Het huisje in de bergen

door:Lodewijk de Geer Boers | 4 maart 2012 |Natuur, Reizen

In het oude Batavia was het de gewoonte dat de welgestelde Europeaan tenminste éénmaal per jaar voor kortere tijd de vreselijke hitte van de laagvlakte waar de stad lag, te ontvluchten. Men ging dan, zoals dat genoemd werd, in de bergen een koude neus halen. In de stilte en temidden van de frisse berglucht kon men wat bijkomen van de vaak afmattende hitte en droogte. Bij voorkeur ging men in de tijd van de grote vakantie naar het honderd kilometer zuidelijkerer gelegen bergoord Soekaboemie. Sindangglaia en de Poentjakpas waren ook geliefde vakantie-oorden.

Vakantie in de bergen…
In die tijd had nog niet iedereen de beschikking over een auto. Men maakte dan gebruik van de trein. Een heel jaar lang zagen wij als kinderen verlangend uit naar de dag waarop we zouden vertrekken. Een maand lang zouden we kunnen genieten van de overweldigend mooie en ongerepte natuur temidden van de verfrissende berglucht. Als dan eindelijk de dag was aangebroken en onze auto, een grappig, ouderwets Fordje, wegtufte met aan het stuur onze chauffeur Kata en achter de kokkie, dan wisten we dat de auto na een uur of die terug zou zijn om ons op te halen. De bagage was dan intussen uitgeladen in de pondok (buitenhuisje) en kokkie had alles voor onze komst in gereedheid gebracht en een niet al te uitgebreide rijsstafel klaar gemaakt.

Het buitenhuisje op een één meter hoge onderbouw van rivierstenen was opgetrokken uit bamboe. Het bevatte drie vertrekken en een keukentje. Los van het huis stonden een badkamertje en een toilet. Een lange bamboeleiding voerde kristalhelder bronwater vanuit de bergen dwars door het oerwoud naar de badkuip. Deze grote, cementen bak stroomde doorlopend vol en het overtollige water vloeide via de overloop af naar een beekje beneden in het ravijn.

Dag en nacht was er heerlijk schoon en koel water. Het huis lag vrij eenzaam langs een smal zijpad op het hoogste punt van de Poentjakpas. Op deze hoogte – ongeveer 1700 meter – kon het ’s nachts behoorlijk koud zijn en er werden vaak grote blokken hout in de hawoe (een soort open vuurplaats in de keuken) gestookt. Op dit vuur werd gekookt en het verwarmde tevens nagenoeg alle kamers. De rook verdween door een paar openingen in het dak.

Dit alles ligt al weer bijna zestig jaar achter mij, maar nog ruik ik in gedachten vaak de geur van die rook en hoor ik het hout knetteren. Vaak blijven zulke kleine momenten een mens voor jaren en jaren bij, terwijl grotere gebeurtenissen géén herinnering meer wakker roepen.
Wanneer wij dan eindelijk tegen de avond bij de pondok aankwamen had de kokkie de tafel al gezellig gedekt en stonden er ketels water op voor warme chocolade, thee of koffie.

Ras
Een oude man, Ras geheten, die altijd over het huis waakte en de groentetuin onderhield, verwelkomde ons met allerlei hartelijkheden, zoals bananen, kokosnoten, kippen en andere etenswaren. Tenslotte had hij ons in geen maanden gezien. Mijn vader betaalde hem dan het bewakersloon uit en voor Ras vormde dat een aardige spaarduit, waarmij hij en zijn vrouw weer een geruime tijd verder konden. De gulden was toen aanzienlijk meer waard dan nu. Glunderend streeks Ras de vijftig zilveren gulden op, voortdurend mompelend: “Noehoen… noehoen… djoeragan”, hetgeen zoveel wilde zeggen als “hartelijk dank, meneer”. Daarna liet hij aan ons zien wat hij tijdens onze afwezigheid had gepresteerd of in de tuin had geplant. Meloen en aardbei, rode en witte kool, anjelieren, aronskelken, rozen en zelfs seringen wist hij in het tuintje op te laten groeien en bloeien. Z’n eigen huisje, eveneens van bamboe, lag dicht naast het onze en tijdens ons verblijf logeerden de chauffeur en kokkie bij Ras en zijn vrouw, een oud en tanig wijfie met een grote sirihpruim in de mond. In huis zwaaide zij de scepter en het scheen alsof Ras nogal wat respect voor haar had. Wat zij wilde gebeurde ook en Ras voerde haar wensen steeds glimlachend uit. Zo hield hij de vrede in huis en gedroeg zich steeds sabar (gelaten).

