Een tropische jaarwisseling

door:Lodewijk de Geer Boers | 2 maart 2012 |Alledaags, Humor

Het is de eerste dag van het nieuwe jaar en mijn twee en dertigste nieuwjaarsdag in Nederland sedert ik in 1951 met de boot uit Indonesië aankwam. Een dertigtal jaren verbleef ik in Indië waar ik in 1920 met mijn ouders aankwam. Alweer is er een jaar om en staan we aan het begin van een nieuw jaar. Even denk ik terug aan de oudjaarsavonden en de nieuwjaarsdagen in het voormalige Nederlands Indië, dat ik als volwassen man met vrouw en kinderen noodgedwongen moest verlaten.

Buiten slaan hagelstenen tegen het raam en de wind hoor ik loeien. Het is nieuwjaarsdag en op tafel liggen een paar dozijn kaarten met gelukwensen, naast een schaal met bepoederde oliebollen. Nu vooral, ik weet niet waarom: denk ik sterk terug aan die Indische jaren, die evenals de uren, de dagen en de maanden als een schaduw heenvlogen…

Ik denk terug aan mijn heerlijke, kommerloze jeugd in Djakarta, toen nog Batavia geheten, ver voor de oorlog, in de jaren 1920-1940 waarin alles nog rustig en vredig was. Batavia, een mooie stad vol parken en tuinen vooral in Weltevreden, de buitenwijk. Ik denk terug aan de gastvrijheid die overal heerste en aan de hulpvaardigheid waarmee men elkaar tegemoet trad. Aan het royale en rijke leven waarin wij kinderen het geluk hadden te mogen leven.

Ik zie het nog voor me, de met steenslag verharde straten, toen er nog geen asfaltwegen waren, waarop sado’s (door paard getrokken licht rijtuigje op twee wielen) zich voortbewegen. Vooral in 1921 was een auto nog iets bijzonders en het waren dan alleen nog maar enkele Fordjes op hoge poten, die op de wegen verschenen.

Nieuwjaarsfooitje
In mijn jeugd bestond de straatverlichting nog uit een paal met een gaslamp er op, soms zelfs nog met een petroleumlamp. Elke avond tegen een uur of zes kwam de lantaarnopsteker, de toekang lampoe, met een lange bamboestok langs, om de lamp aan te steken om in de vroege morgen weer langs te komen om de zaak te doven. De lantaarnopsteker was een bekend personage, in dienst van de ‘mintrat’, afgeleid van ons woord gemeenteraad.
Een ander bekend en zeer welkome figuur was de toekang siram, de straatbesproeier, die met twee grote gieters aan een juk, de straten besproeide. Hij haalde het benodigde water uit de kali en sproeide dit uit over de stoffige straten. Dit werk vond altijd plaats na het heetste uur van de dag, als de Europese gemeenschap zich na de siesta flanerend op straat begaf. Enkele jaren later sproeide men met een soort tankauto malasse, afval uit de suikerfabrieken, over de straten, maar die vinding bleek niet te voldoen. Iedereen bleek met z’n schoenen in de kleffe boel plakken. Voor de inheemse bevolking die op blote voeten liep was het helemaal een ramp.
Dat was dan zo’n beetje het Batavia van het begin van de twintiger jaren. Als het dan tegen oudjaar liep en de scheurkalender boven mijn vaders bureau nog maar enkele velletjes papier droeg, dan kwamen de toekang lampoe en toekang siram alvast een gelukkig nieuwjaar wensen. Met hun zangerig “slamat taoen baroe” en pandjang oemoer”  brachten ze ons een kort bezoek en streken dan hun nieuwjaarsfooitje op. Hun uitgesproken gelukwens in de vorm van een gelukkig nieuwjaar en een lang leven werd dan ook dankbaar door ons aanvaard, waarna ze weer verdwenen met hun fooi en een hand vol sigaren. Altijd waren ze met hun gelukwensen er vroeg bij, omdat ze wisten dat er op nieuwjaarsdag zo veel ondergeschikten van mijn vader met hun gelukwensen kwamen. Ze waren bang dan over het hoofd gezien te worden, uiteindelijk kun je nooit weten…

