Een reis door Bantam

door:Lodewijk de Geer Boers | 16 april 2012 |Avontuur, Natuur, Reizen

Ons verblijf op een onbewoond eilandje in Straat Soenda

Het was vier uur in de morgen van de 12e februari 1935, toen wij ons in het duister op het stationnetje van de Staatsspoorwegen ‘Tanahabang’ (rode aarde) in de buitenwijk van Batavia (Djakarta) bevonden. Wij waren de enige Europeanen die ons op dit vroege uur met onze bagage op het met zinken platen overdekte perron ophielden.

In een hoek zaten tegen de witgekalkte stationsmuur enkele op een kluitje gedrongen Indonesiërs met hun handelswaren, bestaande uit tot barstens toe gevulde, ja volgepropte manden met kippen, vruchten en bataten. In het duister zaten zij ons vanuit hun hoekje gade te slaan en strootjes te roken. Met hun oosterse gelatenheid wachtten zij tot het treintje, de kereta api, dat naar Rangkasbetoeng zou tuffen, zou voorrijden. Zo nu en dan zei er een iets tegen een ander en dan was het weer stil in de donkere hoek. Dan zagen wij slechts aan de vuurtjes van de strootjes waar zij zaten.

Aan het einde van het slecht verlichte perronnetje had een oude vrouw haar primitieve stalletje met eetwaren opgeslagen. Daar kon men voor enkele centen, ketan (kleefrijst), zwarte koffie, gebakken en gekookte pisang en bataten krijgen. Op het smalle houten bankje voor het gammele tafeltje zat een oude man met ontbloot bovenlijf en slurpte hete koffie van een schoteltje. Ergens opzij lag een magere kamponghond ineengerold te slapen en trilde zo nu en dan met een oor om de op zijn weinige bloed beluste muskieten weg te jagen. Het dier keek even met rood doorlopen ogen naar ons, gromde en rolde zich knorrend  nog ronder op dan tevoren. Zijn staart was dun en kaal.

Op het gammele tafeltje stond een rijtje stopflessen waarvan de stop was versierd met uitgeknipt rood vloeipapier die hun ondefinieerbare inhoud door het wazig beduimelde glas trachtte te tonen. De oude man slurpte weer van het schoteltje en at met stootjes een hap rijst. Hij vond het maar vreemd deze twee vroege Nederlanders op weg naar Bantam.

Het treintje dat ons in westelijke richting zou trekken was inmiddels voorgetuft en nog even kwamen ook de machinist en stoker en bakje koffie halen. Zij zagen ons en zeiden “Slamat pagi tuan”! (goedemorgen heren). Wij namen in het enige derde klasse coupeetje, dat achter aan het treintje hing, plaats en vonden daar een walmend petroleumlampje dat wanhopige pogingen deed om brandend te blijven. Wij zaten nog geen vijf minuten, of met enkele verdachte geluiden gaf het de geest. Wij zaten in het duister. Buiten werd geschreeuwd “Ajo, berangkat” (vooruit, vertrekken). Enkele stevige opstoppers, voor en achteruit, toen nog een fikse bonk die zich kennelijk op het hoofd van mijn reisgezel en de houten bankleuning voortplantte, een schel fluitsignaal en wij werden Bantamwaarts getrokken door een nijdig en vinnig puffend, ouderwets locomotiefje. Als alles goed ging zouden wij om elf uur te Rangkasbetoen moeten aankomen. Daar zouden wij op een rubberplantage overnachten bij de heer Van Erkom, een neef van mijn reisgenoot.

De zon stond reeds als een oranje schijf boven de horizon en door de open raampjes woei een lauwe wind naar binnen, vervuld met de geur van bloeiende tjempakabomen uit de voorbijglijdende kampongs. Het landschap was vlak en de aarde van de tegalans was rood. Rode klei, waarop de landman zijn Polowidjogewassen kweekt. Aardnoten, kasave, bataten en groenten moesten het maar zien te doen met deze rode, kleffe klei.

In de verte zagen wij paarsachtig de lage heuvels en bergruggen van West- en Noord Bantam. Een reis door Bantam wil zeggen dat men vrijwel verstoken is van ook maar elk westers comfort en zo is in het landschap weinig te ontdekken dat op een westerse inslag duidt. Het lijkt of deze residentie, de uiterste van Java, die vooral in het zuiden nog bijna geheel ongerept is, het zwarte schaap van de regering is.

Afwisselend met goudgele- of geelgroene sawahvelden passeerden wij om de vijf en tien minuten een kampong waar de bamboe huisjes kris-kras door elkaar stonden. De enorme bossen van groene bomen waarin deze dorpjes door elkaar lagen, leken op volslagen wouden van vruchtbomen en bamboestoelen. Overal zagen wij de mangga, de cocos, de Nangka (Artocarpus) de ramboetan en de vele soorten pisang. Van een regelmaat in de weelderige beplanting was geen sprake, alles groeide door elkaar en vocht met zijn buurman om bovenuit in het zonlicht te komen. Onder deze zwijgend, strijdende vegetatie, lagen de bamboe huisjes in het half duister en de broeiende hitte.
De huisjes in Bantam hebben bijna allemaal aan de voorzijde een soort luifel van gedroogd allanggalanggras. Onder deze luifel staat op de aarde vloer vaak een balebale (bamboe rustbank) en hangt men aan het dak een soort hangmat, waarin dan een kind wordt gejonast. Van binnen hebben de huisjes vaak niet meer dan één vertrek, zonder enig raam van betekenis, waarin nagenoeg geen licht kan doordringen. De vloer is van aangetrapte rode klei, klef en glibberig. Het bladerdak der bomen is hermetisch afgesloten en geen zonnestraal komt er doorheen. Alleen buiten de dessa blakert de sawah van de hitte. Daar brandt de zon de hele dag meedogenloos op de velden en doet de paddi rijpen. Onder paddi wordt verstaan de rijst zoals za op het veld staat en onder nassi wordt verstaan de rijst zoals ze op tafel komt, gekookt.

