Het land van Midden Java – Djokjakarta

door:Lodewijk de Geer Boers | 27 maart 2012 |Cultuur, Historisch

Meer dan dertig jaar heb ik gewoond in het voormalige Nederlands Oost Indië en kwam als kind in 1920 met mijn ouders op Java aan. Vele delen van het enorme eiland heb ik in alle uithoeken mogen bewonderen. Reeds op jeugdige leeftijd sprak ik Maleis en Soendanees en kende de adat van de bevolking voor wie ik een grote belangstelling had. Vooral de geschiedenis van de Oost Indische Compagnie boeide mij zeer en het was de stad Batavia, het huidige Djakarta, waar ik nog vele objecten aantrof die herinnerden aan de tijd van de V.O.I.C. hier haar scepter zwaaide. Vele gebouwen, straatjes en grachten getuigden nog van de aanwezigheid van de eerste Hollanders. Ruïnen uit de allereerste jaren (1602), toen J.P. Coen aan de bouw van de stad Djakarta begon, lagen nog her en der in het landschap om de stad heen verspreid.

Vorstenlanden
Hoewel mij dit alles uitermate boeide, waren er op Java, voornamelijk in het Midden-Javaanse land, veel en veel oudere herinneringen aan een grote beschaving die de Hindoes daar brachten, met name in en om de stad Djokjakarta, gelegen in een streek welke werd aangeduid met de naam ‘Vorstenlanden’.

Op latere leeftijd kwam ik in de gelegenheid mij in het centrum van Midden Java te vestigen namelijk in de vorstenstad Djokjakarta. De stad van de Sultan en de kraton, de stad met zeer oude ruïnes, huizen en tempels. Nimmer heb ik kunnen vermoeden dat deze omgeving mij zo intens zou kunnen boeien, want men had mij in West Java verteld dat het er overal een smerige boel was en dat het volk somber en stuk was. Men vertelde dat het er sinister was en alles geheimzinnig. Dat het volk er als slaaf rondom het paleis van de sultan, de kraton, in armoede leefde. Meer dan dit wist ik niet van deze landstreek en vertrok midden 1940 met een onzeker gevoel met mijn gezin naar mijn nieuwe standplaats. Ik vroeg me af wat deze overplaatsing mij zou brengen en of ik het daar wel zou uithouden te midden van een arm en sober volk.

Aanpassen aan een sombere omgeving
De eerste weken van mijn verblijf in deze stad, waar ik een oude, grote woning kreeg toegewezen, bevielen mij alles behalve goed en ik maakte reeds aanstalten mijn biezen weer te pakken en naar West Java terug te keren. Op een onverklaarbare wijze, verdwenen mijn plannen om van hier weg te gaan plotseling en maakte plaats voor een gevoel van berusting. Ik moest mij schikken in de omstandigheden en proberen interesse op te brengen voor dit land met een heel ander aanzien, met een heel andere bevolking en met heel andere gewoonten dan waaraan ik in West Java gewend was.

Het duurde dan ook niet lang voor dat ik geheel in de ban was geraakt van alle interessante dingen die deze omgeving mij bood. Ik wilde hier niet meer weg en benutte elke gelegenheid die zich voordeed om naar buiten te gaan, de suikerrietvelden door, op weg naar de oude Hindoe-tempels en de ruïnes daarvan.

Jaren had ik hier kunnen blijven als niet de Japanners mij in een gevangenkamp hadden opgesloten en mij uiteindelijk naar het bergplaatsje Tjimahi (Chimahi) in West Java transporteerden om me daar enkele jaren gevangen te zetten onder verschrikkelijke omstandigheden.

Uit het verre verleden
Van mijn langdurig verblijf in de tropen heeft mij dan ook Midden Java op geschiedkundig gebied het meest geboeid. Het volk en de leefwijze miste echter wel de luidruchtigheid van de vrolijke Soendanees in West Java die temidden van zijn goudgele rijstvelden en blauwe bergen leeft. De Javaan leefde in een zweem van geheimzinnigheid, sagen en legenden uit het verre verleden. Te midden van oude tempelruïnen leefde hij een eigen leventje, omringd door de geur van offerbloemen, wierrook en de kretekstrootjes.