Oudjaarsfeest…
Op oudjaarsdag gaf mijn vader de mandoers (opzichters) en koelies altijd vrijaf. Dat was zijn gewoonte, maar de huisbediendes hadden het op zo’n dag extra druk en vaak moesten ze van mijn moeder hulp uit de kampong optrommelen. Voor zulke dagen kregen ze extra loon, extra eten en ieder een sarong en een baadje.
De kebon (tuinjongen), de kokkie tevens hoofdbaboe en de binnenmeiden hadden het op zo’n dag erg druk, maar voor hen was het ook feest. Met z’n allen bleven ze de hele dag, avond en nacht tot vroeg in de morgen om te bedienen. Om beurten konden ze dan in een van de bijgebouwen van ons grote huis slapen, voor zover dat bij al het geknal van het vuurwerk mogelijk was.
Wanneer de avond dan was gevallen en de voor- en binnengalerij stampvol met gasten zaten en alle zitjes bezet waren, dan heerste er een gezelligheid zoals ik later nooit meer heb meegemaakt. Er werd op de piano gespeeld, men danste en lachte en in de achtergalerij, die geheel open was en aan de tuin grensde, stond een enorme gedekte tafel met tientallen gerechten, taarten, vruchten, een compleet speenvarken van meer dan een halve meter groot waarmee de Chinese aannemer van mijn vader altijd kwam aandragen. Tjio Kim It zoals deze afgezant van het  Hemelse Rijk heette, liet geregeld zijn zending van het speenvarken vergezeld gaan door een door een paardje getrokken karretje volgeladen met vuurwerk:  lange slierten bommen, knalbussen, vuurpijlen en allerhand ander spul. De gehele avond was de tuinjongen voor ons huis bezig al dat knalwerk af te steken. Er kwam gewoon geen eind aan. Er stonden tientallen schalen met slaatjes, dozen vol met koeken, geroosterde – en gebraden kippen, flessen port en wijn, limonades, bier en bakken vol brokken ijs. Vooral veel ijs met die hitte. Vanzelfsprekend kende men in die tijd nog niet de koelkast zoals wij die nu kennen, maar voor koeling legde men een met zink beklede kist vol met brokken ijs van een ijsfabriek. Op en tussen het houtzaagsel bleven deze bloken geruime tijd goed.

Op een apart tafeltje stonden dozen met sigaren en Egyptische sigaretten en in de overloop van de eetkamer naar de bediendenkamers zat de zoon van onze hoofdbediende consumptieijs te draaien in een houten kuip met een zwengel eraan. In die kuip zat een metalen vat waarin uit een soort beslag ijs ontstond mits je maar lang genoeg aan die zwengel bleef draaien. Met brokken ijs en veel zout tussen kuip metalen vat ontstond dan een voortreffelijke hoeveelheid overheerlijk ijs. Het was een heidens karwei, maar de jongen bleeg met overgave draaien net zolang tot dat men zei dat er genoeg was. Dat ijs noemde men overigens met een maleis woord ‘es-poeter’ oftewel draai-ijs.

Het gehele huis was vol familieleden: vrienden en kennissen. Iedereen liep door elkaar en jongleerde met glas of bord. Van voor tot achter was het huis verlicht, zowaar met elektrische lampen. Enkele jaren daarvoor gebruikte men nog de zogenaamde gloeikousjes in gassolinelampen, maar in mijn jeugd was er al dat knopje aan de muur waarmee je een lamp aan kon steken.

De man van een van onze vrouwelijke bedienden hield de wacht bij de enorme berg vuurwerk. Ik herinner me nog dat mijn vader eigenlijk altijd als de dood
zo bang was voor die geweldige knaldingen, waarop vooral de Chinezen zo dol zijn. Hoe harder de knal hoe mooier en bovendien hoe harder de boze geesten
het op een lopen zetten.
Wanneer dan om twaalf uur middernacht de hel, ook bij anders Europese families, uitbrak en horen en zien je verging: werd binnen het glas geheven. Dan
sloegen de donderbussen de dikke bamboepalen aan rafels en vlogen de pijlen de lucht in.