De Bantammers zijn een vreemdsoortig volkje dat heel moeilijk te begrijpen is. Ze zijn eerder stug dan hartelijk en niet te vergelijken met het volk uit de Preanger, de Soendanees, die vrolijk van aard, gastvrij en druk is. De Bantammer vindt een door zijn land reizende europeaan maar een vreemd wezen en komt liever niet in zijn omgeving dan alleen indien dit noodzakelijk is. Met de paplepel wordt ook de kleine kinderen ingegeven dat een Europeaan iets is om voor aan de haal te gaan. Een huilend en dreinend kind wordt door de moeder ook vaak bang gemaakt met “Awas nanti tuan datang” (pas op, want anders komt er een blanke meneer), waarop meestal het kermende kind doodstil wordt en zich achter de moeder verbergt. Dit was iets wat mij vooral in de afgelegen streken van Bantam opviel. Heel anders is dit in de Soendalanden, waar wij op een andere reis dadelijk door honderden peuters werden achtervolgd.

De oorzaak van de teruggetrokken aard van de Bantamse bevolking is naar mijn mening voornamelijk het gevolg van het feit dat deze residentie voor het grootste deel ongerept is en voor recreatie heel zelden door Europeanen wordt bezocht. Er zijn geen hotels of vakantieoorden van enige betekenis. Dit zal op zijn beurt weer het gevolg zijn van het vrij ongezonde klimaat. De Bantammer kent de europeaan niet voldoende, komt bijna niet met hem in aanraking en hoort alleen verhalen die langs verre omwegen tot in zijn dessa komen en dan slaan als een tang op een varken. Verhalen over de ‘kompagnie’ worden graag in de kampongs verteld. Deze vreemde, niet prettig aandoende eigenschap van het volk, wordt steeds merkbaarder naarmate men westelijker trekt. Zelfs de natuur wordt stugger en uitdagender om niet te spreken van geheimzinniger.

De langs de spoorbaan liggende halten zijn kleine, witgekalkte gebouwtjes onder een ver overhangend dak van gegolfd  plaatijzer, vaak roodgeroest door de zware tropische buien. Ze zijn bediend door een inheemse haltenchef, een man met een hoofddoek en daarop een veel te klein rood petje, eigendom van de Staatsspoorwegen. Hij is wel de belangrijkste man van de dessa, op het kamponghoofd na. Zijn enorme functie brengt mee, dat hij meerdere vrouwen kan houden. Met zijn tractement van dertig of veertig gulden per maand kan hij zich deze luxe dan ook makkelijk permiteren, al zit hij vaak in en war net van ruzietjes van de vrouwen onderling. Al ishet loon van deze ‘ambtenaar’ dan ook niet hoog, hij weet zijn stand goed op te houden en aan middelen te komen die hem als ware uit hoofde van zijn functie in de schoot worden geworpen. Hij is een hele piet waartegen de gehele dessa op ziet en aan wie iedereen zijn diensten aanbiedt. Hij weet zich op een slimme wijze door het leven te slaan en bezit sawah’s, karbouwen en huisjes.

Honderden lanterfantende, zo goed als naakte kinderen met blote buikjes en vieze neusjes spelen in de door blote voeten tot rode pap getrapte klei. De onderkant van de gekalkte stationsmuur is door de velee handen rood/bruin geworden, net als de klei rondom.

Toen ons treintje op de halte Madja aankwam, stormden honderden kinderen, jongens en meisjes, op de trein af en bedelden om sigaretten en geld. Toen ik hen toeriep en wat kopergeld uit de wagon wierp, onstond er een verwoed doch goedaardig gevecht en zag ik slechts een kluwe van blote lichaampjes door de modder rollen. Een vijftal sigaretten die mijn reisgenoot nog naar buiten wierp waren een attractie en weldra liepen peuters van vier en vijf jaar met een brandende sigaret   in hun handjes. Toch waren dit geen bedelaartjes, doch de lanterfantende jeugd uit de dessa. Men zou ze kunnen vergelijken met de kringetjes spuwende straatjochies in Nederland, met dit verschil dat die niet in Adamskostuum rondlopen. Door hun bruine velletjes zien zij er echter veel minder naakt uit dan wanneer een europees kind zo zou rondwandelen.

Bijna alle kinderen die wij zagen, hadden gespannen, bolle buikjes, zogenaamde rijstbuiken die wezen op een eenzijdige voeding van rijst en oebi (bataten). De baby’s worden reeds van hun prille jeugd af volgepropt met rijst en de moeders vragen zich niet af of het kind trek heeft of niet. De rijst wordt eenvoudig in de keel van het kind gepropt op dezelfde wijze waarop een slager een worst zou vullen. Mogelijk is deze wijze van voeden een probaat middel om overbevolking te voorkomen.

De kampongpaadjes zijn smal, modderig in de regentijd en glibberig. Voor een westerling haast onbegaanbaar, doch de dessabewoners tonen zich op dit pad ware artiesten. Zij boren bij elke stap hun grote teen in de weke modder en weten zich zo over het steilste paadje voort te bewegen. De bruggetjes over de rivieren bestaan meestal uit niet meer dan een paar naast elkaar liggende bamboes, glad door de platgetrapte klei en een wankel leuninkje in de vorm van een zwiepende bamboe. Hierover weet men zich zelfs op een drafje voort te bewegen naar de overzijde en eens zag ik eenman, met een zwaar beladen pikolan op de schouder, midden op zo’n bamboe geval, door een been zakken en de andere in het riviertje schoonspoelen. Voorwaar koorddanserswerk. Alleen de getrainde KNIL-soldaat en een in dit landschap werkende planter zou een dergelijk bruggetje kunnen betreden. Ook zij trekken daarvoor meestal hun schoenen uit.

