Een Reisgenoot

door:H van Eeckenrode | 7 april 2014 |Cultuur, Historisch, Overig

Te paard was ik uit Silondoeng vertrokken, teneinde een nieuwen weg te projecteeren en een verslag op te maken over het meest geschikte punt waarop een ijzeren brug kon geslagen worden over den Way-Loempoer. Achter mij volgden Sidin en een achttal koelies, die mijne instrumenten en overige bagage droegen.

 De weg voerde door ondoordringbare , maagdelijke wouden: den ganschen dag ontmoette het oog niets dan een verwarde, sombergroene bladermassa en boomstammen omkronkeld met slingerplanten en lianen; terwijl uit het groen ons de duizenderlei geluiden tegenklonken van een veelsoortige tropische dierenwereld.

 Tegen den middag bespeurde ik vòor mij een Europeaan, eveneens te paard en gevolgd door een aantal dragers. Ik haalde hem spoedig in en reeds maakte ik mij gereed den hoed af te nemen, om hem te groeten als zijn paard onverwachts achteruitsloeg en mij een gevoeligen schop tegen de dij toebracht.

 “Hansje!” riep de Europeaan, “Hansje, lomperd, pas op!” en hij deed zijn beminnelijk rijdier terzijde uitwijken, keek mij over den schouder aan, wees op de modderige plek op mijn witten broek en zeide kalm en gemoedelijk:

“Mijnheer, wees voorzichtig, mijn paard trapt.” “Het doet mij genoegen, dit te vernemen, temeer daar ik de waarheid uwer woorden reeds ondervonden heb.”

“Juist mijnheer, mijn paard trapt,…..Hansje , pas op!”- dit laatste was gericht tot zijn klepper, die de oren weder in den nek legde en valsch glurend terzijde keek- “blijf mij dus steeds een halven meter vòòr; Hansje, stil dan toch! Want, zoodra uw paard te dicht bij Hansje’s achterbeenen komt, krijgt het een trap, Hansje is twistziek, gelieve daar aan te denken, mijnheer.”

“Verplicht voor uwe waarschuwing, mijnheer, het zou mij genoegen doen, kennis met u te maken en mij aan u voor te stellen.”

“Dit is niet noodig, uw naam ken ik: gij zijt de heer van Eeckenrode, uit Silondoeng en ik ben Jeremias Preuzel, karet (getah-pestja)planter. Ik bezoek een erfpachtsland hier een honderd paal (een paal=1506 meter) vandaan, dat ik onlangs heb aangevraagd. “Ik ben in de wolken, dat ik u ontmoet heb.”  “Ik ook.”

“Het zal u misschien niet onaangenaam zijn, indien ik u een paal of veertig vergezelle: dit zal voor ons beiden op den eenzamen weg een gewenschte afleiding wezen en wij zien dan tenminste niet enkel bruine gezichten om ons heen.”

“Ik ben het geheel met u eens, mijnheer van Eeckenrode; wees dan toch niet zoo onverdraagzaam, Hansje;  het verheugt mij een reisgenoot gevonden te hebben. Hansje , als ge u niet bedaard houdt, zal ik genoodzaakt zijn, je een rammeling te geven!”

Dit alles zeide hij op bedaarden toon, met een genoeglijken glimlach om de lippen, terwijl een kort houten pijpje op zijn kin neerhing en onder het spreken zacht heen en weer bungelde. Zijn gelaat was rond en blozend, als melk en bloed zooals men weleens zegt. Zijn geheele houding drukte gemoedelijke kalmte uit. Hij zat te paard , zonder de geringste moeite te doen zich flink en recht in den zadel te houden; zijne beenen zwaaiden onbevallig in de stijgbeugels langs de zijden van zijn dier en, in zijne witte kleeding, had hij veel van een zak meel, dien men op een paard heeft gebonden.