Temidden van deze oorverdovende heksenketel trachtte een Inlands straatorkestje , een kleine ronzebons, hevig alles te overstemmen door zo vals als maar mogelijk was en in een draf tempo het Wilhemus ten gehore te brengen . Meestal bestond het orkestje uit een man of  zes waarvan er enkelen uitgerust waren met een uit oude fietspompen samengestelde klarinet , waaruit men een erbarmelijk klagende pieptoon toverde. Een van de artiesten, evenals de anderen blootsvoets, blies met alle uitbundigheid die iemand maar op kan bringen, op een oude tuba, die zichtbaar eens onder een stoomwals had gelegen.

Het geheel werd gecompleteerd door een slagwerker die vol enthousiasme op een trom beukte, die op de rug van een voor hem lopende of staande jongen hing.
Het was geen gezicht, maar het was toch verdienstelijk en iedereen deed zijn best. In ieder geval gaf het allemand een goed en ferm geluid. Wanneer dit gezelschap haar weg had voortgezet naar een volgende Europese woning, werd hun plaats in de tuin al spoedig ingenomen door een ander koppel artiesten, namelijk de traditionele topeng monjet. Meestal bestond dit uit een oudere, sirihkouwende man en een jongere helper. De oude sloeg ritmisch op een trommel en de jongere lied een stelletje kleine apen gekleed in rode broekjes in de rondte dansen. Aangespoord door de sirihpruimer vertoonde de dieren allerlei grimassen. Soms kreeg een van de aapjes een houten geweertje en deed hij alsof hij de andere aap doodschoot. De getroffene ging dan -vaak veel te vroeg- ‘dood’ op zijn rug in het grind liggen, waarmee de voorstelling dan afgelopen was. Schitterend was dat, maar door al dat geduvel waren de apen het al gauw zat, want als je op zo’n avond een keer of wat moet worden doodgeschoten ben je het danig beu. De dieren werden dan ook bijzonder humeurig en vals. Mede door het vuurwerk en de bonkende trommel van de oude sirihpruimer werden de dieren tot het uiterste gedreven. Hun snuiten waren vals en een neef van mij, de latere Assistent Resident van de Soela-eilanden, werd lelijk in zijn hand gebeten toen hij een van die mormels wilde aaien.

Zoals gewoonlijk was de gehele bevolking van de omliggende kampongs op de been om te ‘nontonnen’, hetgeen zoveel wil zegqen als toekijken naar wat er plaats vindt. In hun mooiste baadjes dromden ze dan met hun kinderen samen voor de huizen van de Europeanen en tientallen kleine katjongs (jochies) krioelden voor ons huis op straat door de dikke laag rood papier van het vuurwerk, in de hoop een onontploft rotje te bemachtigen.

Ook was er altijd de onvolprezen ‘ronggéng’ die een uitvoering kwam geven; een kleine groep mannen met een soort gammelang, een gong en als hoofdartiest een rebabspeler (een soort violist). Deze laatste was vaak de baas van het gezelschap en begeleidde een fraai uitgedost danseresje, wier hoofdtooi wel op een bloementuin leek. Met een waaier voor de mond om het gegil wat te temperen, zong en danste deze juffer sierlijk door het grind, zwaaiend met
haar slendang (een soort stola). Bij het flikkenrende schijnsel van de flambouwen, de obors, was het vaak zeer verdienstelijk wat er werd gegeven.
Mijn fader had altijd de gewoonte om aan één van onze mannelijke bedienden een zak met dubbeltjes en kwartjes te geven, teneinde de dansers, de gamme-.
langers, apendresseerders en orkestjes het hen toekomende honorarium te verstrekken. Ikzelf had altijd de overtuiging dat er bij die transacties in het
nachtelijk duister heel wat afgesjoemeld werd, maar mijn vader die ik er voor waarschuwde vond het niet erg, want hij zei altijd: ,,Nou, en wat dan nog. Laat
die mensen ook lol hebben, zij hebben ook feest en ik heb meer dan zij hebben.”