Vlakbij het stationnetje Madja zagen wij een dessaschooltje in het groene lover liggen. Het gouvernement bouwde er zo velen op Java. Zo’n schooltje bestond meestal uit niet meer dan drie klasjes en de kinderen der landbouwers leerde er wat rekenen en lezen van een inheemse goeroe. In deze bamboe gebouwtjes werd het onderwijs in de Maleise, Soendanese of Javaanse taal gegeven. Primitiever dus dan op de zogenaamde hollandse inlandse scholen, waar ook Nederlands werd geleerd en het ‘Wien Neerlands bloed’ werd gezongen.

De uitgestrekte nog hier en daar met goudgele paddi begroeide sawahs werden meer en meer geaccidenteerder en reeds duidelijk konden wij rechts van ons de nog steeds werkende vulkaan, de goenoeng Karang waarnemen. Een machtige kegel was het, deze nog werkende 1780 meter hoge berg. In de kleine op hoge bamboes staande wachthuisjes zaten vrouwen en kinderen, die gillend en schreeuwend en aan lange touwen trekkend de vraatzuchtige legers rijstdiefjes zoals glatiks en andere vogeltjes weg joegen. Grote wolken van deze diertjes zweefden weg om elders neer te strijken.

Overal waren honderden figuurtjes door het goudgele veld verspreid en al dadelijk viel ons op dat hier een paddioogst aan de gang was. Meestal gebeurt het plukken van de paddihalmel door vrouwen en meisjes die met een klein mesje aar voor aar afsnijden. Zo’n mesje heet aniani en is gemaakt uit een rond stukje bamboe en een plankje waaraan een klein mesje is bevestigd. De mannen houden zich bezig met het bundelen der aren tot kleine bossen die daarna op spits toelopende hopen worden gelegd en wel zodanig dat bij regen het water er direct af kon lopen. Weer anderen versjouwen de paddi aan pikolans naar de dessa om ze daar te wegen en op te bergen in de schuren, tot de tijd van stampen is aangebroken. Dit gebeurt in de dessa nog met de hand terwijl in de meer bewoonde streken de paddi naar de rijstpellerijen, die meester in handen van Chinezen zijn, gaat en daar machinaal gepeld en geslepen wordt. Door deze bewerking verliest de rijst veel aan voedingswaarden en het zogenaamde zilvervlies gaat daarbij verloren. De in de dessa gestampte paddi is minder wit omdat zij het zo belangrijke vlies nog bevat, doch zeer vitaminerijk. Men noemt dit dan ook de beras toemboek (beras is rauwe rijst en toemboek is stampen). Vooral de indische doktoren zullen de beras toemboek oftewel de zilvervliesrijst zeer aanbevelen bij verschijnselen van beriberi (scheurbuik).

Het met de hand stampen van de rijst geschiedt ook al weer door vrouwen die daarbij meestal hun baby, voorzover zij die hebben, in een slendang op de rug hebben hangen.
De bosjes paddi worden één voor één in de holte van een houten blok (bemboeng) gelegd en met een lange ronde knuppel leeggestampt, dat wil zeggen van het bolster ontdaan. De in het blok achtergebleven paddikorrels worden door een andere vrouw op een platte mand, een njiroe of tampir, gedaan en door handige bewegingen telkens de hoogte in gegooid waarbij dan het zachte windje het kaf wegblaast en de rijstkorrels achterlaat. Een onafscheidelijk tafereeltje bij deze openlucht werkzaamheden is altijd het aantal magere kampongkippen dat om de stampende vrouwen heen trippelt om de weggespatte korrels te bemachtigen.

Tegen twaalf uur in de middag, toen de zon precies in het zenith stond te branden, reden wij Rangkasbetoeng binnen, een aardig stationnetje waar een Nederlandse chef dienst deed. Over het perron wandelde een familie houterige, magere witte geiten en peuzelden loom het weggeworpen pisangblad op, dat had gediend als verpakking van eetwaren. Er heerste een echt Oosterse drukte op dit station en wij onwaarden een paar heftig armzwaaiende Arabieren met hun goor geworden rode vezzen op en hun magere benen in te wijde schoenen, die tussen wat toekijkende kamponglieden stonden. Een man met vruchten passeerde ons, lachte omdat hij zag dat wij er naar keken en zei triomfantelijk: ‘Arab bakelai Tuan’ (Arabieren zijn aan het bekvechten meneer). Even verder was een druk, half gillende Chinees bezig zijn koopwaar aan de omstanders aan te bieden. Hij deed geweldige pogingen, zich verstaanbaar te maken en de ‘r’ goed uit te spreken, want juist om het gebrekkige uitspreken van de ‘r’ wordt de Chinees er door het jeugdige volk uit de kampong vaak tussen genomen. Zijn ‘Soetela, lenda-lenda, loegi besal’ dat zoveel met betekenen als ‘Soetera, renda-renda, roegi besar’ (zijde, kant, groot verlies) doet een ware vreugde onder de omstanders ontstaan. Men doet hem na en lacht om deze nijvere zoon uit het hemelse rijk. Hij wordt er tussen genomen, maar hij verdraagt de palgerijeren, want het resultaat zal zijn dat hij verkoopt en fiks verdient. Met een soort doek de druppels van zijn kale hoofd vegend, smeert hij een paar in verrukking toekijkende vrouwen elk een sarong aan en moffelt het ontvangen geld in een zwart lederen zakje. Te midden van dit drukke gedoe vochten twee half geplukte hanen op leven en dood in een grote oplaaiende stofwolk. Een aantal half naakte jochies keek er in extase naar. Op een houten bank van het station zat op zijn hurken een oud baasje met een rimpelig bloot bovenlijf en sleef een siersteen op een glasscherf. Hij legde daarbij een geduld aan de dag die alleen Oosterse volkeren eigen is.