 “Mijnheer Preuzel, gij berijdt een flink paard , het is wel een weinig onverdraagzaam, doch dit komt meer voor, gij houdt het echter goed in bedwang.” “Juist, mijnheer, gij moet weten, dat ik nog rijles gehad heb in de manège, wil ik u eens toonen, hoe men een paard in galop moet zetten?“

Daarop nam hij met beide handen de teugels, hief ze met een ruk op, boven den kop van het paaard, zoodat ik onwillekeurig naar den grond keek, of ik Hansjes tanden ook zag vallen. Deze manoeuvre herhaalde hij driemalen en werkelijk, het paard snelde vooruit in flinken galop. Nu dacht ik, mijn paard zult ge nooit onder u krijgen, ik houd niet van dat manègerijden.

 “Ziet ge.”sprak Preuzel, dàt is rijden!”  “Ik bewonder u, mijnheer Preuzel, maar uw paard kauwt, alsof het eenige tanden hadde gebroken, heeft het soms kiespijn?’  “Dat is Hansje zoo gewoon, het dier houdt den bek nooit stil. Maar, mijnheer van Eeckenrode, gij zijt roomsch , niet waar? Doch dat meent gij natuurlijk niet, zoo dwaas zult gij toch niet zijn, want iedereen zegt mij, dat gij een beschaafd mensch zijt! Gij zult toch ook begrijpen, dat de roomsche godsdienst iets onzinnigs is en alleen nog maar goed voor boerenpummels! Let maar eens op uwe geestelijken. Onze dominees zijn  beschaafde geletterde lieden, gezellige menschen, doch uwe priesters, dat zijn immers allemaal boerenjongens, domme boerenjongens, die uit dweepzucht geestelijke worden!”

 Sprakeloos van verbazing had ik toegeluisterd, want Preuzel zeide mij dit alles, nadat hij mij hoogstens vijf minuten kende. Ik wilde hem eerst gevoelig zijn onwellevendheid  onder het oog brengen, doch het zonderlinge van zijne woorden vermaakte mij, zodat ik lachend zeide:

“Mijnheer Preuzel, ik kan niet ontveinzen, dat uw woorden mij een weinig overbluft hebben, maar, ik zal eens mijn best doen, u roomsch te maken.”

“Gij spot mijnheer van Eeckenrode ; ge zoudt een jaar lang kunnen praten als Brugman, de meest overtuigende bewijzen kunnen aanvoeren om uwe woorden te staven, edoch, ik ben en blijf een gelovig Lutheraan, streng Luthersch mijnheer en dat zal ik blijven, ten eerste :  uit eigen overtuiging , ten tweede omdat ik de lessen mijner moeder en de raadgevingen van den goeden domineeé  Balsem, den leeraar mijner jeugd nooit in den wind zal slaan!”

“Welnu, mijnheer Preuzel , en ook gij zult mij nooit Luthersch maken al redeneerdet gij als van der Palm en wel, om geheel dezelfde redenen!

Ons gesprek zou dus in het geheel geen nut hebben, laten wij het dus eindigen. Wilt ge iets over het roomsche geloof vernemen: er zijn pastoors genoeg, van die domme boerenjongens, maar die toch geleerd genoeg zijn, om u iedere  verlangde inlichting en verklaring te geven. Tenminste, als zij zien, dat gij niet bij hen komt , om een praatje te maken.”

“Maar mijnheer van Eeckenrode ik behoèf geen inlichtingen te vragen, ik kèn het katholieke geloof even goed als gij en ik weet , dat het een warboel is, een samenraapsel van dwaasheden, door Rome uitgedacht.” “Hoe hebt gij het leeren kennen, mijnheer Preuzel.”