Geboren vijanden
In de Soendalanden van West Java kon hij het dan ook nooit uithouden, vooral niet in de bergstreken, te midden van het Soendanese volk. Evenmin zou een Soendanees het lukken zich in Midden Java te vestigen. Min of meer staan deze landslieden vijandig tegenover elkaar en dat bleek mij overduidelijk toen ik eens op de plantage waar ik in de theecultuur werkzaam was, een Javaanse man als koelie had aangenomen. De man had al weken door de Soendalanden gezworven op zoek naar werk, dat hij in Midden Java niet vond. Hij had op last van een Chinees uit Kediri koeien naar Bandung gebracht en was hier wegens gebrek aan geld maar blijven rondhangen. Bij zijn omzwervingen was hij de bergen in getrokken en bij mij op de plantage aangeland. Uit medelijden heb ik heb aangenomen en hem ingedeeld tussen mijn andere Soendanese werkvolk.

Ik had mijn mensen van dit alles in kennis gesteld en hen verzocht zich ietwat menselijk tegenover deze man op te stellen en hem te accepteren als een van hen zelf. Allen hadden ze ‘semoehoen’ staan knikken hetgeen zoveel wilde zeggen als ‘zeker, natuurlijk’, maar er kwam niets van uit. De man had geen leven en werd op allerlei manieren door het jonge vrouwvolk dat in de tuinen de theeblaadjes plukte, getreiterd en geplaagd.

Terug naar zijn land
Als snel voelde de man dat hij hier niet geliefd was en smeekte mij om terug te mogen gaan naar zijn land, Midden Java. Hij vroeg mij op onderdanige toon, hem zijn loontje uit te betalen opdat hij de lange reis van zo’n zevenhonderd kilometer per trein kon betalen. In die tijd was dat zo’n gulden of vijf. Voorwaar een enorm bedrag voor zo’n stakker. De reis heb ik voor hem betaald en toen hij met z’n bundeltje kleren en wat huisraad in de vorm van een paar pannen en potten, hangende aan een lange pikoelan (draagstok), op pad ging, dankte ik de hemel dat hij was vertrokken. Vermoedelijk heeft hij het door mij gegeven reisgeld in zijn eigen zak gestoken en is lopend naar zijn geboorteland getrokken. Vijf gulden was veel geld, heel veel geld en daar kon hij zeker een maand van leven, maar dan was hij al lang thuis.

Na zijn vertrek polste ik mijn eigen werkvolk eens over dit geval en kreeg te horen dat ik beter een grote slang in een kippenhok kon stoppen dan een Javaan tussen Soendanezen te plaatsen… Ik had het kunnen weten, maar handelde uit medelijden. Het komt echter ook wel voor, dat in bepaalde streken, onder andere in het Cheribonse, de Javaan broederlijk naast de Soendanees leeft en dat een Javaan een Soendanese vrouw heeft of omgekeerd.

Het went…
Dat men, althans ik, in het begin, walgt van de grote blauwe bromvliegen die om de gedekte tafel heen zoemen, is een kwestie van wennen. Dat men raar staat te kijken als men ’s morgensvroeg bij het openen van de voordeur een stel in lompen gekleede bedelaars in de voorgalerij op de tegels ziet liggen, is een kwestie van wennen. Heb echter het hart niet deze stumpers, die vaak nog onder de zweren en luizen zitten, weg te jagen, want de wraak zal zoet zijn. Gelaten accepteren is in Djokjakarta een eerste vereiste, maar dat went. Eveneens moet men zich niet verwonderen als er op klaar lichte dag een stel loslopende geiten uw woning binnen wandelen en in de open voorgalerij aan uw tafelkleedje beginnen te knagen. Allemaal dingen die daar niet erg zijn.