Vanuit Rangasbetoeng zouden wij met een sado, een tweewielig karretje, plaatsbiedend aan vier, rug aan rug zittende personen (dos à dos), naar de rubberplantage van Van Erkom gereden worden. Voor het station regelde een inheemse veldpolitieagent het verkeer dat uit slechts enkele karretjes en voetgangers  bestond. Op zijn blote voeten, waarboven toch een paar puttees (beenwindsels) waren gewonden, stond hij daar met een bamboehoed op gymnastische armbewegingen te maken. Na enig overleg met de koetsier stapten wij in het kleine wagentje dat door twee paardjes werd getrokken en lieten ons de bergachtige omgeving intrekken. Bij de door twee paardjes getrokken sado, loopt het tweede paartje niet zoals het eerste tussen de bomen, maar aan een paar loshangende touwen touwen er naast, een eind opzij van het karretje. Met de zweep en met vele vreemde keelgeluiden van de half uit het wagentje bengelende koetsier, wordt het buitenste paardje aangespoord tot in de buurt blijven en meetrekken. Met een dergelijke dubbeltractie verdwenen wij onder een soort hoerageroep van naakte kampongkinderen van het stationsplein, richting plantage.
Na nog een blik te hebben kunnen werpen op het oude huis van Multatuli, ging het met een kittig vaartje helling op, helling af en aangezien wij met onze rug naar voren zaten, konden wij niet zien wat er ging gebeuren. Wij zagen slechts wat gebeurd was. Kippen stoven kakelend opzij en veren vlogen over de hobbelige weg. Een gladharige hond reden een eind met ons mee en deed pogingen om zijn gemeen uitziende tanden in onze buiten boord hangende benen te zetten. Onze tent, rugzakken en geweren lagen voor in het wagentje onder de benen van de koetsier, een half naakte man met een slordig geknoopte hoofddoek op en een formidabele sirihpruim in de mond.

Om de paardjes tot nog meer prestaties aan te zetten, zag ik, omkijkend, hoe hij de staart van een van de dieren tussen zijn tenen nam en er een paar maal aan trok. Ventre a ventre ging het plotseling verder en weldra hobbelden wij over de bonkige weg van de plantage. Door een schaduwrijke aanplant van jonge rubberbomen reden wij nog geruime tijd verder over de onverharde weg die naar de woning van Van Erkom leidde. Huizen en mensen waren niet te zien. De tuinen waren eenzaam en verlaten. Hier en daar hing een cup aan de stammen geprikt en vloeide een dun straaltje latex in dit verzamelbakje. Boven in de bomen koerden de houtduiven na hun vlucht over de zonovergoten velden. In de verte klonk een tongtong en onze koetsier legde ons met een volle sirihmond uit dat het twee uur was en het koelievolk van de kebon na de rust weer aan het werk moest. Hij kende de Toean Van Erkom wel, had hem vaak gereden en wist te vertellen dat de huishoudster van hem nog familie, een soedara, was van Nji Kossih, die woonde bij een andere toean op een verderop gelegen onderneming. Ik voelde er niet veel voor mij ernstig te verdiepen in familiebetrekkingen, want als snel meende ik te begrijpen dat de huishoudster de vader van de koetsier was en tevens de achternicht van zijn grootvader. Nu ben ik nooit bepaald vlot geweest in het begrijpen van de familiebetrekkingen van het inheemse volk en ben met moeite doen om het wel te begrijpen opgehouden, toen ik eens vier maal achtereen aan mijn huisjongen een voorschot gaf om zijn grootvader te begraven. Die kennelijk in staat was meerdere malen dood te gaan.

Heftig knikkend en ‘Oh betoel’ (o, juist) roepend probeerde ik de man met de sirihpruim van mijn belangstelling te overtuigen toen wij over een soort met grint bestrooid pleintje voor een groot bamboehuis op paden tot stilstand kwamen.

De paardjes, nat van het schuimend zweet, werden uitgespannen en op een grasveldje dat met honderden, met de hals in de grond gestoken bierflessen was omringd, losgelaten. Van Erkom, gekleed in een witte ‘toetoep’ en een helmhoed op het hoofd, kwam ons reeds tegemoet. Het was een drukke ontmoeting in deze eenzame omgeving. Van Erkom bewoonde een enorm ruim en groot huis met zes grote, koele kamers en een reeks bijgebouwen, waar men op de fiets langs zou kunnen gaan. Van Erkom noemde deze afdeling waar de bedienden woonden en bergplaatsen en keuken waren, de Kalverstraat. De open voorgallerij stond vol palmen en er hingen kooien met vogels waaronder een beo die ons verwelkomde met “zo, ouwe jonge!”, hetgeen hij altijd van zijn baas hoorde. Aan de muur hingen hertengeweien, een paar waaiers en enkele chinese muurborden. Heerlijk koel was het hier en door het geheel openstaande huis woei een zacht windje. Onze gastheer vertelde ons dat hij de enige was die op deze afdeling woonde en de dichtstbij wonende planter hier een dikke vijf kilometer vandaan zat.

Toen wij ons in een van de grote, ruime kamers wat hadden opgefrist, liet hij ons zijn huis zien en bracht ons bij de bijgebouwen, waar verscheidene mannen, vrouwen en kinderen, die tot het bedienende personeel behoorden, woonden. Hier hadden de kokkie, de stal- en tuinjongen hun vertrekken. Kleine kinderen speelden een spelletje op de overloop en kropen angstig en verlegen weg toen wij, vreemde snoeshanen verschenen. Het huis met de oneindig lange reeks bijgebouwen en de grote tuin vormde in deze eenzame omgeving een wereldje op zich zelf temidden van de uitgestrekte rubbertuinen.

