Eene ontmoeting

door:H van Eeckenrode | 21 juli 2014 |Cultuur, Historisch, Overig

“Zeg eens, wat komt gij hier doen? “ riep ik tot twee jonge inlandschen, die mijn tuin binnentraden, uit beleefdheid zooveel mogelijk terzijde het hek volgend. De oudste telde ongeveer achttien jaren en droeg een jong kind op den arm, de jongste was zestien en ongehuwd hetgeen ik opmerkte uit kleeding en versierselen. Op mijn onverwachte vraag stonden zij stil en zagen mij verschrikt aan, zij naderden evenwel en hurkten voor mij neer. De oudste nam het woord: “Mijnheer, wij zijn vriendinnen van Saripa, uwe kokki en komen haar een bezoek brengen.”

 Met welgevallen beschouwde ik beider lief, onschuldig gelaat en zeide : “Ik riep u, wijl gij mij bekend zijt.” “Mijnheer, “ antwoordde de oudste verbaasd, “hoe zoudt gij ons kennen, gij hebt ons nog nimmer gezien of toegesproken!” “Zoo Serindja, meent ge dat? En gij , kleine Serodja , denkt gij evenzoo, gelijk Serindja?” Beide zusters schrikten en zagen mij aan met eerbied en verbazing, daarna sprak Serindja : “Mijnheer weet alles, de blanken zijn wijs,” en maakte eerbiedig sembah. “Serindja , hoe maakt het uw echtgenoot Samin?” Nu verwonderden de bevallige zusters zich over niets meer en Serindja zeide: “Mijnheer, Samin is gezond en zonder zorgen, wij zijn gelukkig en dit is onze zoon Dirio, die reeds vijf maanden oud is.”

 Het was voor het eerst, dat ik van zoo nabij een klein Javaantje zag. Het kind was nog blank en zag er zoo aardig uit, zijne oogjes keken zoo wijd en verbaasd rond, dat ik Serindja verzocht, het eens aan mij te geven. Ik nam het aan, zoo voorzichtig en zoo angstvallig, mijn gelaat scheen zulk eene uitdrukking van angst en bezorgdheid te hebben gehad, dat Serindja en Serodja zich omkeerden en het vroolijkste en hartelijkste gelach deden hooren, dat ik ooit uit een vrouwenmond vernam.

Ik bezag mijn klein Javaantje, zijne groote zwarte oogen keken mij strak aan, het was misschien verwonderd , zulk een blank gezicht te zien. Ik onderzocht de nietige vingertjes en nam ze tusschen mijne grove vingers, zoo voorzichtig, alsof zij niet uit vleesch en been, doch uit spinrag bestonden. Nadat ik het kind onder de kleine kin streelde, lachte het en deed een geluid hooren dat weer te geven is door: “wa, wa, baaaa !” en Serindja sprong op en snelde op haar zoontje toe, vergetende , dat het op de knie van een Europeaan zat en riep: “Serodja, Dirio, spreekt en lacht! Oh, ampoen endoro toewan!”

 “Welneen Serindja, neem uw zoon maar weer in uwe armen!” “Dit zijn de eerste woorden, die hij spreekt mijnheer, wij moeten ze onthouden en hij heeft nog nimmer gelachen!” en Serindja zag haar eersteling aan en kuste hem met zulk eene uitdrukking van tederheid en moedervreugd op het gelaat en Serodja was zoo verheugd over het geluk van hare zuster, dat ik het betreurde, geen teekenaar te zijn, om dit liefelijk tooneel te kunnen weergeven. Ik groette de bezoeksters en zij vervolgden haar weg, doch sedert dien tijd stond ik in geheel Silondoeng bekend als als een man die alles wist en de namen en de harten der menschen kende. Norsidin bracht mijn paard voor, wijl het mijn wandeluurtje was. Ik sprong in den zadel en zocht door een woeste rit uitspanning voor een ganschen dag afmattend schrijfwerk op mijn kantoor.