De doorsnee Javaan is sober en besteed weinig zorg aan zijn toilet. De vrouwen zijn ware sloven en doen het zware werk. Ze dragen zware vrachten op schouders en hoofd. In de brandende zon komen ze beladen met vrachten die ik niet zou kunnen tillen, van verre naar de pasars. Mede aan dit zware bestaan is het te danken dat de eenvoudige man op het randje van de vervuiling leeft. Vaak heb ik staan kijken naar vrouwen, die met een zware vracht op het hoofd en op de schouders, midden op de weg bleven staan en wijdbeens staande hun behoefte deden en daarna gewoon verder sjokten. Allemaal niets bijzonders. Op het laatst ziet men het niet meer.

Onbeschrijfelijke armoede
In mijn tijd was het aantal bedelaars en vagebonden in de kotta Djokjakarta zeer groot en overal waar Europeanen woonden, werden op straat vragende en bedelende bruine handen op gehouden voor een aalmoes en overal hoorde men het klagende: “Kassi doro, kassiiiii doroooo, sa-endil mawon doroooooo!!!” en dit smekende en klagende vragen om wat centen was meestal van dien aard dat men als Westerling al snel in de buidel tastte en wat kopergeld in de handen liet vallen. Geen mens kon dit droefgeestige en klagende bedelgeluid aanhoren, tenminste een Europeaan niet, zonder iets te geven. Zittend in het vuile stof langs de wegen, in de brandende zon, vaak nog met een kind aan de verschrompelde borst, zaten de bedelaars daar van de vroege morgen tot de late avond, doch van hun soortgenoten hadden ze vaak niet te verwachten. Slechts de gegoeden, mensen uit de kraton van de sultan, wilden nog wel eens wat geven, maar over het algemeen was het de Europeaan die, hoe weinig ook, toch wat in de bamboe bedelhoed gooide. Onbeschrijfelijke taferelen zag ik in mijn tijd langs een van de drukke winkelstraten van Djokja.

Daar zat een vrouw, van onder tot boven in de zweren, vol blauwe vliegen met een lijk van een kind aan de borst. Inderdaad, het kind leek werkelijk een lijk. De man van de vrouw, eveneens onder de wonden, zat in het vuil zijn echtgenote te luizen. Een dergelijk tafereel greep mij in het begin sterk aan, maar een Javaanse vriend uit de kraton verzekerde mij dat ik me hier niet te veel van moest aantrekken, want dat het nu eenmaal zo was. Het hoorde volgens mij bij deze landstreek. Nu zult u zich afvragen of de gezonheidsdienst van de Hollanders hier nu niets aan kon doen. Ja, dat is het nu juist. Het B.B. (Binnenlands Bestuur) deed in die tijd alles om aan deze toestanden een einde te maken, maar de bedelaars bleven bedelen en in het vuil zitten. Ze wilden niet naar een arts of ziekenhuis of polikliniek. Ze waren bang voor een arts en al zouden ze gratig en liefdevol in zendingshospitalen worden opgenomen, ze bleven in hun vuil langs de straten liggen. Door middel van politie heeft men eens getracht zulke mensen op te pakken en met dwang naar een ziekenhuis te brengen, maar ze liepen weg, terug naar de wegkant, tussen de hopen opgedroogde karbouwen- en sapipoep. Zo was het in de jaren 1940 – 1945 in Djokjakarta.

Bloedrode wandelpaadjes
Een wandeling door de stad leerde mij al spoedig dat de Javaan verzot is op sirihkauwen. Deze betelpruim bevindt zich dan ook bijna in ieders mond. Zowel mannen als vrouwen kauwen op het sirihblad en de pinangnoot en allen hebben hierdoor een misvormde mond en gitzwarte tanden. De bloedrode speekselstralen , die in de mond ontstaan, spuwt men links en rechts over de straat en vooral op de passars, de markten, waar duizenden hun koopwaar aanbieden, zijn de paadjes tussen de kraampjes en stalletjes bruinrood gekleurd van het sirihspeeksel. Duizenden blote voeten trappen voor deze bruine modderige brei en men handelt, zwendelt en biedt dat het een lust is. Op zo’n Djokjase passar kan het zo druk zijn dat men haast niet kan lopen. Europeanen, Javanen, Chinezen, Arabieren, geiten, kippen, schapen en zelfs een loslopende buffel, een zebu, krioelen door elkaar. Er wordt gestolen bij het leven want ook hier kent men het zakkenrollen even goed als in de tram in Amsterdam, Den Haag of elders. Het is een geliefkoosde bezigheid en de dief kan zich in het gekrioel snel uit de voeten maken.