In de grote, door de jaren heen zwart geblakerde keuekn werd op enkele houtvuren een formidabele rijsttafel ter ere van onze komst bereid en een grote mand met gestoomde rijst dampte als een vulkaan boven een koperen dangdang met kokend water. Die middag lieten wij het fabelachtige resultaat van hetgeen daar bereid werd goed smaken en na tafel wandelden wij met Van Erkom de tuinen in. Daar was het werkvolk aan het wieden en aan de tap. Onderweg vertelde hij dat enige dagen geleden een oude vrouw was aangevallen door een tijger, die reeds eerder om de pondok was gezien (pondok is de verzameling huisjes op een plantage waar de koelie’s wonen). Het dier maakte het vee zeer onrustig en men had het met aansteken van grote vuren en het slaan op blikken en tongtongs tevergeefs proberen te verjagen. Nu was de oude vrouw het slachtoffer geworden van deze woeste alleenloper. Levenloos en vreselijk toegetakeld vonden vroege koelies haar ’s morgens langs het paadje waarop wij thans liepen. Dagenlang waren de inheemse ambtenaren van het binnenlands bestuur en de veldpolitie op de loer om het dier dat overal zijn sporen achterliet, neer te leggen, doch men kreeg het niet te pakken. Eenmaal zag een koelie het dier over een omrastering in de pondok springen met een pasgeboren geitje in de bek. Later, toen wij al weer in Batavia waren, vernamen wij dat de Wedana van Rangkasbetoeng het dier had dood geschoten. Ook panters leefden in deze omgeving nog genoeg.

Tegen het vallen van de avond keerden wij met het werkvolk in een zware plensbui huiswaarts. De grote petroleumlampen werden aangestoken door de huisjongen en wij kropen, na ons verschoond te hebben, elk in een ouderwetse krossi-males, een grote houten luierstoel met uitslaande armen om de benen op te leggen. Deze stoelen worden ook wel krossi gobang genoemd en ontlenen die naam aan de gobangs (2,5 centstuk) waarmee de pinnen waarmee de uitslaande armen moeten draaien, zijn vastgezet. Tegen de muur kroop traag een dikke gekko. Het dikke grijsgroen en bruinrood gevlekte dier ‘wond’ zich op met een krakend ‘krrrrr’ en begon te slaan “toke… toke….toke…. toke…” Tientallen tjitjaks, kleine hagedissen, die de mooie wetenschappelijke naam Hemidactylus Frenatus dragen, reden achter elkaar tegen de muur en het plafont en hapten snel naar de insecten die op het lamplicht afkwamen. Onze grote koppen koffie waren bedekt met deksels van aardewerk om het invallen van insecten te beletten. De koppen droegen een kransje van rose roosjes en in verguld het opschrift “slamat minoem’ (drink met smaak). Een vleermuis vloog de open voorgalerij in en uit en buiten vraten zijn soortgenoten van de rijpe vruchten zoals djamboe of belimbings en vlogen er mee weg. Als ze te zwaar waren viel de bemachtigde fruitschat met een doffe plof op de grond. Een tongtong in de pondok sloeg met doffe slagen en een concert van honderden krekels, de djankriks, vulde de duistere avond. Een koel windje woei over de Hybiscusheesters en bracht frisheid na een snikhete dag.

De volgende ochtend namen wij in de oude mandikamer een fris bad en gebruikten een echt indisch ontbijt van kleefrijst met geraspte cocos en gebakken pisangs. Tegen acht uur maakten wij ons gereed voor de verdere reis naar Laboehan, het uiterste plaatsje aan Java’s westkust. Met de vrachtauto van de plantage, die elke morgen de boodschappen deed en de post ophaalde, reden wij door een binnenweg naar het station in Rangkasbetoeng en zaten weldra in de ‘keretaapi’. Nog even zaten wij door het kleine raampje van de coupe te kijken naar een Salon de coiffeur midden op het perron. Daar was een zeer luchtig geklede kapper een dito heer van zijn pruik zwarte haren te ontdoen. ’s Mans hoofd was reeds voor de helft kaalgeschoren terwijl de andere helft nog getuigde van vele maanden welige haargroei.

De klant zat op een omgekeerd petroleumblik, met zijn voeten tot aan de enkels in afgeknipte haren, weggeworpen schillen en pisangbladeren van een aangrenzend waronkje waar nassi werd verkocht. Deze attributen hadden hun plaats op de perrontegels gekregen en vormden een waar stilleven. Het allerleukst was het om te zien hoe de kapper met z’n tenen de tondeuze van de grond raapte, het daarna in zijn hand nam, er hard op blies en ijverig begon te knippen. Nog lachend om deze aller eenvoudigste wijze van fatsoeneren reden we het stationnetje uit, het heuvelachtige landschap in.

In de kali Tjioedjoeng waar wij weldra overheen spoorden, lagen tientallen bamboevlotten met de daarop gebouwde latrines. In de omgeving van deze plaatsen, waar men meestal niet nader te omschrijven functies verricht, zaten tot aan het middel in het bruine water honderden vrouwen te wassen en zwommen kleine kinderen rond. Bij het zien van dit tafereel, verwonderde het ons dat er onder het kampongvolk niet veel meer sterfgevallen plaats vonden. Men baadt, men wast er en men poetst in dit bruine sop zelfs z’n tanden met gestampte rode steen. Baby’s verdwijnen op de rug van hun moeders in de kali, die voor alle daaraan gelegen kampongs, de vuilnisbelt is. Alles wat men kwijt wil wordt in de kali geworpen en door haar mee naar zee gevoerd. Pisangstammen, oude matten, ja zelfs kadavers drijven mee.

De volgende stopplaats was Pandaglang en het viel mij op dat hier de wegen nog slechter waren dan in Rangkasbetoeng. Op een sukkeldrafje zag ik een tweetal koelies, met aan een pikolan een paar houten gieters, de stoffige weg begieten. De damp sloeg van de grond. Voor het stationsgebouwtje bloeide een Flamboyant

met haar overdaad van vuurrode bloemen. De trossen rood en oranje gekleurde bloesem hingen tot even boven de grond. Het zijn voornamelijk de indische schilders die deze boom vaak op hun doeken afbeelden en iemand die deze boom nooit in werkelijkheid zag, zal het schilderij bekijken met de verbaasde uitroep: ‘Dat is fantasie!’. Wanneer men door een laan van deze in bloei staande bomen loopt, is het of de hemel boven u in vuur in vlam staat. Het is vooral de Flamboyant, het helgroen van het jonge pisangblad en de kleurige klederdracht van het volk, dan aan het Indische landschap zo’n schoonheid geeft.