Langs den Chineeschen Kamp keerde ik terug en zag, toen ik ik den Maleischen kampong inreed plotseling iets, dat mijne aandacht in beslag nam, namelijk : een schoenmakerswinkeltje , een soort pothuis, met naar buiten uitslaand luik, waarop allerlei gereedschappen lagen. In het winkeltje zat een Europeaan te werken en hem ziende, kwam mij Amsterdam voor den geest , met donkere straten en smalle grachtjes, aan wier hoeken zich pothuizen bevinden, waarin schoenmakers voorovergebogen aan den arbeid zijn in gezelschap van duiven, kanaries, vinken of eksters.

De man was ongeveer veertig jaren oud en had het gewone, alledaagsche voorkomen van een man uit de geringe klasse. Hij was middelmatig van gestalte, mager en gekleed in een blauw tot aan den hals toegeknoopte Singapore jasje. Ik stijg af, werp de teugels van mijn paard toe aan een inlander, met verzoek, het naar huis te geleiden en stap binnen. “Wat belieft mijnheer,” vraagt de Europeaan, wat is er van mijnheers verlangen? Mijnheer moet maar niet kwalijk nemen, dat het hier zulk een rommel is.” “Wel goede man, ik rijd hier voorbij en zie een Hollandschen schoenmaker, wie had dit in Silondoeng verwacht, nu ik dat weet zult gij al mijn schoenen leveren. Doch ge zult begrijpen, dat ik nieuwsgierig ben te weten, hoe ge er toe kwaamt, schoenmaker te worden in een uithoek der wereld, als Silondoeng.” “Mijnheer, dat is eene lange geschiedenis en het zal mijnheer vervelen, indien ik dit alles ging vertellen. Ik dank u , dat gij mij de klandizie wilt gunnen, want ik heb het niet druk en dikwijls valt het moeilijk aan den kost te komen.”

Terwijl ik naar hem luisterde en reeds aan zijn eerste woorden en manieren had bemerkt, dat hij een echt Amsterdammer was, uit Jordaan, Willemstraat of aangrenzende buurten, trof mij de uitdrukking van schuwheid en geslotenheid, welke men op zijn gelaat bespeurde en die slechts kon ontstaan zijn door zijn omgang met inlanders en vervreemding van zijn landgenooten. “Zeg mij eerst uw naam,” vroeg ik. “Mijn naam is Jacob Leder, mijnheer.” Nu waarde Leder , het zal mij volstrekt niet vervelen, uwe geschiedenis te vernemen, tenminste , indien gij er niets tegen hebt en ik u niet van uw werk afhoud.” Zonder, dat ik hem met achting en vriendelijkheid behandelde, kwam er over Leder’s zorgelijk, kleinburgermanachtig gelaat een glimlach en hij verzocht mij, binnen te treden in zijn huiskamer, een klein donker vertrek dat er echter vrij net en zindelijk uitzag, en zetten ons aan de kleine tafel. Terwijl mijn gastheer eene lamp aanstak, vroeg ik: “Mijnheer Leder, kunt gij niet even een inlander binnenroepen ? Vraag hem dan eens of hij paït wil halen bij de den Chinees, want ik wil trakteeren.” Aldus geschiedde.

Leder was een weinig onbeholpen en in ’t begin verlegen met zichzelf, daar hij in langen tijd niet met een Europeaan had gesproken, doch hij kwam spoedig op dreef en begon zijn verhaal: “Mijnheer, ik ben Amsterdammer van geboorte en mijne familie woonde op de Lindengracht. Op dertienjarigen leeftijd werd ik sigarenmaker; mijn vader was toen reeds lang dood, ik heb hem nimmer gekend en mijne moeder onderhield haar klein huishouden door uit schoonmaken te gaan. Later echter moest ik haar geheel alleen onderhouden, daar zij doof en slecht van gezicht werd. Gij begrijpt mijnheer, dat het armoe bij ons was en een harde slag toen ik er inlootte en moest gaan dienen. Ik was wanhopig want mijn broeder die twee jaren jonger is dan ik, verdiende niet genoeg. 