“In mijne jeugd sprak mijn dominée er zeer dikwijls over; hij haalde talrijke feiten aan uit den tijd  der hervormingen, vooral  van de watergeuzen, hij sprak over de inquisitie, over den Bartholomeusnacht, over pausin Johanna, over schanddaden bedreven in nonnenkloosters en nog veel meer! Hij zeide, dat al die dingen natuurlijk door Rome worden tegengesproken en overtuigend weerlegd met documenten en geschiedvorschers, doch dat zijn slechts kunsten en listen van het booze Wijf, dat Rome heet. Dan heb ik vele boeken gelezen over Rome, allen geschreven door geleerde, godvreezende predikanten, dus, gij begrijpt, dat ik van alles op de hoogte ben!”

Preuzel keek mij van terzijde aan, om den indruk na te gaan dien zijne woorden op mij gemaakt hadden; ook zijn paard scheen verontwaardigd over de schanddaden van het Booze Wijf, want het gaf een geweldigen trap met beide achterpooten, zonder mijn dier echter te raken, want ik was voortdurend op mijn hoede voor het gezellige Hansje.

 “Nu mijnheer Preuzel, ik zie, dat gij er veel van weet, ik moet bekennen, dat gij met uw tijd meegaat ; doch ik blijf bij mijn eerste voornemen, laten wij niet in dispuut treden over godsdienstzaken. Ik waardeer echter uwe oprechtheid, lieden zoals gij , die rond voor hun godsdienst uit durven komen of liever , die het de moeite waard achten, erover te spreken,  heb ik in Indië niet zeer dikwijls aangetroffen.”

Wij onderhielden ons vervolgens over andere zaken, waarover minder verschil van gevoelen kon ontstaan. Preuzel sprak met veel zaakkennis over karetcultuur en over andere cultures, waarvan hij mij vele belangwekkende bijzonderheden mededeelde.

Opeens wees hij naar de koelies, die voòr ons liepen en sprak: “Mijnheer van Eeckenrode; Hansje, kijk voor je of ik …..; zie toch eens, die kerels loopen daar nu al van zeven uur ’s morgens, dragen hun pakken en denken aan niets . Zij bezitten noch godsdienst, noch zedelijkheid, letterlijk niets, zij zijn gelijk aan redelooze dieren. Wat zijn wij Europeanen, toch gelukkig! Hoe heerlijk, beschaafde menschen te zijn, wat gaat er veel in onze hoofden om, waar die lieden zelfs geen begrip van hebben! Ja, zij zijn gelijk aan dieren, niets meer!”

Nu begon mijn bloed te koken, ik vergat al mijne voornemens van onzijdigheid en sprak op driftigen toon: “Mijnheer Preuzel, gij zijt streng Luthersch, nietwaar, en kent dus den Bijbel?” “Natuurlijk,mijnheer, ik ken hem bijna van buiten. De roomschen mogen hem niet lezen, want anders zouden zij niet dom genoeg blijven en zich niet meer willen krommen onder het slavenjuk van Rome.”

“Welnu, waarde heer Preuzel, hebt gij nimmer iets gelezen over naasten en over naastenliefde?” “Zeker mijnheer van Eeckenrode,”en Preuzel nam het bungelende pijpje uit den mond, hield den zonnehoed in de hand, zoodat ik geheel zijn vol bloozend gelaat aanschouwde en haalde op plechtigen tooneen reeks bijbelteksten aan, zooals:

“Bemint uwe naasten gelijk uzelven en God bovenal”;al; wat gij den minsten der Mijnen zult gedaan hebben, dat hebt gij Mij gedaan.”

“Mijnheer Preuzel zijn dan die koelies ook niet uwe naasten?” “Ja , dat zijn ze, maar het zijn er ook naasten naar, die vieze bruine, kwalijk riekende kerels!” “Maar, die “vieze bruine kerels” dragen den ganschen dag uwe bagage ; schrijden rusteloos voort, onder eene verzengende hitte met de schommelende pikoelans, zonder morren of klagen; ja, nu en dan hoort ge hen zelfs lachen of vrolijk babbelen. En gij, gij mijnheer Preuzel, dat vind ik onbehoorlijk en een beschaafd mensch onwaardig !!, en ik noemede nog een wagonlading bijbelteksten op, welke Preuzel vergeten had, alle doelende op naastenliefde.