Dit kleurvolle, zonovergoten levende ‘schilderij’ deed mij opeens denken aan de gebeurtenissen in het jaar 1926, toen hier een opstond onstond welke een politieke oorsprong had. Verscheidene Europeanen werden hier in hun huizen vermoord en vooral de Chinezen hadden het zwaar te verduren. De onder aanvoering van een zekere kapitein Becking staande legermacht, gesteund door de veldpolitie, moest danig huishouden om erger te voorkomen met als resultaat vele doden en deportatie van verscheidene raddraaiers naar de Boven Digoel op Nieuw-Guinea. Hoewel in dat jaar over geheel Java onrusten waren ontstaan, was vooral Bantam een broeinest van oproerkraaiers. Ook in Batavia vielen schoten.

Rechts van ons rees de Goenoeng Karang op en tegen vijf uur in de middag, toen de zon reeds rood aan de horizon stond, reden wij Laboehan binnen en hier sloot een een simpel stootblok op de rails de ruim 1100 kilometer lange spoorbaan over Java af. Hier was het einde voor hen die uit het Oosten kwamen en het begin voor hen die naar het Oosten gingen. Een eenvoudig houten gebouwtje was volgens het bordje aan een paal, Laboehan, het kleine vissersplaatsje aan Java’s westkust. Wij waren de enige die hier het treintje verlieten en zagen ons aan alle kanten omringd door klapperbossen. Overal rechte stammen waar doorheen het blauw van de zee, Straat Soenda, zichtbaar was. Tegen het rood en goud van de ondergaande zon staken de stammen en palmkruinen zwart en scherp af. Enkele figuurtjes bewogen zich druk tussen de palmbomen. Het waren vissers die hun netten boetten en te drogen hadden gehangen.

Een lauwe zeewind woei ons tegemoet en toen wij buiten het stationnetje stonden, waren wij in een oogwenk omringd door wel honderd naakte peuters, die tevoren op de hete straatstenen hadden geluierd. Een drietal van deze naakte exemplaren waren brani en kwamen dichter op ons af. Zij wilden met alle geweld onze spullen dragen. Voorafgegaan door een legertje van blootbuikige kinderen, liepen wij naar het huis van de chinese heer Tan Tok Kiong, die aan het gejoel van de ons vergezellende schare reeds van onze komst verwittigd was. Tot laat in de avond heeft deze wel honderd kinderen tellende kolonie voor het huis in het stof van de weg gelegen om ons te kunnen bewonderen  alsof wij Perzische vorsten waren. Laboehan telt geen Europeanen en zodoende waren wij buitengewoon bezienswaardige wezens welke vooral onder de jeugd een sensatie teweeg brachten.

Onze chinese gastheer bij wie wij enkele dagen zouden logeren en van hieruit onze tocht naar het eiland onder de rook van de Krakatau zouden ondernemen, verwelkomde ons met een luidruchtige schare chinese dametjes en kinderen. Wij werden als het ware het huis binnengeduwd en zaten al snel achter een tafel met een overdaad aan koek en andere versnaperingen. Onze bagage werd verzorgd en door een paar koelies welke de vertrouwelingen van Tan bleken te zijn. De kleine, naakte dragertjes van het station waren reeds verdwenen met als fooi een cocosnoot ‘de man’. De duisternis was reeds gevallen en een tweetal grote suizende petromaxlantaarns verspreidde een schel, blauwachtig licht. Tegen de witgekalkte muur stond een met rood en veel goud gelakte tepekong (altaar) waar op een schaal met vruchten en gevulde theekopjes. In grote, zwart ovale lijsten hingen aan weerskanten de portretten van Tan’s ouders. Zij waren reeds lang geleden gestorven. Een spiegel, beschilderd met rode roosjes, helgroene blaadjes en twee ‘lachende’ tijgers hing aan de wand.

Onder het drinken van thee van chinese makelij, welke ons in rijkelijke hoeveelheden werd ingeschonken en waarin voor de geur de bloesem van Melatti was verwerkt, bespraken wij onze plannen met de in deze omgeving zo goed bekende heer Tan. Hij verzekerde ons dat wij de eerste Europeanen zouden zijn die het onbewoonde eilandje in Straat Soenda zouden bezoeken. Het lag ietwat zuid-west van Laboehan, drie mijl uit de kust. Bij ebtij kon men met wat moeite over de grote koraalbodem het eilandje te voet bereiken, doch aangenaam was deze trip niet. Om niet te spreken van het gevaar dat aan zo’n voettocht zou zijn verbonden, hield men zeker geen droge voeten, terwijl uw schoenen na de toch direct naar de vuilnisemmer zouden kunnen verhuizen.

Ons werden twee ervaren drager-roeiers aangeboden die een kilometer of vijf het bos in, een vlerkprauwtje in een kreek hadden liggen en ons met vloed naar het eiland zouden brengen. Een geweldige, doch vreemdsoortige rijsttafel werd ons opgediend. De heer Tan adviseerde ons vooral te eten van de schaal schildpadeieren. Deze van de Karetschildpad afkomstige produkten hadden een taaie, witte lederachtige schaal en waren zuiver rond. Ze behoren te worden opengescheurd alvorens de inhoud kan worden opgeslurpt. Ik voor mij prefereer een mooi kippeneitje boven een schaal schildpadeieren , doch kenners beweren het tegendeel. Geroosterd geiten- en varkensvlees, een soort soep met veel halfgare groente en mals koppenvlees smaakten mij opperbest. In een keurige schaal op hoge voet lag een goudgele kam bananen van de beste soort. Als dessert prefereerde ik deze bananen meer dan het geopende blikje doperwten van Tieleman en Dros, dat er naast stond als bijzondere delicatesse. Wij lieten ons de overdaad van spijzen goed smaken, want zouden over enkele dagen met minder, veel minder moeten volstaan.

