Het kleine onbewoonde eiland

door:Alfons van Duijvenbode | 19 januari 2012 |Avontuur, Historisch, Reizen

Aan de stille westkust van Java hebben Bantammers en Chinezen hun uitgestrekte kokostuinen. Tienduizenden klapperbomen, zoals de kokosnootboom in Indonesië wordt genoemd, groeien er tot vlak voor de golvende zee van Straat Soenda. Voortdurend vreet de zee met haar eeuwige golfslag de grond tussen en onder de wortels van de palmen weg, waardoor ze tenslotte onontkoombaar in zee vallen. Zich met nog enkele, dunne wortelslierten krampachtig vasthoudend aan de kust. Dáár aan Java’s westkust liggen drie vrij voorname plaatsen: Merak, Anjer en Laboean.

Destijds woonden in Merak enkele Europeanen, omdat vandaar de boot naar Zuid-Sumatra vertrok. In Anjer was een semafoor (seinpost) en ook daar woonden enkele Hollanders, meest ambtenaren. In Laboean, eindpunt van het spoorlijntje van Batavia via Rangkasbetoeng, woonden géén Europeanen. Er waren slechts enkele Chinzen die er hun klappertuinen hadden en er kopra produceerden. Kopra is het in de zon gedroogde vruchtvlees van de kokosnoot waaruit kokos- of klapperolie geperst wordt.

 

Historisch Bantam

In dit eenzame aan Straat Soenda gelegen vissersplaatsje logeerde ik in 1931 enkele maanden bij de rijke Chinees Tan Tok Kiong. Als goede vriend van mijn ouders was hij op de hoogte van mijn belangstelling voor deze streek, de bevolking en haar geschiedenis. Ook de geschiedenis van de residentie Bantam boeide mij, want het was tenslotte hier, dat de eerste Hollanders met vier zeilschepen onder leiding van Cornelis de Houtman op 22 juni 1596 voet aan wal zetten.

Bantam is een residentie met een vrij geheimzinnige bevolking, heel anders dan de Bataviaan of Soendanees. Nog steeds vindt men er ruines uit de tijd dat hier in Bantam de Hollanders hun pakhuizen hadden en de factorijen stichtten. Overal stonden in mijn tijd nog stenen muurtjes overeind, overwoekerd door de wortels van eeuwenoude waringins. De muurtjes vormden de restanten van de VOC-pakhuizen, waarbinnen nootmuskaat, peper en kruidnagels opgeslagen werden voor de verzending naar het vaderland. Dáár bij het plaatsje Banten lagen de zeilschepen voor anker.

In het begin van de dertiger jaren bezocht ik Bantam en vond op een oud kerkhof nog graven van VOC ambtenaren. Scheefgezakte zerken, geheel bemost, bedekten de restanten van mannen die bijna vierhonderd jaar geleden de de moed hadden bezeten om de barre zeereis naar de Oost te maken. Velen bezweken tijdens de reis, of na aankomst op Java, aan ziekten zoals scheurbuik, rode loop, cholera en vooral aan de gevreesde malaria, die hier in Bantam nog heerst.

 

De omgeving van Multatuli

De meer in het binnenland gelegen plaats Rangkasbetoeng, hoofdplaats van de residentie, was eveneens bijzonder interessant, vooral omdat daar de woning stond van Eudard Douwes Dekker – Multatuli – de auteur van de ‘Max Havelaar’. In mijn tijd stond het huis er nog. Ik genoot ervan om tijdens mijn tochten door Bantam deze plaats te bezoeken en rond te kuieren door het gehucht lebak, waar Douwes Dekker de hoofden van het dorp toesprak: “Ik groet u allen zeer, gij hoofden van Lebak, enzovoort.”

Deze omgeving sprak mij destemeer aan omdat Multatuli nog in mijn familie thuishoort. Douwes Dekker was een oom van mijn moeder. Zijn tweede vrouw Mimi Hamminck Schepel was een zuster van mijn grootmoeder, een tante dus van mijn moeder.

 

Tuffend door het landschap

Vanuit Rangkasbetoeng was het met een boemeltreintje nog een flink uur tuffen tot aan Laboean. Stomend, puffend en zuchtend trok de kleine locomotief de wagons door het landschap en hoewel er slechts derde en vierde klas wagentjes in meereden, had alles een aandoenlijke gezelligheid.