Preuzel zag mij verbluft aan , zonder dat hij echter zijne kalmte en gemoedelijkheid verloor. De genoegelijke glimlach verscheen weer op zijn gelaat als hij mij zeide: “Mijnheer  van Eeckenrode, ik erken mijn ongelijk maar ach, men krijgt nu eenmaal zulke denkbeelden in Indië. Evenwel zeg ik u, dat gij de eerste roomsche zijt , die flink met mij hebt gesproken en gij kent den Bijbel even goed als ik. Ik heb vele roomschen ontmoet in Indië , maar de meesten schenen zich voor hun geloof te schamen, tenminste, zij durfden er nimmer voor uitkomen en spraken nooit iets tegen, wat men van hun godsdienst vertelde.

Men verandert in Indië spoedig, dat weet gij zoo goed als ik, mijnheer van Eeckenrode, en een Roomsche, die zijn godsdienst naleeft, is als de bonte hond , gij moet bijvoorbeeld eens weten, wat voor praatjes over u in Silondoeng de ronde doen, Ik evenwel, schaam mij nooit te erkennen, dat ik streng Luthersch ben; ik heb altijd zedelijk geleefd; ik heb wel een huishoudster, maar dat is ook de eenigste vrouw, waarmede ik ooit in betrekking heb gestaan en zoo iets beteekent niets, daar zal onze Lieve Heer niet op letten. Hij is reeds tevreden genoeg, als men zijn geloof bewaart en , denk eens aan Abraham, aan David , zij waren toch mannen Gods en er zat, geloof ik, wel een steekje aan  los.”

“Mijnheer Preuzel,”zeide ik geheel onthust, “gij zegt godsdienstig te zijn en streng Luthersch , gij beweert de lessen van dominee Balsem, uw vroegeren zieleherder , in acht te nemen  en gij leeft met eene inlandsche vrouw in onwettige gemeenschap! Gij erkent dus door die handelwijze : dat de vrouw geen mensch is, niet beschermt behoeft te worden door godsdienstige  en burgerlijke wetten tegen de willekeur des mans; dat gij haar naar believen kunt nemen en verstooten; dat zij slechts een meubel is, geschapen, alleen om den man genot te verschaffen, een redeloos dier, zoals gij zooeven de koelies noemde; een middel slechts, om de dierlijke lusten van den man te bevredigen, gij verbaast mij! En haalt gij dit alles uit den Bijbel, uit dit heerlijke goddelijke Boek?

Hoe gemakkelijk, als men hem kan gebruiken om slechte daden te wettigen. Nu weet gij ook, waarom het gevaarlijk is, als ongeletterde menschen in den Bijbel snuffelen. Maar nog eens, laten wij niet meer over godsdienst spreken, dit kan slechts oneenigheid stichten!”

Doch steeds keerde Preuzel weer terug op zijn stokpaardje, hoewel ik nu bij mijn voornemen bleef en hem niet meer antwoordde; hij was verheugd  iemand gevonden te hebben, waarmede hij over zijn geliefkoosd onderwerp kon spreken, zonder bespot of uitgelachen te worden.

Bij het vallen van den avond, hielden wij halt en mijne koelies vereenigden zich met die van Preuzel, teneinde gezamenlijk , vliegensvlug, een gebouwtje op te slaan, op palen staande, ongeveer een halven meter boven den grond.

Preuzel deed zijne koffers openen en liet door zijn jongen aanbrengen: een uitvouwbare luierstoel; een uitschuifbare tafel; een lamp, welke geborgen was in een blikken bus ; een twaalftal boeken, waaronder een bijbel; schrijfboeken, pennen en inkt, een revolver en een geweer. Als wij gemakkelijk gezeten waren, gaf hij , als een volleerde kok, zijne bevelen voor het middagmaal, dat gereed gemaakt werd op een vuur van dorre takken. Daarna hield Preuzel zijn dagboek bij, onderzocht nauwkeurig bodem en planten in den omtrek, teekende dit alles op en studeerde een tijdlang in een boek over karet-cultuur, na ook mij eenige werken toegeschoven te hebben. Dit deed hij even kalm even gerust, alsof hij zich bevond in zijn gerieflijk huisje te Madioen, in plaats van te midden eener eenzame, woeste wildernis.