In de kazerne werd een stuk voorgelezen hetwelk de mededeeling bevatte, dat ieder die lust had kon teekenen voor Indië. Men beschreef de heerlijke bootreis, de prachtige natuur der tropen, wouden en dieren, de ondervinding die wij zouden opdoen, den gemakkelijke dienst en nog veel meer, waarvan helaas zoo weinig waar bleek te zijn. En ik teekende voor zes jaar mijnheer, om zodoende aan mijne moeder geld te bezorgen en haar in te koopen in een net gesticht. Ik maakte haar alles bekend, wanneer ik mij reeds niet meer kon terugtrekken en het goede mensch was doodelijk ontsteld , toen zij dit hoorde. Zij weende, maar er was niets meer aan te veranderen en toch was zij verheugd, dat ik mijzelf, als het ware verkocht had uit liefde tot haar! Iedere

Op het oogenblik van mijn vertrek omhelsde zij mij en sprak: “Jacob, brave jongen, ik zie je misschien nooit weder hier op aarde, maar Onze Lieve Heer zal voor je zorgen. Denk er aan, dat hij alles ziet en dat iedere dag waarop gij iets slechts hebt gedaan, oneerlijk zijt geweest, uw evenmensch bedrogen, benadeeld of liefdeloos behandeld hebt, voor u verloren is: het ware dan beter voor u, dat gij dien dag niet haddet geleefd. Hier, neem dezen rozenkrans en bid elken dag een tientje, dan zult gij een flinke goede jongen blijven en aan God en mij denken.” Ik huil niet gauw, mijnheer, maar toen huilde ik toch als een klein kind, toen begreep ik eerst, welk een stap ik had gedaan en hoe groot en goed de moeder was, die ik achter moest laten. Leder keerde zich om , wreef zich het oog en riep: “och wat tocht het hier, daar waait stof in mijne oogen, ik zal even de deur dicht doen. Daarna vertrok ik naar Batavia, waar ik werd gedrild en ongeveer een half jaar bleef. Hier zag ik reeds, hoe geheel anders het leven was, dan men ons had voorgespiegeld. De dienst is hier streng en zwaar, het leven hard: de soldaat is in Indië weinig meer dan een slaaf. Maar wat mij het meeste trof, waren de blikken vol verachting en minachting waarmede andere Europeanen mij aanzagen, als ik hen op straatvoorbijging. Wanneer ik hen te dicht naderde, weken zij uit, alsof ik een schurftig dier ware geweest.

Ik had niemand, om mede om te gaan dan mijne medesoldaten en dit waren lieden waarmede ik geen lust had mij af te geven. Maar ik leefde daardoor zo afgezonderd , had zoo weinig kameraden, welke zich met mij wilden bezighouden,ik werd zoo bespot, omdat ik roomsch was, zoo gesard en geplaagd, wijl ik niet zedeloos was als zij. Zoo dikwijls bestolen en bij de inspectie gestraft, omdat mijne zaken gestolen en dus niet aanwezig waren, dat ik moedeloos en wanhopig werd. Ik dacht aan mijne moeder en aan de laatste woorden, welke zij mij had toegevoegd en ik hield mij lang staande.Doch niemand zag mijn worstelen, niemand moedigde mij aan en hierdoor kwam het, dat de strijd mij te zwaaar werd en ik ten laaatste bezweek. Ik bad niet meer geregeld mijn tientje, schreef minder vaak aan mijne moeder en zocht afleiding en troost in den drank. Ach hadde ik slechts één goed kameraad gehad, ware er maar één officier geweest, die op mij hadde gelet en gezegd: “Leder, ge zijt een flinke kerel, ga zoo maar voort!”dan hadde ik mij kunnen staande houden, want dit zou mij een steun geweest zijn. Doch zoiets gebeurde nimmer, want de officiers waren al even slecht en onzedelijk als de soldaten.