In een hoek van de kamer brandde een soort lange bruine sok, in de vorm van een enorme sigaar en een blauwe sliert rook steeg van de punt omhoog om de muskieten te verjagen. Dit was de in Indië zo bekende obat njamoek, gemaakt van om een bamboestokje gewentelde karbouwendrek en houtzaagsel. U kunt zich de geur van dit brandende geheel wel voorstellen. Maar, ondanks de hoestbuien die het rokende ding ons bezorgde, gingen de muskieten er voor aan de haal en dat was de hoofdzaak.

 

Vooral Laboehan was een broeinest van malaria, verzoorzaakt door de steek van de Anopheles muskiet. Zij die in Indië aan de kust woonden weten wat malaria is en kennen deze ziekte overbrengende muskiet aan haar typische vorm. Ze is groter dan haar minder gevaarlijke, doch niet minder hinderlijke soortgenoot en staat meer overeind dan de laatste.

Alleen de door het schelle lamplich aangelokte insecten, zoals larons (gevleugelde witte mieren, termieten), nachtvlinders, walang sangits (eigenaardig riekende wantsen uit de rijstvelden) en anderen, trokken zich niets aan van de ‘sigarenrook’ en kroeilden in wilde vlucht om de lampen die opzettelijk niet recht boven de tafel waren opgehangen om te voorkomen dat niet in een ommezien de soep vol drenkelingen zou drijven.

Een klein inheems meisje bracht zwijgend een soort waskom met water binnen en zette deze onder de lampen op de grond. Binnen een kwartier lagen er wel een paar honderd machteloze larons met hun dunne vleugeltjes plat op het water. Het grootste deel van de lastige diertjes, die steeds plegen in iemands overhemd te kruipen, was weldra opgeruimd en het meisje kwam de kom drenkelingen weghalen. De inheemse bevolking is namelijk zeer verzot op deze diertjes. Zij bakken ze in hun eigen vet en verorberen ze bij de rijst.

De tijgers op de spiegel aan de wand lachten nog steeds toen wij onder het roken van een sigaartje van tafel opstonden en in de open voorgalerij verder gingen met het vernemen van allerlei bijzonderheden over de omgeving. De heer Tan waarschuwde ons vooral voor de in het cocosbos veelvuldig voorkomende  slangengebroed, die bijna allen zeer giftig zijn. Ook voor de in de afgevallen cocosnoten huizende schorpioenen waarschuwde hij ons bijzonder. De aangetaste en daardoor afgevallen noten zijn vooral voor de schorpioen een geliefkoosde verblijfplaats. Op een leitje werd door de heer Tan een schetsje getekend van de richting die wij hadden te volgen om zonder te veel omwegen bij de kreek, waar de prauw lag, te komen. In de late avond maakten wij de bagage voor onze tocht gereed en hielden hierbij rekening met een verblijf op het eiland van drie, ja wellicht meerdere dagen. Nimmer heb ik de juiste naam van het vreemde kleine eiland te weten kunnen komen. De één sprak van Poelo Ketjil, de ander van Poelo Kalong en weer een ander van Poelo Sepi (verlaten eiland). De tweede naam, Poelo Kalong, leek mij de meest aannemelijke. Poelo = eiland, Kalong = vliegende hond, dus Eiland der vliegende honden. Deze naam droeg het eilandje dan ook met eer want het wemelde er van kalongs. De dierenhuizen in hun zwarte vliegliezen, de kop omlaag, aan de takken. Zo’n boom lijkt dan ook vol te hangen met zwarte todden en de dieren bengelen vlak tegen elkaar aan de kaalgevreten takken van deze op het verlaten eiland eenzaam staande ‘vesting’. Meestal kiezen de kalongs dan nog een boom uit met doornig hout, staande in een modderpoel, waar geen gevaar hen kan bedreigen.

Onder een klamboe en een waar rookgordijn van de obat njamoek, vielen wij in slaap. Ik hoorde nog enkele raten piepen en elkaar achterna zitten over de zakken copra (gedroogd cocosvlees waaruit de klapperolie wordt geperst) die buiten ons bamboekamertje waren opgestapeld.

Al vroeg ik de morgen ontwaakten wij. De obat njamoek was opgerookt en een lange sliert as lag op de vloer. De rappen piepten niet meer. Het was nog duister buiten doch de copraloods was al open. Ik hoorde de Chinese opzichter Enkoh Tis aan de koelies orders geven en het werkvolk ‘rollen’. (Rollen is een uitdrukking die vooral op plantages wordt gebruikt voor het oproepen van de namen; een soort presentielijst). In een grote, groenbemoste badkamer met een diepe cementen bak, gevuld met koel water, namen wij een fris stortbad. Om half zes ontbeten wij in pyama met onze gastheer. De zwarte koffie deed ons goed. Een kleine inspectie van onze bagage was niet zo ingewikkeld en wij waren er snel meer klaar. Kleren, schoeisel en ander klein grut werd in een mand gepakt en daarover kwam een zeiltje. In de tweede mand ging de tent. In de andere twee manden werden de etenswaren zoals rijst, boontjes, suiker, zout, koffie, gedroogde vis en wat blikjes gepakt. Ook hadden wij een voorraad van 30 liter drinkwater in een blik in de manden gepakt, want drinkwater was naar ons had verzekerd, niet op het eiland aanwezig. Een paar goedgekurkte flessen petroleum werden in het tentzeil geborgen. De fototoestellen, geweren, verrekijker en patronen zouden wij zelf bij ons houden. De korte rubber regenjassen werden tot kleine bundeltjes gebonden en konden aan onze gorders gehangen worden.