Onze chauffeur Kata, in de jaren 1920 tot 1925 had hij nog gediend onder gouverneur-generaal Fock, was voor zijn doen een echte gentleman. Iedere dag reed hij voor mijn vader op een neer naar Sindangglaja of naar Buitenzorg om de post op te halen. Tegelijk bracht hij dan de Javabode mee en melk, brood en vlees. Voorwaar een vertrouwensbaantje, want hij wist maar al te goed, hoezeer mijn vader gesteld was op het stipt en goed uitvoeren van zijn opdrachten. Er ontbrak dan ook nimmer iets aan. Daarbij was Kata een uitmuntend rijder. Hij droeg een onderscheiding die hem was toegekend doo een soort vereniging van trouwe huisbedienden. Daar was hij erg trots op, want alleen zij die gedurende vele jaren zonder ongelukken hadden gereden en hun baas trouw hadden gediend, kwamen in aanmerking voor zo’n plak.

Rondom onze woning strekte zich het oerwoud uit. Overal zag je de bergtoppen, begroeid met enorme woudreuzen, waarin zich lianen omhoog kronkelden. Dicht, donkergroen oerwoud door mijn vader boerekool genoemd. Dikke, oude boomstammen begroeid met de fraaiste orchideeën en boomvarens geleken op zuilen van Romeinse bouwwerken. Aan alle kanten tsjirpten de honderden cicaden, de tonggérets en kleine aapjes, waarschijnlijk soerili’s, sprongen van tak tot tak of verscholen zich achter de grote scindapsisbladeren.
In de verte konden we het bergdorpje Sindanglaia zien liggen en bij helder weer de bergen bij Bandoeng. Wanneer we ’s morgens vroeg bij het opgaan van de zon de laaghangende nevels in zachtlila flarden het ravijn in zagen drijven, terwijl we onder het zinken afdak van ons ‘buiten’ koffie zaten te drinken, dan werden we als stadsmensen steeds opnieuw weer geconfronteerd met de schoonheid van de bergnatuur, de stilte en de geur van het ons omringende oerbos. Dan staken de grote, witte kelken van de geheimzinnige Ketjoengboeng (Datura arborea) scherp af tegen het donkere gebladerte. Geheimzinnig ja, want de plant is zeer giftig en bedwelmend.

Waterleiding
Vaak ondernamen we klim- en wandeltochten naar boven, dwars door het woud. Om niet te verdwalen volgden we dan de op de grond liggende bamboewaterleiding tot bij de bron aan de top. Zo’n leiding kon jarenlang mee mits hij goed in het teer was gezet en de witte mieren geen kans kregen hun vernielende werk te doen. Soms moest er een stuk bamboe vernieuwd worden, maar daar zorgde Ras wel voor. Van mensen had de waterleiding niets te duchten, want hier kwam zelden iemand. Hooguit een houtskoolbrander, die een paar maal per jaar de leiding passeerde om hoog in het bos z’n werk te doen, maar die haalde het niet in zijn hoofd om ook maar iets te vernielen. Dergelijke streken haalde men niet uit. Vooral de Soendanese bergbewoners zijn het die respect hebben voor andersmans eigendommen en voor de natuur. Zijn adat gebiedt hem zich in God’s mooie natuur eerbiedig te gedragen en niets onnodig te vernielen.

Wanneer wij dan na ongeveer een uur de bron hadden bereikt en zo’n honderdtwintig bamboes van elk een meter of tien hadden geteld, lag daar de bron. Een klein, dun sliertje water dat al eeuwen gestadig uit de stenen sijpelde en een klein meertje vormde vol kleurige kiezelstenen, voorzag ons via het bamboebuizenstelsel van het glasheldere water. Aan de rand van de plas zagen we vele vlinders en bijen en hier en daar troffen we sporen aan van dwerghertjes, kidangs of kantjils. De loewak, de beruchte civetkat (Paradoxurus) verraadde haar aanwezigheid door haar uitwerpsels.