Eindelijk kwam het zoo ver, dat ik eene huishoudster nam, gelijk mijn kameraden, want het werd mij onmogelijk, langer te leven, zonder dat er iemand was, die mij beminde en welke ook ik kon vertrouwen en beminnen. Zij was eene Maleische uit de Padangsche Bovenlanden, waar ik mij toen bevond, en heette Sirdja. Zij was nog zeer jong en heeft mij gediend en verzorgd met onbezweken trouw. Met mij verdroeg zij vermoeienis, honger en dorst en haar gezelschap en haar overreding deden mij den drank weer vaarwel zeggen en iets beter worden.

Daarna werd ik naar Atjeh gezonden mijnheer en heb gestreden als een dolleman. Ja , Mijnheer, als wij aan den gang zijn, is er niets, dat ons kan tegenhouden: dan vechten wij met de grootste doodsverachting. Zoo heb ik nog geholpen eene versterking der Atjehers te nemen. Wij hadden ze omsingeld, midden in den nacht en waren reeds de versperringen overgeklommen, voor de vijand ontwaakt was. De dappere kerels vlogen op en stormden met klewangs en pieken op ons af, de hoeloebalangs voorop.

Wij schoten in het wilde in den troep, zoodat verscheidene van onze jongens gevallen zijn door de kogels hunner eigen makkers, daar wij in een kring stonden. De voorsten drongen vooruit met de geweren dwarsch voor zich. Wij schoten en sloegen alles neer, wat ons in den weg kwam, alles: vrouwen en mannen, meisjes en jongens. Ja, mijnheer zoo wordt men, als men eenmaaal aan het vechten is en zijne makkers naast zich ziet neerstorten. Ten laatste omsloot onze kring slechts een stapel lijken en gewonden.

 Het gaat er anders toe, mijnheer, dan men in Holland uit de couranten leest. Als ik van vermoeiende marschen en uit bloedige gevechten huiswaarts keerde, dan wachtte Sirdja mij reeds op. Ja, die goede Sirdja, zij troostte mij in neerslachtigheid en behoedde mij voor wanhoop; zij gaf mij raad in alle moeilijkheden. Gij kunt niet gelooven, mijnheer, hoeveel moed, getrouwheid en gezond verstand zulk eene inlandsche bezit: dikwijls gaf zij mij raad, dien de sluwste pleitbezorger haar niet hadde kunnen verbeteren. Gij zult haar straks wel zien, mijnheer, zij is nu naar den warong.

 In mijn vrijen tijd leerde ik haar Hollandsch lezen en schrijven: binnen vier maanden sprak en verstond zij reeds mijne moedertaal. Toch was mijn geweten ongerust, daar ik niet met haar was gehuwd; ik durfde het niet schrijven aan mijne moeder en vergat ten laatste mijn godsdienst of, tenminste, ik trachtte hem te vergeten.

Van Atjeh werd ik overgeplaatst naar Ambon, in een stadje, waar een vijftig man in garnizoen lagen. Hier verveelden zich alle militairen, zoowel officieren als minderen, doch voor de laatsten was dit het ergste. Evenals te Batavia werden wij door de weinige Europeanen veracht en beleedigd. Zoo waren het alleen en immer dezelfde makkers, waarmee ik moest omgaan. Des avonds zwierven we doellos door het stadje en gingen soms aan den boom zitten, indien wij er geen andere europeanen bemerkten. Doch wanneer dezen dan kwamen, bleven zij staan op enigen afstand en keken naar ons, zoolang tot wij vanzelf heengingen. Zij achtten ons zelfs geen groet waardig. Eens heb ik bijna zulk een nietswaardigen kerel willen aanvallen en afranselen. Ik groette hem, terwijl ik hem voorbijging: de vent groet terug, doch in het Maleisch, alsof ik een inlander ware!