Het landschap, de zon en de stilte stemde mij altijd erg blijmoedig. De coupeetjes waren meestal vrijwel leeg, zodat je volop de ruimte had. Bij elke halte was voldoende gelegenheid om even uit te stappen en over de perrons te wandelen, temidden van een genoeglijke bedrijvigheid. Mensen met etenswaren, geiten en schapen, alles liep door elkaar en er klonk altijd een gekrakeel van jewelste. Als ik dan wat Indische versnaperingen had gekocht in de vorm van gebakken vis of kip, stapte ik weer in. Alles ging in Indië altijd héél rustig. Men had geen haast, dat was slecht voor je hart. Tenslotte spoorde het treintje weer verder westwaarts en bereikte dan uiteindelijk onder luid gefluit van de locomotief het eindstation in Laboean.

Dat station was niets meer dan een klein onooglijk gebouwtje aan een doodlopend spoor met een perronnetje van nauwelijks één meter breed. Er liep een inheemse haltechef rond met bovenop zijn hoofddoek een rode pet. Hij was de enige notabele van het plaatsje.

 

De vissers uit Sumatra

In het dorp krioelde het van vissers die met hun prauwen uit Zuid-Sumatra over kwamen varen om hun in Straat Soenda gevangen vis aan de man te brengen. Vreemde mannen waren het, somber gekleed en met grote sirihpruimen in de mond.

Hun prauwen, djoekoems, lagen in de vissershaven, waar een soort vuurtoren stond: een bamboepaal, een laddertje en een armzalige petroleumlamp. Hier was de ingang naar de haven waar honderden netten tussen de kokosstammen hingen te drogen. Dáár werden ze door de vissers ook gerepareerd voor de volgende visvangst. Dan voeren ze weer terug naar de kust van Sumatra, langs de Krakatau en Langeiland. En zo ging hun leven door, op en neer varend, tussen Java en Sumatra.

Mijn gastheer, Tan Tok Kiong bracht mij met zijn onvolprezen auto vaak naar alle uithoeken van deze streek. Met zijn hulp bezocht ik in 1930 de verlaten Peperbaai en het deel dat aangeduid werd met de naam OedJong Koelon. Daar leefden nog enkele rh1nocerossen (badaks) en ook woonden er nog primitieve mensen, de Badoeis. Men zei dat de Badoeis nog naakt liepen en nimmer in de bewoonde wereld kwamen. Jammer genoeg kwam toen van een tocht naar het centrale deel van Oedjong Koelon niets. Een plotselinge, hevige aanval van malaria tertiana noopte mij hals over kop terug te keren naar Batavia.

 

Aan de voet van de Krakatau

Enkele maanden later beschermd door een formidabele fles kininepillen, weer in Laboean vertoevende, maakte ik met een visser een tocht naar een vlak voor de kust liggend, onherbergzaam en onbewoond eiland. Het eiland had allerlei namen en iedereen noemde het anders.

Het was die dag rustig weer en de visser roeide zonder enige inspanning zijn ongeveer vier meter lange, uit een boomstam gehakte prauw in de richting van het eiland. Het zeewater kabbelde enkele centimeters onder de rand van de boot en even heb ik angstig zitten kijken met mijn geweer en fototoestel op schoot. Een enkele maal kreeg ik opspattend zeewater in mijn gezicht en de visser moest dan uitbundig lachen. In de verte lag de Krakatau die zo nu en dan een stoomwolk de lucht inblies.

Na een uur roeien liep ons bootje op het smalle strand-vast, temidden van wrakhout, boomstammen, vulkanisch gesteente zoals puimsteen en van de Javaanse kust afgedreven kokosnoten. Het stuk strand waar we lagen was nauwelijks drie meter diep bij zestig meter lang. Het was er doodstil met opmerkelijk wit zand en een haast ondoordringbaar oerwoud van mangrove: een echt vloedbos waar bovenuit slechts enkele spichtige, halfkalebomen staken.