Meestal zijn het argeloze vrouwen van wie het beursje met wat centen gerold wordt en die dan door hun erbarmelijk gekrijs de hele passar op stelten zetten. Dan kwam al snel een ‘mas oppas’ ‘een inheemse politieagent’ op blote voeten en een klewang ten tonele, die probeerden de boosdoener te grijpen, daarbij verschillende stalletjes omver werpend. Maar de dief was al ik weet niet waar heen, met de buit verdwenen.

De grote hoofd-passar in Djokja lag op het einde van de winkelstraat Malioboro, niet ver van de kraton van de Sultan. In deze winkelstraat hadden Chinezen, Europeanen, Arabieren en Brits Indiers hun winkels en het kon er wel aangenaam winkelen zijn als men maar niet lette op de genoemde bedelaars. Tegenover de passar lag het fraaie huis van de gouverneur. Brede grindpaden slingerden door mooie gazons met palmen naar de wijde voorgalerij met witte zuilen en fraaie waaierpisangs, de Ravanala’s en Tamarindebomen wierpen hun schaduw op het gras.

Het oude ford
Vlak tegenover dit huis, een paleis gelijk, lag de oude ‘benteng’, het fort Vredeburg uit 1700. Direct na het binnenvallen van de Japanners in Indië in 1942 werden hier de Europese mannen uit Djokjakarta en omgeving opgesloten en ook ik verzeilde  binnen de muren van dit oude fort als voor de Jappen staatsgevaarlijk Nederlander.

In dit zelfde fort werd ten tijde van de Java-oorlog (1830) onder Gouverneur Generaal de Kock, de opstandige prins Dipo Negoro gevangen genomen. Het is in Nederlandse stijl opgetrokken. Zware muren met grote steunberen verdedigden de binnen liggende vertrekken. De bovenverdieping was van hout opgetrokken en daar sliepen de manschappen. In 1942 lagen hier de Europese geïnterneerden, allen burgers uit de stad en de omliggende plantages. De Japanners hadden geen betere plaats kunnen kiezen om hun vijanden op te bergen. De omstandigheden waren er allerberoerdst.

Dreigende olifanten
Enkele honderden meters van dit fort af lag de bekende aloon-aloon als een soort voorplein van de kraton waarvan men de pendoppo door de kratonpoort meteen al kan zien. In deze sierlijk gebouwde pendopo werden vaak de beroemde serimpidansen uitgevoerd. Langs de kratonmuur wandelend naar de andere zijde van het sultanpaleis, kon men daar binnen een omrastering van zware palen de beroemde olifanten zien. Olifanten van de vorst. Deze dieren waren echter zo schuw en woest, dat zij bij benadering door vreemden onmiddellijk met hun slurf naar hun eigen uitwerpselen grepen en daarmee de bezoeker welgemikt bekogelden. De reden van deze agressiviteit was volgens mij het feit dat ze voortdurend gesard en geplaagd werden door kinderen uit de omgeving. Daarbij stonden ze met de poten met zware kettingen aan palen vast. Dat deze dieren in een optocht mee liepen heb ik zelf nooit meegemaakt, maar wel ervaren dat ze mij niet erg vriendelijk gezind waren en plotseling met hun uitwerpselen begonnen te bekogelen, waarbij ze hun slurven dreigend om hoog hieven.

Verdienstelijke Portugezen
Zeer interessant was het vlak bij de kraton gelegen zogenaamde Waterkasteel van de oude sultans. In de jaren dat ik er kwam verkeerde het in een oudheid het lustoord van de vorsten en hun vele vrouwen. Er wordt beweerd dat in vroegere eeuwen, toen de Portugezen op Java verbleven dit kasteel op trokken. Ze moeten op de kust van Java zijn aangespoeld en door de toenmalige Sultan gevangen zijn genomen in Djokja’s omgeving. Tijdens hun verblijf in de gevangenis van de Sultan, moesten zij, het waren er vier, zich verdienstelijk maken met allerhande bezigheden. Op last van de vorst moesten zij het kasteel uiteindelijk vrijwaren voor vijandelijke aanvallen en wisten op geniale wijze een irrigatiesysteem binnen het kasteel aan te leggen waardoor het gehele bouwwerk onder water gezet kon worden en de binnen verblijvende vorst met de zijnen voor de vijand onbereikbaar waren.