We verdreven de verveling door spel en drank en op zon- en feestdagen hoorde men tot diep in den nacht ons geschreeuw en gezang weerklinken over de velden om het stadje. En toch , voor die Europeanen, welke ons zoo kleinzielig verachtten en beleedigden moesten wij ten allen tijde bloed en leven veil hebben. Ik ontving dikwijls brieven van mijne moeder wie ik al het geld toezond, dat ik overspaarde , want ik verdiende nog een aardig sommetje met schoenlappen in de benteng. Ik schreef haar terug, doch als ik haar zeide , dat ik nog steeds haar oude jacob was, kwam er een blos van schaamte over mijn gelaat, want op Ambon ben ik slechter geworden en spotten en lachtten met mijne kameraden over zaken , die mij heilig hadden moeten zijn; maar ik mijzelven steeds walgelijk gevonden, als ik dit deed , want als eenmaal in de jeugd het goede zaad in uw hart is gestrooid , kunt gij de kiemen ervan nooit geheel en al uitroeien.

Ik heb nimmer medegedaan aan die schandelijke uitspattingen en zedeloosheid die van den Indischen kazerne’s soms ware zwijnenstallen maken. Ach , als men voortdurend het slechte ziet, dan denkt men ten laatsten, dat het geen slecht meer is , wijl iedereen het doet en niemand zich hierover schaamt. Nu zijn er gelukkig te Batavia militaire tehuizen en christelijke vereenigingen, die tenminste nog enkelen onzer jongens redden of opbeuren. Nadat mijn diensttijd voorbij was, zou ik naar Europa terugkeeren, doch nu kwam er voor mij een vreeselijk ogenblik, want Sirdja moest achterblijven met mijne twee kinderen. “Sirdja”zeide ik “in Holland bezit ik eene oude moeder, die ik verlang weer te zien, maar als ik terug ben in mijn land , zal ik geen geld hebben om weder tot u te komen.”

Sirdja weende, dat ik vreesde haar hart te zien breken , doch zij was moedig en herstelde zich: “Jacob,” sprak ze “ik weet, dat gij mij bemint met veel liefde en ook , dat gij aan mij zult denken. Ga terug naar uw land, ook ik zal u trouw blijven en zeg aan uwe moeder, dat Sirdja haar bemint als eene dochter.” Nu kon ik mij niet meer kalm houden, dit was teveel , mijnheer: “Sirdja,”zeide ik en ik omhelsde haar , “lieve Sirdja, neen ik blijf bij u, wat er ook gebeure: wij zullen wel iets vinden om aan den kost te komen.”

 Wij bleven en ik werd schoenmaker , eerst te Padang, maar daar was te veel concurrentie, toen te Silondoeng. Hier ben ik gebleven tot nu toe , onbekend, verscholen tusschen inlanders en Chineezen ; doch ik ben gelukkig en tevreden en zal u zeggen hoe ik weer geheel op den goeden weg ben gekomen.