 

Onder de Kalongs

Bij aankomst viel het mij direct op dat in die hoge, bijna afgestorven bomen honderden kalongs (vliegende honden) hingen. Bij ondervinding wist ik dat het vlees van deze enorme vleermuizen bijzonder smakelijk is en dat bij voorbeeld de bewoners van de Molukken er voortreffelijke gerechten van kunnen maken. Het zijn reine dieren die hun voedsel uitsluitend uit vruchtentuinen halen. Vruchteneters dus, die elke avond uit hun slaapbomen komen en bij honderden tegelijk over de zee vliegen, op weg naar de kampongs langs de Javaanse kusten om hun kostje te halen in de manga-, djamboe en sawobomen. Verzadigd vliegen ze dan tegen de ochtend weer terug naar hun slaapbomen, wikkelen zich in hun zwarte vlieghuid en hangen met hun kop naar beneden aan de takken, stevig verankerd met hun grijphaken langs de rand van hun ‘parapluie’. Kalongs hebben de maat van een kleine kat, roestbruin en zwart van kleur met een kleine hondekop. Door de dieren vóór consumptie eerst enige minuten in hete as te leggen verdwijnt de muskusgeur die rond hen hangt.

Als zwarte dotten hingen ze in de boom en ik merkte dat de takken afgestorven waren door de grote plukken witte uitwerpselen die er op neer vielen. Uit ervaring wist ik dat een kalong niet in hangende toestand geschoten kan worden: hij blijft hangen aan zijn kromme grijphaken. Door met een steen tegen de stam van de boom te slaan vlogen enkele dieren op. Ik kon op dat moment enkele van hen schieten. De anderen stoven, geschrokken door de knal van het geweer, op en cirkelden enkele minuten rond de boom om daarna hun oude plaatsje weer op te zoeken.

 

Rond de mangrove

Een mangrovebos ingaan is bijna ondoenlijk door de over en door elkaar heen groeiende en woekerende wortels, lianen en takken. De zogenaamde luchtwortels van deze moerasbomen staken overal uit de modder en op verschillende plaatsen zakte ik diep weg. Omdat ik wist dat het eiland niet veel groter was dan een vierkante kilometer en nagenoeg rond van vorm, besloot ik aan de rand te blijven, om op die manier rond het eiland te gaan. Toen ik enige tijd bezig was, merkte ik dat deze tocht toch moeilijker en gevaarlijker was dan ik aanvankelijk dacht. Op een gegeven moment kroop ik van tak tot tak. Tot aan mijn middel in het water. Met aan mijn linkerhand het oerbos en rechts de open zee.

 

Levende houtblokken….

Als bij toverslag stond ik opeens weer op een stukje strand. Het leek vol te liggen met op maat gekapte stukken hout. Met mijn éénoog-verrekijker die ik wat later op dit eilandje kwijtraakte – zag ik dat de houtblokken leefden. Tientallen varanen, ongeveer één meter lang, koesterden zich in de zon of wroetten in het warme zand. Zodra ze mij echter opmerkten stoven ze weg en vluchtten het bos in. Haastige vluchtstrepen in het zand was alles wat ik dichterbij gekomen nog zag.

 

… en zuilen van rook en stoom

Vanaf deze kant van het eiland kon ik nu aan de horizon duidelijk de Krakatau zien, geflankeerd door Langeiland en Verlateneiland. Daar lag dan de grote boosdoener die in 1883 zijn grootste uitbarsting had en daarbij tienduizenden mensen doodde. Hele kampongs langs Java’s westkust werden door de twintig meter hoge vloedgolf weggevaagd. De knal van de uitbarsting was tot op tweeduizend kilometer verder hoorbaar, de rookzuil steeg tot meer dan honderd kilometer en asdeeltjes zweefden twee jaar later nog rond de aardbol, vreemdsoortige lucht- en lichtverschijnselen veroorzakend, zoals een ring om de zon. Toen ik daar was, was de vulkaan nog steeds actief. Zo nu en dan spoot een enorme zuil rook en stoom de lucht in.

Daar op dat smalle reepje strand, waar de varanen hadden gelegen, ben ik toen even gaan zitten. Turend in de stille verte dacht ik aan de eerste Hollanders en aan de Portugezen die honderden jaren geleden door deze zelfde zee gevaren waren; door deze zelfde wateren tussen Java en Sumatra. Aan de horizon spoot een rook straal op uit de Krakatau en daarna weer één, nu vanuit het water naast de vulkaan. Ontploffingen hoorde ik niet, wel een zacht en ver geruis of gesis.