Ik gevoelde bewondering voor den man, die, na een vermoeiende rit te paard, nog lust had in werken en studie. Zoo zaten wij gezellig om de tafel, bij eene goede lamp als echte woudloopers, alleen de muskieten en een menigte insecten, die afkwamen op het licht, waren de eenige wezens, die ons genoegen vergalden. De koelies babbelden vroolijk om het vuur, dat zij hadden aangelegd voor het koken der rijst.

 Na den maaltijd staken wij een sigaar aan en staarden voor ons in de rimboe en mijmerden: Preuzel waarschijnlijk over het hoofdstukje, dat hij gelezen had in zijn bijbel en ik over Preuzel.

Wij begaven ons weldra ter ruste en wikkelden ons in onze dekens, doch nauwelijks was ik ingesluimerd, of ik werd gewekt door eenige zachte rukken aan mijn kabaja: als ik de oogen opende, zag ik Sidin over mij heen gebogen. Reeds wilde ik hem toornig wegjagen, doch hij hield den vinger voor den mond en zeide fluisterend:

“Mijnheer, Silver zwerft om ons kamp, ik zag, hoe hij door de bladeren keek en herkende hem aan zijn ééne oog.”

 Ik zond Sidin heen, doch vond het een onaangenaam denkbeeld, bespied te worden door dien valschen Silver, welke in de duisternis om ons kamp sloop, waarom was hij hier? Ik legde mijn kleinen revolver nevens mij, onder de deken, zoodat hij van buiten af onzichtbaar was en sliep in.

Den volgenden morgen gingen wij weder op marsch. Preuzel had zijn stokpaardje in het kamp achtergelaten, hij was onderhoudend en vroolijk. Na een eind gereden te hebben, riep Preuzel mij toe: “Mijnheer van Eeckenrode, onze paarden hebben reeds te lang gestapt, zij moeten eens draven.” Wij draafden er lustig een tijd op los, zodat de koelies ver achter bleven, als Preuzel  plotseling drie geweldige rukken doet aan de teugels, elken ruk latende vergezeld gaan van een krachtig: “hop !” zoodat zijn paard in den galop oversloeg.

Nu was het gevaarlijk te galoppeeren, daar het ’s nachts geregend had en de weg dus zeer glibberig was. “Mijnheer Preuzel,” riep ik, “niet galoppeeren, de weg is te glad en de paarden zijn niet beslagen!” Doch Preuzel snelde voort, het lichaam achterover, de pijp schuddend en trillend tusschen zijn kersroode lippen; geheel zijn lichaam schokte, en bewoog op zeer onbevallige wijze.

Daar ik niet achter wilde blijven, gaf ik mijn paard de sporen en galloppeerde hem na. De gevolgen bleven niet uit. Plotseling gleden de voorbeenen van mijn dier een eind vooruit in den modder, het duikelde door de snelle vaart geheel over den kop en lag  weldra op den rug te spartelen. Gelukkig werd ik een eind vooruitgeworpen, zoodat ik niet onder het paard geraakte of onthaald werd op schoppen van de spartelende pooten.  Ik onderzocht mijn lichaam, doch had geen letsel bekomen en als ik mijn bemodderd paard had opgeholpen zag ik om mij heen, naar Preuzel. Hij stond op eenigen afstand en lachte, dat zijne roode vleeschige wangen schudden. “Mooi gedaan, “riep hij, daar komt ge goed af:  “gij maaktet zulk een potsierlijken luchtsprong, dat ik mijn buik vasthield van het lachen.”