Pastoor Herder, die elk jaar te Silondoeng komt, kwam eens voorbij mijn huisje en ging binnen, toen hij mij zag, want hij kende het soort menschen, waartoe ik behoor en wist dat zij immer blijde zijn, wanneer iemand komt, om hen hartelijk toe te spreken. Hem zoo plotseling ziende binnentreden kwamen mijn verleden en gelukkige jeugd weder voor mijn geest en maakte ik hem bekend, dat ik Roomsch was. Gedurende eenige dagen kwam hij telkens bij mij aan, vertelde grappen en anecdoten en bracht vreugde en blijdschap in ons aller hart. Ten laatste begon hij eens over geloofszaken te spreken en zeide: “Jacob, zoudt gij niet weder willen worden, zooals in den tijd, dat gij nog een braaf jongeling waar?” “Ach pastoor,” antwoordde ik “dat gaat niet meer, ik ben reeds te ver afgedwaald!” “Jacob, dat moogt gij niet zeggen, gij hebt u flink gehouden hoor, flinker dan anderen, die nog godsdienstiger en beter opgevoed zijn dan gij en die daarenboven nog geleerd en rijk waren. Maar de verleiding is zoo groot en gij stond zoo geheel alleen, arme Jacob, hadde ik ik u maar eens vroeger ontmoet. Ge hebt echter zeer verkeerd gedaan met eene inlandsche te leven, hoe trouw gij haar ook geweest zijt, want zendt gij haar heen, dan kunt gij toch het kwaad niet herstellen, dat gij haar hebt doen bedrijven, gij zult haar natuurlijk niet willen huwen, wel?” “Zeker, mijnheer pastoor, dadelijk zoodra gij ons huwelijk zult willen inzegenen, want buiten mijne moeder is Sirdja alles, wat ik op deze wereld bezit!” De goede pastoor maakte mij weder deugdzaam en braaf en onderwees ook Sirdja in den godsdienst, zoodat zij spoedig gedoopt en aangenomen werd en hij verbond ons door het huwelijk.

 Ik schreef alles aan mijne moeder en zond haar de portretten der geheele familie. En zij schreef mij terug: “Lieve Jacob, hoe jammer is het toch, dat ik die lieve bruine dochter en die lieve bruine een brief geschreven kindertjes van u nimmer zal kunnen aanschouwen. Gelukkig, dat er toch een Hemel is, Jacob, waar ik ze allen zal ontmoeten. Pastoor Herder heeft mij reeds een maand geleden een brief geschreven, waarin hij mij zeide, hoe goed en braaf gij waart gebleven en hoe goed de lieve Sirdja is en hoe braaf en lief de kleine kindertjes.“

 “Zes maanden nadat zij dien brief geschreven had, stierf zij. De laatste jaren had zij in betere omstandigheden geleefd, want mijn broer Theo was een flinke oppassende jongen en verdiende zeer veel als diamantslijper. Dit is mijn geschiedenis mijnheer. De eenige zorg die ons kwelt is, dat onze kinderen niet op school kunnen gaan, doch Pastoor Herder heeft mij gezegd, daar wel raad voor te weten. Zelf heb ik hun reeds een weinig lezen en schrijven geleerd en Sirdja onderwijst hen in den godsdienst.”

 Sirdja kwam terug van hare boodschappen, en vier aardige kinderen, twee jongens en twee meisjes, stormden vroolijk binnen, omhelsden hun vader en bleven bedremmeld staan op het gezicht van den vreemden heer, die daar in de kamer zat, want zij waren schuw en een weinig , om maar te zeggen, verwilderd. Dit laatste ziet men veel bij kinderen welke worden opgevoed onder dergelijke omstandigheden en steeds met inlandsch doch weinig met Europeesche kinderen omgaan. Vooral arme Indo’s, welke diep in de binnenlanden eene betrekking hebben en gehuwd zijn, ondervinden hierover veel zorgen.

 Sirdja was eene groote vrouw, wier gelaat wel niet schoon was, doch waaruit kracht, flinkheid, goedheid u tegenstraalden. Ik begroette haar hartelijk in het Hollandsch dat zij vloeiend sprak, evenwel, met het eigenaardige, aangenaam klinkende, indische accent. Ik nam afscheid, na Leder nog eens beloofd te hebben, hem overal aan te bevelen en stapte vlug heen om aan zijne dankbetuigingen te ontkomen, want niets is onaangenamer dan dankbetuigingen.

—–

Opm: Oorspronkelijk verhaal van H. van Eeckenrode (deel XVI uit de reeks Verhalen van Silondoeng). gedigitaliseerd door P. Lemon

 

Jouw verhalensite met verhalen over Indonesië. Oude en nieuwe verhalen. Om te lezen, maar ook om zelf te publiceren. Doe mee en beleef mee!