Een stel zeer grote granieten bollen van wel een meter doorsnede, liggende in een granieten schaal van wel twee meter doorsnede, welke diende om rijst te malen, getuigden van het eindeloos geduldwerk van de vier Portugezen, die hiervoor in de plaats hun vrijheid terug kregen. Waar zij verder zijn gebleven na hun jarenlange gevangenschap vertelt het verhaal niet.

De glurende sultan
De restanten van de enorm grote vijver lagen in het hoge gras en aan de kant stond een fraai gebouwd torengebouwtje met bovenin een soort vertrek was een horizontale spleet gemaakt en daar door heen zat de sultan te gluren naar de in de vijver badende vrouwen en meisjes van zijn hofhuiding. Zo kon hij, zonder zelf gezien te worden het vrouwtje van zijn keuze uitzoeken dat dan werd geboden zich naar het vertrek van de vorst te begeven.

Kunstig zilverwerk
Enkele kilometer buiten Djokjakarta treft men de kampong Kotta Gedeh aan die beroemd is om het zilversmeedwerk. De bewoners van deze kampong beoefenen nagenoeg allen het beroep van zilversmid uit en wel op een wijze dat het kunstwerk over de hele wereld bekend is. Voor de tweede wereldoorlog kwamen hier vij veel Amerikaanse toeristen en ik heb ze wel zien lopen in de brandende zon, met tropenhelmen en grote zonnebrillen. Ik heb wel versteld gestaan toen ik zag hoe daar een ‘zilversmid’ in de open lucht, met gekruiste benen, zittend in het zand en met de meest primitieve middelen, het fraaiste smeedwerk maakte. Met een platgeslagen spijker, een rijwielspaak en een hamertje toveren ze de fraaiste kunststukjes uit een klompje zilver. Handen voeten worden hierbij gebruikt. Terwijl de handen van de man die ik bezig zag het voorwerp en het hamertje omvatte, hielden zijn tenen van beide voeten het beeldje omklemd. In enkele minuten werden in een ring mijn initialen gebeiteld en in nog geen uur maakte men voor een bezoeker een prachtige armband in de vorm van een slang. Oorbellen, servetringen naar Europees model, theelepeltjes, sigarettenkokers en halskettingen werden aan de lopende band gemaakt. Ook hele zilveren theeserviezen en rookstellen werden er in opdracht van Europese juweliers vervaardigd. Met de hand en…. met de voet. Bloemen, bladeren en vogels waren de geliefde motieven. Alles in gestyleerde vorm, maar uiterst kunstig. De Javaan uit Djokja toont zich namelijk tot op de dag van vandaag een groot kunstenaar die veel inspiratie op doet tussen de gebeeldhouwde stenen van de oude Hindoetempels die hem omringen in het landschap. Hij beschikt over een een enorm voorstellings- en herinneringsvermogen. Eenmaal ziet hij iets en hij vergeet het nooit het niet meer.
Ook in de batikkunst is de Javaan erg bedreven en ik heb gebatikte sarongs gezien die toen reeds honderden guldens waard waren.

Sight seeing op de fiets
Om een goede indruk van het land, gelegen tussen Djokjakarta en Soerakarta (Solo) te krijgen, een afstand van ongeveer zestig kilometer, begaf ik mij zo vaak mogelijk naar die streek. Niet per trein, wat ook mogelijk was, maar per rijwiel, waarmee ik overal in alle hoeken en gaten kon komen. De smalste paadjes welke door het vaak metershoge gras liepen waren met de onvolprezen fiets te berijden en daar juist lagen vaak de meest interessante objecten in vorm van gebeeldhouwde stenen en boedahbeeldjes afkomstig van vele oude tempeltjes.

