Eene Vendutie te Silondoeng

door:H van Eeckenrode | 7 april 2014 |Cultuur, Historisch, Overig

“Boemboemm, boemboemm”dreunt de gong (koper klankbekken) door het stille Silondoeng. Plechtig maakt de omroeper, met luide eentonige stem bekend, dat de inboedel van den heer Karels aspirant controleur, ten huize van genoemden heer Karels, in het openbaar zal worden verkocht. “Boemboemmm!”klinkt weer de gong en talrijke inlanders, mannen vrouwen en kinderen, die hem met belangstelling hebben aangehoord gaan weer den kampong binnen, want inlanders loopen een omroeper niet na door de gehele stad zoals vroeger in Holland gebeurde. Een honderd meter verder herhaalt zich hetzelfde tooneel.Den morgen van de vendutie bezocht mij Burgers:
“Van Eeckenrode, dat is iets voor U! Nu kunt gij u alles aanschaffen, wat gij noodig hebt , maar het zal niet goedkoop weggaan, gij begrijpt, hij is een ambtenaar en van invloedrijke familie: Er zal dus flink geboden worden.”

Wij begaven ons naar het huis van Karels. Voor den ingang zat deftig de omroeper en sloeg onophoudelijk op den gong, wiens dreunende welluidende galmende tonen de bewoners van Siloendoeng ter vendutie opriepen.

Van alle zijden kwamen planters en andere Europeanen, die buiten Siloendoeng woonden, aanrijden in hun lichte rijtuigjes. Er bevonden zich reeds eene menigte Hollanders, Chineezen en welgestelde inlanders in Karels woning, toen wij aankwamen en daar wij nog een half uur de tijd hadden, nam Burgers de gelegenheid waar mij nog aan eenige heeren, waaronder dokter Boorzalf, twee controleurs en eenige Duitschers voor te stellen.

De kapitein trad op mij toe, al tikkend met de karwats tegen zijn witten uniformbroek.

“Wel mijnheer van Eeckenrode, komt gij ook eens kijken? Maar het is ook waar , gij zijt nog niet ingericht. Nu, Karels heeft goede spullen, gij hebt ruime keus; doch: gij moet flink opjagen, want hij was een braaf en flink ambtenaar, hij is een bijzondere vriend van mij. Ik gun hem gaarne een voordeelige vendutie.”

“Ik ben van hetzelfde gevoelen, mijnheer Slamaar.”  “Een vreemde gewoonte mijnheer van Eeckenrode, dat vendutie houden in Indië, maar dat is een gevolg van die herhaalde overplaatsingen. Ik herinner mij eene zonderlinge vendutie te Loemadjang, ik was toen nog geen kapitein. Een invloedrijk ambtenaar wilde eens beproeven, hoe het hem zou gaan, als hij in het huwelijk trad. Maar daar zijn rommel oud en versleten was en hij zijn vrouwtje gaarne in eene keurig ingerichte woning wilde binnenleiden, besloot hij, alles op vendutie te zetten.

Zijn half vermolmde spullen werden verkocht tegen schandelijk hooge prijzen; een voetebankje, bijvoorbeeld, ging voor achttien gulden. Zoo geraakte hij zijn oud gedoe kwijt en hield nog een aardig sommetje over, nadat hij zich een keurig ameublement aangeschaft had.

Doch de arme particulieren werden met zijn rommel opgescheept. Dit vindt ik nu zeer ongepast, men houde slechts vendutie wanneer men er toe wordt genoodzaakt door overplaatsing; men moet zoo iets niet als winstgevend zaakje beschouwen.” “Och”, sprak dokter Boorzalf, “dat is nu eenmaal Indische gewoonte. Evenwel, indien de ambtenaar, die zijn inboedel laat verkoopen, werkelijk een flink, eerlijk en welwillend mensch is, zooals Karels, dan heb ik er niets tegen en bied om het hardst mede: iedereen heeft dan iets voor hem over.”

Plotseling zwegen allen, want de afslager, een sierlijk gekleed maleiër, met een geborduurd mutsje op het hoofd, was opgestaan. De secretaris wenkte zijne schrijvers en de vendutie begon. Het eerste voorwerp, dat onder den hamer kwam ,een blikken koffiekan, werd ingezet voor vijf gulden en met eentonige stem riep de afslager:

“Lima roepiah, lima …..liiima!”  “Zes!”riep Burgers.  “Anam roepiah,….anam….ääänam,… anam roepiah, saatoe kali, ….aaanam, doewa kali, ….Toedjoeh roepiah! …Toedjoeh,… satoe kali, ….delapan,…delaaapan, delapan roepiah, satoe kali, delaaapan….delapan roepiah, doewa kali…delapan ti….”