Onder de zeebodem hier loeren onmenselijke krachten tot op het moment dat een nieuwe uitbarsting onvermijdelijk zal zijn. Reeds vele malen is de Krakatau door uitbarstingen van vorm veranderd. Nieuwe eilandjes ontstaan of verdwijnen weer in zee. De aarde is hier onder de zee onbetrouwbaar en nimmer in rust.

 

Land in zicht

“Dit eilandje,” dacht ik, “zagen verre voorouders vierhonderd jaar geleden vanaf hun schepen.” Ik probeerde me van alles voor de geest te halen en in mijn verbeelding hoorde ik de man in het kraaienest bij het zien van dit nietige eilandje al roepen: “Land in zicht .. !” Ik moest om mezelf lachen, maar toch moest het zó ongeveer geweest zijn.

Dat alles zat ik daar te overdenken, terwijl de visser die mij hier naar toe geroeid had, aan den andere kant van het eiland geduldig op mijn terugkomst wachtte, waarschijnlijk bij een zelf aangelegd vuurtje, waarop hij zijn rijst kookte.

 

Met flora en fauna in beweging…

Langs de bosrand stond een nietig klein papajaboompje met een paar rijpe vruchten, aangepikt door vogels. Mogelijk waren het gevederde vrienden uit Java geweest, die maanden geleden in hun uitwerpselen een papajapitje hier mee naar toe hadden genomen en toevallig hier hadden gedeponeerd. Zo was mogelijk dat boompje hier ontstaan.

De kleine vruchten smaakten voortreffelijk. Honderden zwartglimmende pitjes strooide ik in een lange rij uit, hopend op deze wijze mee te werken aan de verspreiding van de papajaboom, de Carica papaya zoals hij officieel heet. Wie weet is het me wel gelukt. ..

In de modder vond ik overal slijkspringers, een zogenaamde grondel, een vis met uitpuilende ogen en grote wangzakken. Op het droge kunnen ze een tijdje leven nadat ze hun wangzakken gevuld hebben met water. Om hun lichamen nat te houden wentelen ze zich steeds om en om in de modder.

Krabben en andere kreeftachtige beestjes schoten als schuinsmarcheerders over het zand. Een tweetal waterslangen gleden van een overhangende tak in de modder en kronkelden in sierlijke S-vormen weg.

 

… en onmetelijke nieuwsgierigheid

De Krakatau niesde weer eens en een witte rookpluim dreef mijn kant op.

Ik kroop, klom en klauterde weer verder, half door water, half door modder en ik vroeg me af wat me eigenlijk bezielde. Waarom haalde ik al deze halsbrekende toeren uit? Waarvoor? Was het alleen maar jeugdige overmoed? Ik zou het niet weten …

Op een paar meter afstand zag ik het vloedbos dunner worden. Ik kon stukken droge aarde zien, zo droog dat er barsten in zaten. Er stonden doornige struiken van de Mimosa pudica, het ‘kruidje-roermij-niet’. Ook zag ik enkele lantanastruiken en planten die ik nog niet eerder tijdens deze tocht tegen was gekomen. Het was een verademing en ik hoefde vast niet verder te klimmen, te klauteren of door de modder te baggeren. Stellig kon ik nu dwars door het bos, over droge stukken grond terug naar de plaats waar de visser op mijn terugkomst zat te wachten.

 

… dat leidde tot een wrak

Ik was nog geen vijftig meter het bos in gelopen over de droge, harde grond en tussen lage struiken toen ik plots tot mijn grote verbazing op het geraamte stootte van een kleine boot. Het verroeste karkas stak half uit het zand. Zo te zien moest het een sloep geweest zijn die lang geleden op het eiland was geworpen, waarschijnlijk tijdens een storm.

De ijzeren, rooddoorroeste balken en ribben, half weggevreten door het zoute zeewater deden mij vermoeden dat dit het restant moest zijn van een westers vaartuig. Inheemse vissers hadden immers uitsluitend vaartuigen van hout. Dit wrak lag hier zeker al honderdvijftig jaar, misschien nog wel langer.

