor een westerling haast onbegrijpelijk.

Met ‘verlof’ naar huis gestuurd
Vaak heb ik meegemaakt dat hoog zwangere vrouwen nog in de tuinen thee plukten. Het was een naar gezicht zoiets te moeten aan zien. Dan wrong zo’n mensje zich met haar dikke lichaam tussen de natte heesters door had de grootste moeite haar medewerksters bij te houden. Allemaal om toch vooral niet die paar plukcenten te missen, want die waren hard nodig. Zodat dat ook maar iemand het wist, stuurde ik zo’n vrouw een paar dagen naar huis doch betaalde haar wel uit. Dat mocht natuurlijk niet, maar de plantagedirectie in Nederland zou van die paar guldentjes niet armer worden. Zoals dat in Indië ging, werd hierover niet gepraat. Het werkvolk was toch al onderbetaald en er werd op andere wijze genoeg geld over de balk gesmeten.

Zowel met het aannemen van werkvolk, het inkopen van stalmest, bamboes en tuingereedschap alsmede het uitbetalen van de mensen had ik volledig de vrije hand en bepaalde wie er voor een extraatje in aanmerking diende te komen. Een dergelijke handelswijze kwam de plantage eerder ten goede dan dat er schade van werd ondervonden. Het werkvolk was met deze kleine extraatjes erg geholpen en wat kostte het nu nog? Het was de moeite niet vergeleken bij de duizenden die door derden in eigen zak werden gestoken.

De geboorte van mijn jongste dochter
Het kon raar toegaan daar in de rimboe, want ik herinner me de dag dat ik met een groot aantal koelies aan een bosontginning tegen de berghellingen bezig was, toen ik een stipje in de verte zag aankomen. Het was een man uit de buurt van mijn woonhuis beneden in het ravijn. Op een klein bergpaardje draafde hij naar boven om me te melden dat mijn vrouw moest bevallen van mijn jongste dochter en dat er reeds verscheidene vroedvrouwen bij haar waren.

Als een haas ben ik op het paardje van de boodschapper gestegen  en in een draf naar beneden gereden. Thuis gekomen zag ik reeds vele vrouwen uit de dessa in de tuin staan en binnen lag op de grond, op de bamboevloer mijn vrouw. Om haar heen zaten zoals dat in die streken hoorde, drie Soendanese oude vrouwen met allerlei wrijf- en smeermiddeltjes. Een van die oude wijfjes stelde mij gerust en riep maar steeds dat het zo gebeurd zou zijn. “Sekeudeung deuj bidjil djoeragan” riep ze maar telkens. Dat wilde zoveel zeggen als “meneer, het kindje komt zo op de wereld.”

Op een draagstoel de ravijnen door
Deze hele situatie kon ik niet langer aanzien, want er kwam niets er gebeurde niets. Zo kon dat niet langer duren en ik stuurde een koelie te paard de twee ravijnen door naar Lembang alwaar ik het verzoek liet doen aan de Wedana om een transportauto gereed te houden bij de ingang van de plantage , want dat ik met mijn vrouw binnen een uur aldaar zou aankomen. Aan een gewone stoel een paar bamboes gebonden en zo werd mijn vrouw, zittend onder een regenjas, door vier koelies de ravijnen door gedragen. Hijgend en zwetend kwamen we bij de ingang van de plantage aan alwaar een oud Fordje gereed stond. Zo belande mijn vrouw na een uur of twee sjouwen en zwoegen in het ziekenhuis in Bandung, waar pas drie dagen later mijn dochter werd geboren.

Thuiskomst
Toen de dag was aangebroken dat mijn vrouw weer naar huis mocht met de baby, stonden in de vroege morgenuren de vier koelies al aan de grote weg. Met de draagstoel die al eerder dienst had gedaan om mijn vrouw een paar weken te voren weg te brengen, stonden ze daar geduldig te wachten, toen ze de auto uit Bandung zagen aankomen waarin mijn vrouw, de pas geborene en ik zaten. Het regende pijpestelen en het was kil. Dikke wolkenslierten dreven het ravijn in en het het met grove steenbonken bezaaide bergpad leek het een modderpoel.

Druipnat liep ik naast de draagstoel welke door de vier koelies werd getorst. Heel voorzichtig om vooral niet uit te glijden, daalden we het ravijn in. Mijn vrouw met de kleine in haar armen, gezeten onder een wijde rubber regenjas, stond natuurlijk doodsangsten uit, maar ze bleef droog. Een ander vervoermiddel dan waarin ze op dat moment zat, namelijk de draagstoel, kon hier niet komen. De weg was te stijl en te slecht en… te gevaarlijk bovendien. Beneden in de diepte van het eerste ravijn, waar een houten bruggetje over een riviertje lag, hebben we uitgerust. De hevige slagregen was opgehouden, maar het druppelde nog wat. Alles was mistig en de snel door ‘het gat’ drijvende wolken waren grijswit.