“Sembilan” riep Burgers weer. “Sembilan roepiah, sembilan, sembiiiilan roepiah, …satoe kali, sembilan roepiah doewa kali, ….sembilan, ….sembiiiilan, sembilan roepiah, tiga kali”; klap, de hamer viel en Burgers bezat een blikken koffiekan voor negen gulden.

Het tweede stuk, een oude kast, werd ingezet voor dertig gulden. “Tiga poeloe,”riep de maleier, “tiga poeloe, …tiga poeloe doewa,….doeoeoewa.” “Lima poeloe!”riep de dokter. Een uitbundig gejuich  volgde op dit flinke bod. Ik knikte met het hoofd, want de guitige maleier zag mij aan.

“Toewan Ekeroeng”riep hij, “lima poeloe satoe”, saaatoe, …..saaatoe, ….lima poeloe satoe, satoe kali”, …en zoo voort; de oude kast werd mijn eigendom voor zestig gulden.

Aldus ging alles voor buitensporige prijzen; een papegaaikooi voor vijfentwintig gulden, een boekenrekje voor dertig. Ik kreeg acht stoelen voor twintig gulden het stuk.

Opeens wordt een oude vieze hoed in de hoogte gestoken en ingezet voor zeven gulden. De vroolijkheid wordt algemeen ; men biedt tegen elkander op, totdat Burgers de gelukkige eigenaar werd voor drie en twintig gulden. Hij bekijkt het ding en roept verbaasd: “Dat is mijn hoed, gij hebt mij mijn eigen hoed verkocht!”

Schaterend gelach en geroep van: “Djoewal lagi, djoewal lagi!” Dit betekent : verkoop hem nog eens en wanneer dit gedaan wordt, staat de bezitter zijn eigendomsrecht op het gekochte voorwerp weder af aan den verkooper. Het wordt dus nogmaals verkocht en brengt dubbel geld op.

Zoo geschiedde ook met Burgers hoed, die ten tweeden male voor vijf en dertig  gulden zijn eigendom werd.

Nadat alles verkocht was, schonk de kapitein een glaasje cognac in, hield het in de hoogte en riep: “Een glaasje cognac, inzet tien gulden!” en ieder bood : de geestdrift was algemeen, tot eindelijk luitenant Raker het kreeg voor vier en twintig gulden en het in een teug ledigde.

Een tweede glaasje werd driemaal achtereen verkocht voor dertig gulden en als de vendutie was geeindigd, ontving Karels voor zijn inboedel, die nauwelijks een waarde had van elfhonderd , eene som van: vijfduizend, acht honderd twintig gulden, veertien en een halven cent. Aldus geraakte ik in het bezit van mijne meubelen.

Noot:  Lima, vijf. Anam, zes.Toedjoeh, zeven. Delapan, acht. Sembilan, negen. Tiga poeloe= dertig. Lima poeloe= vijftig. Kali, maal, keer. Satoe; doewa; tiga kali= een-twee-driemaal. Roepiah=gulden. Lima poeloe roepiah= vijftig gulden

Na de vendutie noodigde Burgers mij uit, een rit te maken in zijn rijtuigje. Ook de dokter stapte mede in. Deze laatste was een schoon, welgevormd man met regelmatige, doch ietwat koude en hardvochtige trekken; hij bleek echter een geestig en onderhoudend mensch te zijn.

Wij reden een weg op, welke door een heerlijk dal voerde, dat ingesloten was: aan de eene zijde, door steil omhoog rijzende, aan de andere door zacht glooiend oploopende bergen. Langs den weg in het laagste gedeelte van het dal stroomde een breede bruisende rivier, terwijl hier en daar een inlandsch huisje zichzelf verhief boven het groen.

“Karels heeft een mooie vendutie gemaakt, “zeide Burgers. “Zeker,” sprak de dokter, “gij hebt uw hoed tenminste nogal redelijk betaald”.

“Mijnheer Boorzalf,”merkte ik op, zulk een vendutie vind ik alleen verschoonbaar, als er werkelijk hoog geboden wordt, om den vertrekkenden ambtenaar, als het ware, een hulde te brengen. Is dit zoo niet, doch is is alleen eigenbelang en ambtenaarsvrees de drijfveer op eene vendutie, dan noem ik haar een bedekte bedelarij, een vermomde afzetterij.”

“Als een particulier zijn inboedel verkoopt, gaat het soms heel anders toe”, sprak Burgers, “ik heb eens te Malang eene vendutie medegemaakt, die op mij een droevigen indruk maakte. Hebt gij Sanders nog gekend, dien rijken koffieboer, die vroeger te Malang woonde? Hij moest, wegens ziekte, naar Europa terugkeeren en deed zijn inboedel verkoopen: een prachtige inboedel, waaronder een billard, een piano en een keurig huisorgel. Ja, ik geloof, dat alles bijelkaar wel een groote twintig duizend gulden waard was.