Uitgestrekte vlakten, beplant met suikerriet welke vaak het uitzicht benamen, doorkruiste ik op mijn fiets en had wel eens moeite er op te blijven zitten als het paadje al te smal werd. Ook wilde het wel eens voorkomen dat er plotseling een slang overstak en tussen de spaken van het voorwiel kwam.
Doodstil kon het er in de hete vlakte zijn waar slechts het eentonige gepiep van enkele rijstvogeltjes hoorbaar was. Altijd keek ik vol ontzag naar de vulkaankegel van de Merapi, waarvan de rooksliert vooral in de morgenneven prachtig rose-rood tot helpaars kon zijn.

Het gebeurde wel eens dat ik tegen het vallen van de avond naar huis keerde en dan zag ik de enorme lange, naar beneden hangende lavastroom, de vulkaan afglijden. Het leken stralen van bloed, welke zich voortdurend omlaag vertakten. Een bloederig aderstelsel op het donkere lichaam van de vulkaan die reeds vele rampen had veroorzaakt.

Een prachtig tempelcomplex
Wanneer men vanuit Djokjakarta het tempelcomplex binnen kwam, zag men aan de rechterkant, direct boven het suikerriet uit, een puntig torentje steken. Het was de punt van de Tjandi Kalassan, een oude Hindoetempel gewijd aan de Godin Tara. Door het riet heenkruipend kon ik het bouwwerk benaderen en constateerde dat het zich in al de eeuwen zeer goed had gehouden.
In de doodse stilte stond ik daar in het hoge, dorre gras te staren naar het prachtige, meer dan twaalfhonderd jaar oude bouwwerk, dat hier werd opgericht ter ere van de eeuwige Tara. Velen hebben jaren achtereen gebouwd aan deze tempel in de vlakte van de kali Opak. Boven de hoofdpoort zag ik de enorme demonenkop die dreigend de wacht hield over dit aan de Godin Tara gewijde tempelbouwwerk, een heiligdom van de hoogste orde. Binnen in de tempel stond een bronzen beeld van de godin van wel zes meter hoog.

Velen eeuwen terug heerste hier een grote drukte en kwamen de bewoners uit de omstreken en zelfs nog verder hier vandaan, naar dit heiligdom. In gedachte hoorde ik de trommen, gongs, fluiten en felle bekkenslagen en zag in mijn verbeelding de vorst van het rijk Çriwidjaja, een afstammeling van de Çailendra-dynastie, zich tussen hoge priesters en voorname Hindoe-ambtenaren bewegen. In een stenen oorkonde werd melding gemaakt van het feit dat de Grootkoning de rakryan Panamkarana de tempel bouwde. Deze koning was voortgesproten uit hetzelfde geslacht van de vorsten, die in het oprichtingsjaar van de tempel, heersten over het machtige rijk Çriwidjaja in het zuiden van Sumatra.

Toen ik daar stond en vol ontzag opkeek naar de vele stoepa’s welke de tempel sierden hoorde ik achter mij de sneltrein van Djokjakarta naar Solo voorbij razen. Daarna was het weer stil, doodstil. Een verdwaalde groene hagedis, een kadal, was door mijn aanwezigheid zo verbouwereerd dat het dier mij op een afstand van een steenworp met grote ogen zat aan te staren.  In de van hitten trillende verte rookte de Merapi, welke vulkaan ook ten tijde van de tempelbouw naar rookpluim toonde.

De beroemde Tjandi Prambanan
Ondanks dat de Tjandi Kalasan na al die eeuwen toch nog in goede staat verkeerde, zag ik wel dat er verscheidene  instortingen plaats hadden gevonden en dat er veel fraai gebeeldhouwde steenklompen in het gras lagen. Aan de andere kant van de spoorbaan, lag de beroemde Tjandi Prambanan, alwaar ik vele beelden trof van Brama, Çhiwa en Wishnoe. Het waren drie op een rij staande tempels welke een meter of veertig uit elkaar stonden. Voor elke tempel stond een klein gebouwtje. Overal trof ik beelden aan van Çhiwa, zijn gemalin Doerga en hun zoon Ganeça met de olifantenkop. Doerga zelf was afgebeeld met acht armen en maakte op mij een imposante indruk.