Toewan poep…
Schuin tegenover ons woonde een Hollander met een enorme omvang. Een grote, dikke meneer, noemden wij jongens hem. Met zijn Javaanse vrouw woonde hij in een groot bamboe huis. ’s Mans corpulentie getuigde van de goede verzorging die de huishoudster hem gaf. Het was een man die plezier in zijn leven had en aan z’n dikke, blozende hoofd kon je dat ook al zien.

Na zijn militaire dienst, waarbij hij  het tot korporaal had gebracht, kreeg hij een baan bij de Gemeentelijke Stadsreiniging. Hij werd aangesteld als opzichter bij deze dienst en had het commando over een vijftal tankjes, gemonteerd op een auto-onderstel, en die met een aantal koelies door de stad reden om beerputten te legen en riolen schoon te zuigen. Heel oneerbiedig werden deze vehikels poepkanonnen genoemd en de dikke opzichter heette heel gewoon toewan poep. Iedereen, ook de Europeanen, wisten wie dat was: zelfs de postbesteller, en er werd nooit om gelachen. De chinese tokohouder: waar hij z’n biertjes kocht, noemde hem zonder blikken of blozen zo, maar wij als jongers kregen er altijd van vader van langs als wij die man zo noemden. Het was een eerbiedwaardig man: die belangrijk werk deed! Wat moesten wij zonder hem beginnen? Met zulke oudjaarsavonden konden wij hem vaak in z’n eigen omgeving zien. Dan zat hij in zijn ouderwetse slaapbroek van batikstof en een witte badjoe tjina (een Chinees jasje) achter een tafel met een heel leger flessen erop, terwijl zijn ‘snaar, zoals een inheemse huishoudster werd genoemd, op een short trekharmonika speelde. Dat had toewan p… haar met geduld geleerd. Dan hoordern wij hem met
z’n oude makkers uit het leger zingen: zoiets als “Nou tabé  dan…” en “De kapitein staat al op de brug.” Zo had ook deze man z’n eigen plezier. Het ging er
heel vrolijk maar eenvoudigjes toe. Mijn vader had altijd plezier in deze man en vond hem in al zijn eenvoud een belangrijk figuur. Als oud kolonial, die de dienst had verlaten met een vrij blank paspoort, had hij toch nog de moed opgevat om bij de gemeente Batavia zijn huidige functie te aanvaarden, want wie wilde nu in ’s hemelsnaam opzichter worden over een paar koelies die beerputten ledigden. Zo redeneerde men in die jaren. En toch, deze man was totaal onmisbaar, want als er over die koelies geen opzichter was geweest, dan hadden ze langs de weg aan hun strootjes zitten zuigen, onder een boom en hadden ze de beerputten de beerputten gelaten. Hij was nodig en de koelies hadden ontzag voor zijn enorme gestalte. Daarbij was hij voor ons jongens een aardige vent van wie we wel eens postzegels en sigarenbandjes kregen. Maar we kregen ook wel eens op ons donder als hij had gezien dat we aan één van zijn rijdende rioolwagens hadden gebungeld om gratis een eindje mee te rijden. Dan stond hij te bulderen alsof de Krakatau aan het uitbarsten was. Maar hij meende er niets van.

De meeste schik hadden we om zijn hond. Daar kon je verschrikkelijk om lachen. Het was een dier van abnormale proporties en leek op een kruising tussen een terrier en een banaan, een soort uit de kluiten gewassen rioolrat, een verwend en alsmaar keffend mormel. Bovendien dronk hij jenever als een Maleier en kon dronken worden. Evenals zijn baas was hij verzot op ‘jajem’ en wij  knapen wisten al spoedig dat als hij niet aan het keffen was, hij ergens voor pamus op de grond lag. Dan kon je alles met hem doen, maar zodra hij zijn roes uitgeslapen had, zagen wij hem weer door de tuin rennen, terwijl hij driftig een stel kampongkippen achterna zat. Nooit, overigens heb ik zo’n hond meer gezien.