Natuurmens
Ras was een echt natuurmens, met recht een “rasecht” natuurmens, die overal in het bos de weg wist. Het verwonderde ons alleminst dat naast zijn huisje enkele bijenkorven stonden. Soms wist hij aan de top van zijn wijsvinger of op zijn hoofd een compleet bijenvolk mee te nemen. Thuis deponeerde hij het volk dan in een uit een uitgeholde varenstam gemaakte korf. Een hele ‘tros’ bijen, hangend rond hun koningin wist hij dan over een kilometer of meer naar huis te dragen zonder ook maar éénmaal te worden gestoken. Ras kende elke boom, hij wist de schuilplaatsen van de geel en bruingevlekte tijgerkatten te vinden, de broedplaatsen van de boshoen, de tjanégar waren hem bekend. Op een stuk glas, een scherf van een ruit of fles sleep hij met eindeloos geduld de fraaiste sierstenen, stenen uit de bron. Agaat en amethist, hij wist ze te vinden en te bewerken. Met allerlei vreemde keelgeluiden wist Ras als de wind gunstig was, hertjes en vogels te lokken.
Hij was de vertrouweling van mijn ouders. Een man die jarenlang ons huisje bewaakte en onderhield. Voor mijn broer en mij was hij de man die ons in zijn zangerig Soendanees kon vertellen over de boosaardige boskatten, de méongs, over de djoerieks, de bosgeesten en over de heilige bomen in het bos. Zeer verdienstelijk kon hij ’s avonds, gezeten op een matje bij het schijnsel van een oliepitje, spelen op zijn bamboefluit, de soeling. Wij vonden dat als jongens prachtig, maar mijn vader vond dat een vreselijk geluid en zei altijd: “Laat die man in vredesnaam ophouden, ik krijg wat van dat gepiep”. Maar ja, het geluid van de soeling behoort nu eenmaal bij het Soendanese bergland.

Later toen ik zelf veel en veel meer onder het plantagevolk leefde en ik met hen moest werken van mijn ouders, begreep ik alles beter. Ik ging van hun levenswijze, hun gewoontes en opvattingen houden, maar hoe kan dat ook anders wanneer je vanaf je prilste jeugd in de tropen bent opgegroeid. Op de plantage waren het de Soendanesen die tot het prettigste werkvolk behoorden: gewillig, vrolijk van aard en beleefd deden ze hun werk.
Mijn ouders kwamen eerst op latere leeftijd naar Indië, toen ze beiden al bijna veertig waren. Wij als jochies van vier en zes zwommen in de kalie en brabbelden maleis en soendanees dat het een lust was. Mijn vader heeft de Maleise taal nooit vlot leren spreken en doorspekte zijn opdrachten en orders aan het werkvolk altijd met Franse woorden. Desondanks begreep men hem, onbegrijpelijk.

Het einde van een mooie tijd
Ras, de bewaker, de verteller en de fluitist werd oud, dat konden we goed merken als we een tijdje niet geweest waren, maar hij bleef doorgaan voor zijn toewan. Zich doodwerken hoefde hij niet, hij had het vruchtgebruik van het tuintje en een voor die tijd goed loon. Zo nu en dan, wanneer wij niet op ons landje waren, stuurde mijn vader hem wat extra geld via het postkantoor in Sindangglaia of hij ging het hem zelf brengen.
Het was maart 1926  toen mijn vader en ik en Karta naar boven reden om eens poolshoogte te gaan nemen. Die dag vergeet ik nooit. Nooit meer. Bij onze aankomst regende het. De Poentjakpas zat in een dik pak wolken en het was kil. Ons huis lag er vreemd en droevig bij en uit het atapdak van Ras’ huisje steeg geen rook op. Er moest iets gaande zijn. En ja hoor, de vrouw van Ras, z’n zoon en diens vrouw verwelkomden ons aan het zijpad, want ze hadden de auto boven aan de verkeersweg al horen stoppen. Staande in de druilerige regen vernamen we dat Ras de vorige dag overleden was. In een draagstoel had men hem nog naar Sindangglaia gebracht, reeds bewusteloos en daar was hij  bij aankomst in het huis van zijn zoon gestorven. Nog diezelfde dag was hij begraven. Ras, onze oude sobat was dood. Het kon gewoon niet waar zijn. Maar Baba Ras zoals we hem noemden, was niet meer. Verslagen hoorde mijn vader, ik en Karta het relaas aan en zonder dat we wat konden zeggen reden we terug.
Enige dagen later reed mijn vader naar Buitenzorg (nu Bogor geheten) om daar alles te regelen met betrekking tot het schenken van het huisje aan de weduwe van Ras en diens zoon. We wilden niet meer terug naar die plek, waar alles zo droevig was verlopen, terwijl wij van niets hadden geweten. Later maakten we aan de weduwe, dat tanige oude wijffie, maandelijks wat geld over en soms kwam de zoon van Ras ons in Batavia nog bezoeken. Dan bracht hij vruchten en bloemen mee, bloemen die Ras nog had geplant. Ook had hij altijd wat honing bij zich, honing van de bijen die Ras bij de bron had verschalkt. Nooit zijn we meer op de Poentjakpas geweest. Er werd geen vakantie meer in de stilte doorgebracht. Alles was voorbij. Kort daarop vertrokken wij voor een jaar naar Nederland voor een Europees verlof.