Maar slechts weinigen bezochten de vendutie, geen enkel ambtenaar achtte het de peine waard, eens te komen zien, nog minder iets te koopen. De inboedel bracht hoogstens vijfduizend gulden op. En toch was Sanders een der beminnelijkste goedhartigste menschen, die ik gekend heb; onophoudelijk kwamen er gasten bij hem logeeren en sommigen bleven dan soms veertien dagen of drie weken achtereen ; bij allle venduties was hij trouw tegenwoordig geweest en had steeds voor belangrijke bedragen gekocht. Meer nog: wist hij, dat de ambtenaar die zou vertrekken, een onbemiddeld man was, dan deed hij zijn best om ieder bod zoo hoog mogelijk op te jagen. Maar voor Sanders kwam het er niet op aan.

Een gewoon burger heeft niet veel invloed en kan weinig nadeel berokkenen door tegenwerking of kwaadwilligheid, vooral niet, als hij op het punt staat te repatrieëren”.

“Dit is een treurige geschiedenis”, sprak de dokter, “ik beleefde eens een geval van anderen aard. Op een vendutie te Cheribon bevond zich ook een arm klerkje, een sinjo. Er werd een Chineesch tafeltje verkocht: reeds vijfendertig gulden was er op het prul geboden en onze sinjo riep onvoorzichtig: “Zesendertig”, Hij dacht zeker: “er zal nòg wel een bod komen”. Maar jawel, de hamer viel en het bleef zesendertig : de arme kerel werd eigenaar van een nietig tafeltje, nog geen drie gulden waard, voor een buitensporigen prijs, welken hij niet kon betalen”.

Opeens reden wij een inlander voorbij, in wien ik, tot mijne verrassing , mijn tuinjongen Silver, herkende.  “Burgers”,riep ik, “houd eens even stil. Silver wat doet gij hier?” “Mijnheer, ik zoek gras voor de paarden die mijnheer op de lèlang (verkooping) zou koopen.”

Ik had werkelijk paarden gekocht en dit reeds eenige dagen geleden Silver dat gezegd, opdat hij den stal zou kunnen in orde brengen, maar ik had hem niet bevolen, gras te zoeken en wist dat Silver niet zoo ijverig was, om dit uit zich zelven te doen.

“Silver, als gij gras zoekt, waar is dan uw grasmes en waar uw pikoelan ( draagstok) ?”

“Mijnheer, die liggen ginds, in dat boschje, daar is de open plek, waar ik zocht’. Ik begreep, dat hij loog, doch ik wilde mijn vrienden niet langer ophouden en wij reden verder.

“Is dat niet de jongen van Sliering,”vroeg Burgers, “Sliering bezocht mij, toen hij te Silondoeng was en als hij mij verliet, zag ik, dat die eenoog hem aansprak”. Ik was verwonderd, doch antwoordde: “Neen, hij is mijn tuin- en staljongen, hij heeft toen zeker een boodschapje voor Sliering gedaan”.

Doch ik vertrouwde dien Silver niet: wat had hij met Sliering te bespreken?

Een half uur later stapte ik uit voor mijn huis, terwijl Burgers en Boorzalf verder reden. Dadelijk, na mijne thuiskomst, riep ik mijn waschman Norsidin en zeide hem:  “Norsidin, ik heb een bediende teveel en , daar Silver flink en werkzaam is zal hij in uw  plaats waschman worden: gij kunt dan naar Batavia teruggaan”.

Norsidin zag mij verbaasd aan: “Mijnheer maakt een grapje, dat zal mijnheer toch niet meenen : Silver is een slecht mensch, mijnheer. Hij is mijn vijand, want hij heeft drie hoofddoeken en een witten broek van mij gestolen. Hij krijgt geld van den heer, die hier drie dagen geweest en daarvoor zegt hij deze alles, wat hij te Silondoeng hoort. En hij hoort veel: hij is bevriend met alle bedienden, baboe’s en kokki’s van Silondoeng”.

“Het is goed, Norsidin, gij spreekt de waarheid. Ik vertrouw Silver niet meer, doch ik zal hem nog niet wegzenden. Gij moet echter goed op hem letten en, zoodra gij iets verdachts bespeurt, moet gij het mij zeggen”.

Norsidin ging heen met vroolijk schitterende oogen, want, wat ik hem opdroeg, was juist een kolfje naar zijn hand.

Een ogenblik later kwam Silver binnenstappen. De schelm droeg werkelijk een pikoelan gras, dat hij inderhaast gesneden of, van een anderen inlander gekocht had.

—–

Opm: Oorspronkelijk verhaal van H. van Eeckenrode (deel IV uit de reeks Verhalen van Silondoeng). gedigitaliseerd door P. Lemon

Indonesië

Jouw verhalensite met verhalen over Indonesië. Oude en nieuwe verhalen. Om te lezen, maar ook om zelf te publiceren. Doe mee en beleef mee!