Ik was wrevelig, want het is onaangenaam, bij een ongeluk, dat mij het leven had kunnen kosten, op den koop toe te worden uitgelachen en ik besteeg knorrend mijn paard. Mijn bemodderd rijdier en zijn bruin bemodderde berijder moeten een grappig gezicht hebben opgeleverd, want telkens hoorde ik Preuzel weer luidkeels schateren of binnensmonds grinneken.

Een eind verder echter, ik was vooruitgereden, vernam ik plotseling een luid geroep: “ho! ho!, omziende zag ik, dat Preuzels paard op de knieën zakte en al verder voortgleed; bij elke poging, die het deed, om zich op te richten, zonk het dieper in den modder en telkens riep dan Preuzel: “ho! ho!”

Ten laatste viel het dier geheel en al en kwam op den neus terecht: Preuzel boog langzaam voorover , vergeefs trachtend zijn val te stuiten en duikelde eindelijk als een clown over den hals van het paard, zoodat hij languit ruggelings in het slijk terecht kwam, aldoor roepend: “ho! ho!”

 “Mijnheer Preuzel, wij zijn quitte, we zien er nu beiden even kostelijk uit, de koelies mogen ons zoo niet zien, laten wij ons in den eerstvolgende kali afwasschen.” Wij wierpen ons gekleed in het heldere water en waschten zoolang, tot de witte pakjes er weer dragelijk uitzagen; ook de paarden deden wij een bad nemen. Daarna draafden wij weer snel verder, want in de verte werden reeds de eerste koelies zichtbaar. De warme oostersche zon droogde spoedig onze doornatte kleederen.

Voordat de avond viel, namen we afscheid, want Preuzel moest verder reizen, terwijl ik een korte zijweg insloeg, die naar den Way-Loempoer voerde. Niet ver van den kampong, waarin, tusschen de eigenlijke Silondoengse maleiers, eenige  Javanen en Bantammers woonden, bevond zich het terrein mijne werkzaamheden.

Als mijne metingen bijna gereed waren trof mij een klein ongeluk. Mijn paard zakte door de vermolmde planken van een brug, viel op de zijde, zoodat zijn zwaar lichaam op mijn been terecht kwam, en dit hevig gekneusd werd. Eenige koelies droegen mij naar een alleenstaande hut, welke door eene Javaansche familie bewoond werd. Sidin, die soldaat en ziekenoppasser geweest was, verbond en verzorgde mijn been op onberispelijke wijze. Drie dagen evenwel moest ik in de hut onbeweeglijk blijven liggen.

 De vriendelijke bewoners lieten mij het geheele woonvertrek en betrokken zelf het achtergedeelte der kleine woning; zij verkeerden in den waan dat ik geen Javaansch verstond, daar zij mij met de koelies en met Sidin voortdurend maleisch hoorden spreken.

Den tweeden dag van mijn verblijf in het huisje werd ik uit een verkwikkenden slaap gewekt door stemmen van menschen, achter het schot, waartegen mijn slaapplaats steunde: de lieden meenden zeker, dat ik sliep.

Toen door de reten van de gedèg tuurde, zag ik een ouden man, omringd door andere javanen, jongens, vrouwen en meisjes. Hij was juist bezig, aan eenige kinderen het beschaafde Javaansch, de hoftaal, te leeren en hierna las hij iets voor uit een geel, beduimeld boek, geschreven in het flinke, ronde javaansche schrift.

Wanneer het te duister werd om te lezen, sloot de oude man met veel plechtigheid het boekje en verhaalde de volgende geschiedenis welke ik weergeef in het volgende hoofdstuk.

—–

Opm: Oorspronkelijk verhaal van H. van Eeckenrode (deel V uit de reeks Verhalen van Silondoeng). gedigitaliseerd door P. Lemon

Jouw verhalensite met verhalen over Indonesië. Oude en nieuwe verhalen. Om te lezen, maar ook om zelf te publiceren. Doe mee en beleef mee!