 

… en mijn eenzaamheid doorbrak

Ik kon nergens iets uit op maken, maar wel voelde ik me niet meer zó eenzaam in die rondhangende stilte, hoe gek het ook moge klinken. In het zand naast mij lag iets waar waarschijnlijk geen mens van wist, lang geleden door blanke mensenhanden gemaakt, op Java, Amsterdam, Londen of Lissabon. Ik wist het niet, maar door dit stuk oudroest voelde ik niet meer die eenzaamheid ver van de bewoonde wereld.

 

maar van waar…?

Ik fantaseerde en haalde me de meest gruwelijke voorstellingen voor de geest: schipbreuk, verdrinking, muiterij enzovoort. Ik zocht naar letters op de wand. Ik zocht in het zand naar dingen zoals een mesje, een spijker, vork of lepel, maar ik vond helemaal niets, Ik heb de grond omgewoeld doch het enige dat ik vond was een stuk groen glas. Denkelijk van een fles. In een nog overeindstaand stuk plaatijzer kon ik de plaats, het gat zien, waar vast en zeker eens een soort patrijspoort had gezeten.

Centimeter voor centimeter zocht ik af naar mogelijke vage resten van geschilderde letters, maar er was niets van een naamsaanduiding te ontdekken. Mogelijk had er zich hier heel lang geleden een ramp voltrokken, waarbij de bemanning de dood had gevonden. Het bleef gissen en fantaseren.

Een stel prachtig gekleurde vogels met vuurrode vlekken in de borstveren streek vlak bij mij neer in de lantanastruiken en begonnen gulzig naar de

bessen te pikken. Schuw bleken ze niet te zijn. Vreemd, want mensen kenden ze niet. Toch fladderden ze weg toen ik uiteindelijk opstond om mijn weg te vervolgen.

Als een geheimzinnig soort raadsel liet ik het roestige skelet achter mij en verdween verder tussen de struiken het bos in. Mijn broek was intussen gedroogd wit uitgebeten door het zeewater. Nog één keer keek ik om naar het geraamte, maar ik kon het al niet meer zien. Het bleef weer achter in de eenzaamheid met zijn geheimen en raadsels waar niemand ooit achter zou komen. Misschien dat niemand het ooit ook nog zou zien.

Uit het bos komend zag ik in de verte de visser bij zijn prauw op het strand zitten wachten. Rustig trok hij aan zijn strootje en hield de ketel met thee, die hij voor mij had gezet, boven het vuurtje warm.

Ik vertelde hem van het scheepsgeraamte dat ik had gevonden en hij zei niets anders als: “Allah jang tahoe” (Alleen Allah weet het!).

“Ja, Allah weet het. Maar dan zal Allah ook wel weten waar mijn verrekijker ligt, die ik daar ergens heb verloren”, dacht ik.

 

in de verte en in het verleden…

Twintig jaar later moesten mijn vrouw, onze kinderen en ik Indië verlaten en toen we met de ‘Johan van Oldenbarneveldt’ vanuit Tandjong Priok vertrokken, voeren wij door Straat Soenda, langs de Krakatau en langs het eilandje waar ik was geweest en waar het wrak mogelijk nog lag. Het wrak waar ik soms nog wel eens van droom. Het eilandje met dat papajaboompje en waar óók ergens mijn verrekijker moest liggen.

 

de gong sloeg…

We waren op weg naar Nederland. Voorgoed … Ongemerkt hief ik mijn hand op als laatste vaarwel aan Indië, dat ik nog liefheb en waar ik vanaf mijn kinderjaren had geleefd. Ik heb “dag” geroepen. Het was voorbij.

Beneden in de eetzaal werd op de gong geslagen ten teken dat men aan tafel kon komen.

kalong, krakatau, mangrove, onbewoond, vulkaan Krakatoa, Kabupaten Lampung Selatan, Lampung, Indonesia

    Lees nog meer verhalen van:
    Alfons
  • Jacob

Jouw verhalensite met verhalen over Indonesië. Oude en nieuwe verhalen. Om te lezen, maar ook om zelf te publiceren. Doe mee en beleef mee!