Er waren ook altijd veel Chinezen die het Nieuwjaar met ons meevierden, en dan eveneens grote hoeveelheden vuurwerk afstaken: ontzettende donderslagen en ik heb wel eens gezien hoe een ijzeren tuinhekje tot schroot werd geslagen.

De volgende dag…
Oudjaar was in Batavia één grote kanonade. En als dan tegen de morgen het meeste lawaai was afgenomen en er nog slechts een blauwe kruitdamp in de straten hing: dan kwamen de rijtuigjes voorrijden om een ieder slaperig naar huis te rijden. Dan werd er snel een dutje gedaan want tegen elf uur kwamen alle inheemse ondergeschikten, mandoers en koelies, hun gelukwensen aanbieden. Dan zat in een ommezien onze hele voorgalerij weer vol mensen en moesten alle potten met planten en palmen, varens en begonias de tuin in om plaats te maken. In hun beste baadjes en met hun mooiste hoofddoeken kwamen ze dan hun toewan en zijn gezin gelukwensen. In een lange rij gaven ze ons allemand een hand of brachten de ‘sembah’.

Er waren er die bij zo’n gelegenheid schoenen hadden aangetrokken om eens deftig te doen. Die sepatoes waren ergens bij een uitdrager op een passar voor een paar dubbeltjes gekocht en meestal waren ze nog te groot ook. Het was soms een vermakelijk gezicht, maar… ze hadden schoenen. En als dan de ‘receptie’ was afgelopen, werden de stiefsels uitgetrokken en onder de arm mee naar huis genomen.
Onze bedienden gingen dan met sigaren en sigaretten en drank rond. Sigaren overigens van een kwaliteit die je nu niet meer tegenkomt. Mijn vader liet die altijd in blikken uit Holland komen. Sigaren in blik tegen de torretjes, uit Den Bosch, van -schrik niet-, vijftien cent per stuk. De kwaliteit was enorm, zo goed dat als ze nu nog gefabriceerd zouden worden de prijs zeker drie of vier gulden per stuk zou zijn. Dure ‘siganders’ dus, die met duizenden tegelijk per boot uit Nederland werden aangevoerd.

Het waren kostelijke dagen, dagen om nooit te vergeten, mààr… vermoeiend. De geschenken welke door het werkvolk werden meegebracht, stapelden zich overal in huis op. Vruchten, zoals ananas, jonge kokosnoten, bananen in allerlei soorten, maga’s, doerians, alsmede kippen en bloemstukken, versnaperingen in kleurrijke papiertjes verpakt en inheemse koekjes. Van Chinese vrienden en kennissen waren er de ‘koeweh tjina’, op elkaar gestapelde meelkoeken in bananenblad verpakt en de vorm van torens opgestapeld. De onderste koek had de grootte van een etensbord, elke daarop liggende koek wat iets kleiner, tot je een punttoren kreeg van wel een halve meter hoog. Maar behalve deze zoetigheden waren er ook klaargemaakte schalen met vlees- en visgerechten. Wij wisten nooit wat we allemaal met die gaven moesten doen. Bijna alles werd op de tweede januari aan de bedienden gegeven of aan arme mensen in de kampong gestuurd. Ook de dikke overbuurman, die met zijn dronken hond, werd niet vergeten.

Eindelijk kwam er dan rust en kwam het gewone leven weer op gang. Onze tuinjongen Riman harkte met Oosters geduld de bergen vuurwerkpapiertjes bij elkaar en harkte de grindpaden. De vrouwelijke bedienden deden zwijgend weer hun werk. Alles was voor een jaar lang weer voorbij. Ook toewan poep reed weer op z’n fiets achter z’n koelies met hun tankwagentje aan en begon net als wij aan een nieuw jaar. Een tahoen baroe.

 

Tangkuban Perahu, Cikahuripan, West-Bandung, West-Java, Indonesië

Jouw verhalensite met verhalen over Indonesië. Oude en nieuwe verhalen. Om te lezen, maar ook om zelf te publiceren. Doe mee en beleef mee!