Het kanon

door:Lodewijk de Geer Boers | 17 januari 2012 |Avontuur, Cultuur, Overig

De hitte was ondraaglijk. Er moest maar eens een fikse plensbui komen om de planten en de stoffige straten te besproeien. In de tamarindeboom koerde een houtduif, de tekoekoer. Een slaperige ijsverkoper hurkte ineengedoken achter z’n pikoelan, waarop enkele flessen met groene en roserode siroop stonden.

Het elektrisch trammetje uit Weltevreden, de buitenwijk van Batavia, dat haar eindpunt had bij de in 1748 opgerichte Amsterdamse Poort, was net aangekomen. Niemand stapte uit. Ik was de enige reiziger.

De inheemse conducteur zette z’n hoofddoek af en veegde met z’n mouw langs z’n voorhoofd, terwijl hij op de treeplank van een der twee rijtuigjes ging zitten.

“Adoe, koh pannas bener”, zei hij tegen de ijsverkoper, die loom en slaperig beaamde dat het die dag inderdaad wel erg warm was. Het woord ‘memang’ kwam vermoeid over zijn lippen en hij dommelde weer verder, in de tropische hitte en omringd door de bedwelmende geuren van de tandjoengbloesem en duifjesorchideeën.

Amsterdams poort
In de nissen van de witte poort stonden de meer dan levensgrote beelden van Mars en Minerva, zwart en spookachtig. Met enorme ogen staarden ze voor zich uit als wilden ze elke voorbijganger een halt toeroepen. In vroeger tijden had deze poort nog een koepel gehad, waarin een bel hing. Bij het voltrekken van een doodvonnis werd de bel geluid. In die tijd bezat de poort ook nog een stel zijvleugels met doorkijkbogen. In de jaren 1865-1867 werden deze echter jammer genoeg weggebroken om plaats te maken voor een paardetrammetje, de voorloper van de stoom- en elektrische tram.

van stoomtram…
De stroomtram, die in Meester Cornelis zijn loop begon en via Kramat, Rijswijk en Molenvliet de stad binnenstoomde, heb ik nog goed gekend en voor enkele stuivers kon men de lange rit meemaken. De stoomtram reed met een derde, een tweede en een eerste klas rijtuig en achteraan hing een zogenaamde marktwagen waarin kippen, geiten en manden met vis of vruchten werden vervoerd.

… naar elektrische tram
De elektrische tram reed een andere route en hobbelde buitenom over Passar Senen, Goenoeng Sari en de eenzame Djakatraweg langs het monument van Pieter Elberfeld en de Portugese Buitenkerk de stad van Coen binnen. Het eindpunt was de Amsterdamse Poort, waarachter het Batavia van Jan Pieterszoon Coen lag. De poort werd overigens ook wel Kasteelpoort genoemd omdat hier het kasteel van Batavia lag. Oorspronkelijk had Coen zijn stad trouwens Nieuw Hoorn willen noemen, naar zijn geboorteplaats in Holland.

Denkend aan de tijd van JP Coen
Vaak dwaalde ik hier rond over het terrein waar zoveel was voorgevallen. Waar oorlogen met Javaanse vorsten werden gevoerd, waar een handje vol Hollanders de pas gestichte nederzetting aan de monding van de Tjiliwoeng verdedigde met een courage die toen de Hollander eigen was. Dan dacht ik: “Hier heeft Coen ook gelopen”, die jongen uit Hoorn, die geniale knaap, die op z’n dertiende door zijn vader naar Rome werd gezonden om bij de koopman Piscatori boekhouden te leren. Op z’n twintigste sprak hij reeds meerdere talen en was hij een bekwaam boekhouder. In Indië waar hij de jonge Piet Hein leerde kennen was hij eerst onder-koopman. Na enkele jaren werd hij opper-koopman en hoofd van een factorij in Bantam, de meest westelijke provincie (residentie) van Java. In korte tijd maakte hij van Djakatra een enorme vesting vol pakhuizen voor de opslag van peper, kaneel en kruidnagels. Batavia was gesticht! Op veertigjarige leeftijd werd Coen ziek, ernstig ziek. Maar hij zwoegde voort en gaf zijn laatste krachten aan de Nederlandse belangen in de Oost.