Thuis in mijn bamboe planterswoninkje, had de bediende reeds voor hete koffie, thee en warme rijst met gerechten gezorgd. Geholpen door vrouwen uit de tuin, was alles zo goed als het kon in gereedheid gebracht en als welkom voor moeder en kind werd er in het midden van mijn woning een dankoffertje gebracht in de vorm van wat rijst en wierrook. Dat hoorde zo en ik had het maar goed te vinden. Zo ging dat een dikke vijftig jaar geleden in de eenzame omgeving van Lembang boven Bandung.

Wanhopige pogingen de vijand tegen te houden
In de jaren dat Japan Indië  bezette en vreselijk had huisgehouden, ook in de eenzaam afgelegen oorden, veranderde alles. Grote hoeveelheden oorlogstuig dat de Japanse legers mee hadden gebracht, rolden ook de bergen van het Soendaland binnen op weg naar de bergstad Bandung. Ons eigen leger, dan wanhopig pogingen deed om de vijand tegen te houden, had verscheidene onderdelen liggen in de beboste hellingen van de Tanguban prahu en in de ravijnen die mijn woning en de plantage scheidde van de grote weg. Ten tijde van de inval van de Japanners was ik reeds weg van hier en lagen in een van de ravijnen, bij het houten bruggetje over het riviertje tjihaseum, enkele peletons militairen van ons leger, het KNIL.

Een verloren strijd
De uit het noorden oprukkende Japanners, op weg naar Bandung moesten hier in het eens zo vredige ravijn slaags zijn geraakt met een groep Hollandse militairen onder leiding van een sergeant. Het waren allemaal jongens die voor hun nummer waren opgeroepen, zogenaamde militiens, die hier in de modder de dood vonden. Onervaren jonge soldaten, pas enkele weken onder dienst, jongens van een jaar of achttien, toevertrouwd aan de leiding van een beroepssergeant, vielen hier in een ongelijke strijd. Kamponghuisjes, boven aan de rand van het ravijn, waar ook mijn oude woning lag, waren leeg. Het volk was naar elders gevlucht. Alles werd platgebrand en het land waar ik eens zo vredig en eenzaam leefde, veranderde in een zwartgeblakerde wildernis. Alles was voorbij. In het ravijn hebben de lijken van de gesneuvelde militairen volgens verhalen van een van mijn gewezen koelies nog weken gelegen. Verscheidene, zo vertelde hij mij waren onthoofd.

Zo veranderde een vreedzaam oord, ver weg van de drukke wereld, in korte tijd in een onherkenbare omgeving. Nu, op het moment dat ik dit schrijf, zullen de vogels in het ravijn weer fluiten, zal de krater van de vulkaan weer grommen en het Tjihaseum-riviertje weer gewoon, net als vroeger, naar omlaag stromen. Het bloed van de gesneuvelde KNIL-soldaten onder leiding van hun sergeant, kleurde eens het water rood. Bloed van jonge kerels, die graag wilden leven, vloeiden ook op dit kleine plekje van Indië nutteloos en ik vraag me af hoe men van zulke jonge mensen kan zeggen dat zij vielen als helden. Als dappere helden.

Droefenis en ellende
Nee, het waren geen helden evenmin als wij allen. Zij waren ook net als u en ik bang voor de dood. Ik zweer u dat men geen dappere held is als men in de modder en onder het bloed ligt te sterven. Is een jonge soldaat een held als hij bloedend in het slijk ligt dood te gaan, vreselijk gewond en pijnlijdend om zijn moeder gilt? Al deze jonge mensen, waar ter wereld zij ook vielen, waren doodsbenauwd en bang voor de dood. Maar wij noemen hen helden die voor het vaderland hun grootste goed brachten. Ze wilden niet, maar werden er toe gedwongen. Een oorlog is iets misdadigs.

Met deze hierboven als slot aangehaalde droeve regels van mijn verhaal over het leven op de plantage in de bergen van het Soendaland, eindig ik. Een leven dat voor mij begon in vrede, in eenzame rust en liefde voor land, natuur en volk, doch dat jammerlijk enkele jaren later eindigde in een periode van droefenis en ellende.

herinnering, theeplantage Soekamara, Pudu, Kabupaten Sukamara, Midden-Kalimanten, Indonesië

Jouw verhalensite met verhalen over Indonesië. Oude en nieuwe verhalen. Om te lezen, maar ook om zelf te publiceren. Doe mee en beleef mee!