Tjandi Sewoe (Duizend tempels)
Een heel eind noordelijker lag het tempelcomplex van de Tjandi Sewoe (Duizend tempels) in de blakende hitte. Het was reeds twee uur in de middag en de zon brandde in het zenith. De temperatuur moet zo’n graad of veertig geweest zijn , want het zweet gutste van mijn hoofd. Nergens was een boompje te herkennen waaronder ik even bij kon komen van deze enorme hitte. Het water in mijn veldvles was lauw geworden en lestte mijn dorst nauwelijks. Toch wilde ik die dag het Tjandi Sewoe complex nog bereiken en trapte op mijn rijwiel driftig over de sawahpaadjes door, richting de Duizend-tempels. Na een klein half uur stond ik eindelijk in de vochtige schaduw van de sierlijke hoofdtempel welke omgeven was door vier rijen van bij-tempeltjes. Allen waren ze zwaar beschadigd en half ingestort. Eén ervan was hersteld in de staat waarin het verkeerde toen alles een duizendtal jaren geleden gebouwd werd. Groots en imposant tegelijk toornde de gebeeldhouwde stenen van dit Çiwaitische bouwwerk Lorodjonggrang zich om hoog, de blauwe lucht in.

Een welkome onmoeting
Wie schetste mijn verbazing toen ik achter een klein, half ingevallen tempeltje met de resten van een beeld er in, een man zag zitten. Hij had een soort juk (pikoelan) bij zich waaraan enkele  dikke bamboerokers gevuld met toewak hingen. Toewak, in het Javaans legén genoemd, was het vocht uit de arénpalm, palmwijn dus.

De man vertelde mij dat hij op weg was naar het dorp Kalasan om zijn drank te verkopen op een bruiloftsfeest. Van een dessa aan de voet van de Merapi was hij in de vroege ochtend reeds op weg gegaan en was blij dat hij hier even kon uitrusten in de koele schaduw. In deze eenzaamheid schrok de man zich een hoedje toen ik plotseling voor hem stond. Tegen betaling van een paar stuivers en een tweetal sigaretten vulde ik mijn veldfles met het geestrijke vocht en dronk eerst mijn dorst weg, met als gevolg dat ik spoedig een nog al vrolijk gevoel over me kreeg. De paar glaasjes gistige, koele vocht was mij lichtelijk naar het hoofd gestegen. Het was ook niet verstandig om in die hitte voor de dorst een paar glaasjes palmwijn naar binnen te slaan.

Toen de oude man met z’n drank verder ging, op weg naar de dessa Kalasan, ben ik nog wat blijven zitten en merkte dat na een half uur dat het geestrijke vocht aan het uitwerken was. Langzaam trok mijn roes weg en ik dankte de hemel dat ik weer op de fiets kon klimmen. Ik was immers zo’n dertig kilometer van huis af en dat vereiste al mijn inspanning.
Heel in de verte zag ik de oude verkoper als een zwart stipje door het kale, vlakke terrein sjokken op weg naar de bruiloft in kampong Kalasan.

Schrikdemonen
Links en rechts lagen de fraaiste stenen om mij heen. Blokken graniet en tufsteen, kleine en grote blokken waarin bloemen, vlinders, vogels en demonenkoppen waren gebeiteld. Ware kunststukjes lagen zomaar op de grond. In nissen van enkele tempelresten stonden schitterend bewerkte beeldjes. In een hoek van het terrein stonden twee grote schrikdemonen met knotsen in de hand dreigend mijn richting uit te staren. De grote uitpuilende ogen en de enorme hoektanden boezemde mij een vreemd gevoel van angst in. Wel vier meter hoog waren deze stenen wachters.