In 1949, na de oorlog met Japan, toen mijn vader was gestorven in een Japans concentratiekamp en ikzelf bijna vier lange jaren gevangen had gezeten, ben ik in mijn eentje nog eens gaan kijken op de Poentjakpas. Ik ging op zoek naar een stuk verleden en na veel zoeken vond ik beneden in de bocht van de weg de plaats waar eens ons huisje stond. Er stond geen huisje meer, slechts een vage, kale plek tussen het onkruid. Er was niets meer en slechts aan een boom herkende ik de plek. Het paadje was overwoekerd met lantanastruiken en doornige heesters. Alles was weg. Een stuk dakpan en een stuk hout met een spijker raapte ik op. Was dit de plaats waar we eens zo’n gezellige tijd hadden doorgebracht en waar in het knusse huisje warme chocolade en koffie werd gedronken? Het was onvoorstelbaar. Ik heb daar gestaan, beneden in het kleine, smalle ravijn, bij het waterstroompje dat eens onze badkuip vulde. Ik heb daar staan luisteren naar de cicaden in het bos, hetzelfde bos van toen, met dezelfde bomen. De Ketjoengboeng bloeide nog steeds met haar witte, hangende kelken en in de bomen hoorde ik aapjes ravotten, wellicht kinderen of kleinkinderen van de dieren die hier leefden toen wij onze vakanties hier doorbrachten. Het was doodstil en ik dacht aan de dag dat ik tesamen met mijn vader het doodsbericht van Ras vernam “Nu is mijn vader zelf dood,” dacht ik, ” vermoord door de Jappen, in een kamp ergens in Midden-Java.” Vermoord ja, wat een man van bijna zeventig opsluiten in een hongerkamp noem ik moord. Bij al die gedachten liep een rilling langs mijn rug en ik vond het hier ineens griezelig. Ik kreeg het koud en voelde me kwaad worden. Nog even luisterde ik naar de cicaden in de hoge poespabomen en na ruim vierentwintig jaar, waarin zoveel was voorgevallen, hoorde ik weer, maar nu in gedachten, de soeling van Bapa Ras.
“Deze dingen typeren het leven,” dacht ik en teleurgesteld, droevig en kwaad tegelijk smeet ik een steen tegen de grond. Het hielp niet…

Boven aan de weg moest ik wachten op het autobusje van een Chinese ondernemer uit Soekaboemi. Het wachten duurde lang. Ik wilde weg van deze plaats en wilde nooit meer terugkomen. Ik had ook niet naar deze plaats terug moeten gaan… Ik had alles moeten laten zoals het was. Ik had geen herinneringen moeten oproepen.
Maar tja, een mens maakt fouten.

herinnering, natuur Tangkuban Perahu, Guntur, Kota Jakarta Selatan, Jakarta, Indonesië

Jouw verhalensite met verhalen over Indonesië. Oude en nieuwe verhalen. Om te lezen, maar ook om zelf te publiceren. Doe mee en beleef mee!