Op 21 september 1629 stierf Coen en werd in de Hollandse Kerk te Batavia begraven. Tenminste zo gingen de verhalen want hij werd eerst begraven in het oude, niet meer bestaande stadhuis en daarna in de Hollandse Kerk herbegraven, die overigens ook niet meer bestaat. Z’n graf is nooit gevonden, want op de plaats van het oude stadhuis en op de plaats van de Hollandse Kerk werden later enorme pakhuizen gebouwd. In de jaren 1925-1930 heeft men daar nog uitgebreid gegraven en gezocht naar eventuele stoffelijke resten, … men vond echter niets.

Vruchtbaarheidsgeschut…?
In mijn jonge jaren lag daar bij de Amsterdamse of Kasteel Poort een oud Portugees kanon. De grond rondom het kanon was bezaaid met duizenden in de aarde gestoken papieren bloemen en parasolletjes, als ook offerschaaltjes en wierrookpotjes. Men zei dat het kanon heilig was. Aan de achterzijde van het stuk geschut zat achter het lontgat een gebalde vuist met de duim tussen wijs- en middenvinger, hetgeen bij veel Zuideuropese volkeren een afweerteken is. Bij de Indische bevolking echter is tot op heden een dergelijke vuist het symbool voor vruchtbaarheid en men geloofde dan ook dat het kanon wonderkrachten bezat. Vrouwen en meisjes, die een kind wilden hebben, moesten op een nogal intieme wijze met het stuk oud metaal in contact komen. Spoedig daarna zouden ze moeder worden.

Bij honderden zaten jonge meisjes en vrouwen, vaak onder de leiding van een hadji (priester) van verre gekomen, om het kanon gehurkt of kropen er als het ware overheen om met het onderlichaam over de vuist te wrijven. Men moet nu vooral niet denken dat het daar één grote blote-billen parade was. Nee, het ging er allemaal heel rustig en kuis toe. Het is de Oosterling grote ernst en het is hem vreemd om van zoiets een jolige boel te maken. Dat kwam niet te pas. Men geloofde hierin. Men kwam van verre dessa’s hierheen, vaak dagen lopend, om het kanon te smeken om een kind. Of het hielp weet ik niet, maar dat het op de keper beschouwd toch een nogal onfrisse bedoening was stond voor mij vast. Al was de vuist een uitgestoken hand geweest, dan had ik die niet graag gedrukt. De ijsverkoper onder de tamarindeboom vond het allemaal best. Hoe meer geschuif en gewrijf over het kanon, des te meer bezoekers, des te meer ijs hij kon verkopen.

Uit mijzelf geboren…
Op de achterzijde van het fraaie stuk geschut staat in het metaal te lezen: ‘Ex me ipso renata sum’ (uit mijzelf ben ik geboren), hetgeen denkelijk slaat op een hergieting van het kanon uit een andere vuurmond, maar dat weet ik niet geheel zeker. Soms waren er geen bedevaartgangsters en was het er doodstil. Dan hoorde men alleen het tortelduifje en rook men de witte orchideetjes in de tamarindeboom. Dan zei de inheemse conducteur weer dat het erg warm was en stegen er nog wazige wierrooksliertjes uit de offerpotjes rond het kanon op. Maar dan opeens op een volgens de Javaanse kalender gunstige dag kwamen ze weer in drommen opzetten met hun wierrook en andere offergaven. Dan begon het gewrijf en gekruip weer van voren af aan, want in de kampongs ging immers het verhaal, dat Idjah of Kossih na haar contact met het kanon zowaar een anak had gebaard. Het is dus toch waar, het helpt! Uit mijzelf ben ik geboren. ‘Ex me ipso renata sum’. En ik heb altijd maar gedacht dat niet het kanon maar dat Amat beter z’n best gedaan had.

Vele jaren later las ik in een Amsterdams dagblad dat men in Djakarta het kanon op een verhoging had geplaatst, om de toenemende intieme taferelen met het kanon verder te voorkomen…

Tangkuban Perahu, Cikahuripan, West-Bandung, West-Java, Indonesië

Jouw verhalensite met verhalen over Indonesië. Oude en nieuwe verhalen. Om te lezen, maar ook om zelf te publiceren. Doe mee en beleef mee!