Tussen al deze geheimzinnige en vrij lugubere resten uit de oudheid, stond ik daar in de allergrootste stilte die maar denkbaar was. Geen mens was er ook maar in de verste verste te zien. Alles was doodstil. Het viel mij op dat aan de god Brama of Brahma weinig beeldhouwwerk was gewijd, juist deze voorname godheid, de schepper van alle leven was hier in het geheel niet in steen vertegenwoordigd. Nergens zag ik hem met z’n vier hoofden, gezeten op een soort zwaan of gans in graniet afgebeeld. Çhiwa daarentegen, kwam herhaaldelijk voor als vernietiger van alles wat Brama had geschapen. Deze god was herkenbaar aan de krans van doodshoofden, schedels om z’n hals en aan zijn rijdier de stier Nandi.

Ook Visjnoe, de goed die alles onderhield wat Brama had geschapen kon ik hier en daar thuisbrengen. Uit zijn navel groeide de lotusbloem waaruit Brama ontstond. Ook zag ik ergens, ik weet niet meer precies waar, dat hij afgebeeld was gezeten op de vogel Garoeda, een vogel welke half mens is.

Niet zonder gevaar…
Op het laatst wist ik, mede denkelijk door de teugen palmwijn die ik kort te voren had gedrongen, niet meer waar ik moest kijken. Alles was zo ontzettend interessant en bezienswaardig, dat ik door de bomen het bos niet meer zag. Links en rechts maakte ik foto’s in zwart-wit, want kleurenfotografie was er nog niet. Bij deze bezigheid ondervond ik het gevaar van rondscharrelen in deze rimboe van stenen en dor gras want nauwelijks had ik een steenklomp omgerold om hem te bekijken, of een meterslange slang met een gele streep zigzaggend over zijn rug, hief zijn kop drijgend omhoog en nam de aanvalshouding aan. In deze stilte was zo’n voorval dubbel onprettig dan wanneer het op een drukkere plaats zou zijn voorgevallen. Ik moet eerlijk bekennen dat mijn hart in de keel bonsde.

Afgezien van dit slangenvoorval kwam ik nog verscheidene malen schorpioenen tegen welke eveneens bij tientallen tegelijk onder de bemoste stenen huisden. Dieren, zwartbruin, ietwat op een kreeft lijkend en met een scherpe angel aan het achterlijf, krioeleden met hun jongen door elkaar, in paniek vluchtend onder gesteente.

Toeval, of toch niet?
Nee, bij alle vreugde welke ik genoot van al het oude en prachtige bouwwerk en beeldhouwerk, waren deze dieren er op uit om mijn humeur danig onder nul te brengen en er mij van te doen afzien nog langer en intenser deze omgeving af te zoeken. Als souvenir aan deze plek raapte ik een stuk graniet op met er in gebeiteld een prachtige, gestyleerde bloem. Deze sten heeft geruime tijd als boekensteun op mijn tafel gestaan, maar op aanraden van een Javaanse vriend heb ik hem weg gedaan omdat hij mij ongeluk zou brengen en ik lelijk ziek zou kunnen worden omdat ik hem uit z’n omgeving had weggehaald. Enkele weken later kreeg ik een malaria-aanval en was geruime tijd aan bed gekluisterd. Veel kinine injecties brachten mij weer op de been, maar voelde mij na maanden nog slap. “Toeval dat je daarna zo ziek werd” zeiden mijn kennissen. Gewoon toeval… Ja mogelijk, maar wel frapant dat mijn Javaanse vriend mij er voor waarschuwde. Ik ben niet meer bij de tempels geweest, want nog tijdens mijn malaria-ziekte werd ik door de Japanners, die op Java’s noordkust waren geland, opgepakt en gevangen gezet in de interneringskampen. Daarna ben ik nooit meer in Midden Java geweest. Maar, ik heb het genoegen mogen beleven, vele malen de tempelcomplexen tussen Djokja en Solo te bezoeken. Ik heb er veel geleerd en bewondering gekregen voor de oude Hindoecultuur welke er zo’n duizend tot twaalfhonderd jaar geleden heerste. Een cultuur van grote beschaving en ontwikkeling waarvan ik slechts de resten heb kunnen bewonderen.

Bijgeloof, Tempels Tangkuban Perahu, Cikahuripan, West-Bandung, West-Java, Indonesië

Jouw verhalensite met verhalen over Indonesië. Oude en nieuwe verhalen. Om te lezen, maar ook om zelf te publiceren. Doe mee en beleef mee!