 

Tegen tien uur in de morgen vertrokken wij, vooraf gegaan door het tweetal dragers, die weldra ook uitmuntende roeiers bleken te zijn. Zij vonden het vrachtje meer een peulenschilletje vergeleken bij de zware lasten die zij gewend waren te dragen. Direct al werden wij als het ware opgeslokt door het enorme klapperbos dat zich in een brede strook langs Straat Soenda uitgestrekt tot aan Java’s zuid-westpunt toe. Duizenden en duizenden rechte stammen omgaven ons aan alle kanten en zo nu en dan was slechts de blauwe zee zichtbaar als ons paadje meer aan de bosrand liep. Boven onze hoofden raakten de palmkruinen elkaar en de bomen schenen vermoeid tegen elkaar aan te leunen.
De vlak aan zee staande palmen voerden een heftige strijd tegen de eeuwig durende en steeds voortgaande golfslag. Hier werden de wortels van de bomen blootgespoeld door de branding en hingen de lange stammen hulpeloos over de schuimende golven. Velen lagen al met de kruin in zee en zetten de berbeten strijd om het bestaan, hoe miserabel ook, voort met de moed der wanhoop. De schuimende golfjes spoelden over de trossen vruchten en dit ging voort, totdat de gehele boom losgerukt van de aarde, elders op het strand zou worden geworpen.

Welig door elkaar groeide de vegetatie die de bodem bedekte. Het in Indië zo bekende en onuitroeibare alang alangsgras woekerde tussen vele andere gewassen. De doornige Lantana met haar oranje en rode bloemhoofdjes en op bramen lijkende vruchtjes, de Pandanpalmen en de slangenbladplant waren hier rijkelijk vertegenwoordigd. Vooral de slangenbladplant, de Amorphophalis Onconphylus, bij de inheemse bevolking bekend als de kembang bangkeh (lijkenbloem) leek met haar bloeiende stengel in deze duistere omgeving op een brandende toorts. De groen en wit gevlekte rechte steel draagt aan de top een tros groene, gele, oranje en vuurrode bessen en hoe giftig deze plant ook is, zij behoort tot een van de sierlijkste bosbewoners van Java. Haar forse bladeren gilmmen als gepoetst leder en hangen sierlijk om de voet van de plant.

Vele vogels, waaronder de bekende Koetilang, pikten van de besjes van de Lantana. Een vuurrode specht hamerde een roffeltje tegen een stam en een badjing (klapperrat) die te vergelijken is met een kleine, magere eekhoorn, rende tegen een stam op en neer, verborg zich bij ons naderen aan de andere zijde van de boom en sprong met een sierlijke boog tegen een andere stam. De afgevallen dorre cocosbladeren lagen over de ondergroei heen en gaven aan de omgeving een echt rimboe-uiterlijk. Op ons paadje, dat niet meer dan 40 centimeter breed was en door deze wirwar van planten heen slingerde, vonden wij het afgestroopte vel van een slang die zich hier kort voor onze komst van zijn jasje had ontdaan. Het velletje was nog vochtig en slijmerig nat en lag op een blad.

Onze dragers, die ons een honderd meter vooruit liepen, waren plotseling op het paadje gaan zitten. Bij ons naderen, merkten wij dat zij rustig de patjets (bloedzuigers) van hun kuiten aan het verwijderen waren. Eén voor één trokken zij de kleine lastposten van hun benen en trapten ze met de hiel dood. Toen ik mijzelf op deze mormels onderzocht, bleek dat zij ook mij als voedingsbodem hadden uitgekozen. Van hun aanwezigheid had ik niets gemerkt. Mijn benen bevatten een half dozijn van deze zwart-bruine diertjes die zich tegoed deden aan het bloed uit mijn aderen. De dragers vonden dit schijnbaar heel gewoon en verblikten of verbloosden niet. Mijn reisgenoot vond een vijftal volgezogen bloedzuigers op zijn blote buik, direcht onder de vastgesnoerde gordel. Het lopen door wild struikgewas wordt vaak zeer bemoeilijks door de patjets, wiens aanwezigheid men pas voelt als ze volgezogen aan uw benen heen en weer schommelen en op het punt staan zich verzadigd los te laten. Het lostrekken van de dieren is een nogal pijnlijke operatie en men doet het beste doorde beesten enkele druppels tabakswater op de kop te laten vallen.

De kampongbewoners die zich niet al te best voelen gebruiken de dieren wel eens om een soort aderlating toe te passen en plaatsen hiertoe enkele platte dieren op het been of de slaap. Europese geheesheren pasten deze methode immers ook wel toe in de vroegere jaren. De patjets hangen aan de onderkant van het langs het paadje groeiende planten als het ware op de loer en weten zich bij het passeren van mens of dier, bliksemsnel aan diens kleren of vacht te hechten, waarna de zuigpartij een aanvang neemt.

Later werd ons duidelijk dat ook voor de in het wild levende dieren de patjets hinderlijk, ja zelfs dodelijk kunnen zijn. Verder in het bos vonden wij onder het dichte struikgewas een wild in het rondtollende tijgerkat, die heftig met de kop schuddend en met de voorpoten aan de neus krabbend zelfs onze komst niet had bemerkt. Dit moest iets te betekenen hebben, want wetende hoe schuw deze dieren zijn, verwonderde ik er mij zeer over dat het ons niet ontvluchtte. Dit dier was op de grens van dolheid, wist geen raad en rolde als een bal door de planten. Een van de dragers zei: “waaahhh, meong maoe mati kena patjet.” (deze boskat wil dood want is door een patjet aangevallen). Wij dachten aan de beet van een slang en besloten het dier met een geweerschot uit zijn lijden te verlossen. Ik deed een kogelpatroon in mijn geweer, haalde de haan over en vuurde. Direct na het schot, dat het arme dier in de kop trof, schoot een der dragers toe en begon het dier om en om te wentelen en te bekijken. Met een takje peuterde hij in de neusgaten van de kat en ontdekte daarin twee volgezogen patjets, die door hun dikke lichamen de neusopening niet meer hadden kunnen verlaten. De bloedzuigers waren de tijgerkat zijn dood geworden en vermoedelijk tijdens de slaap van het dier in de neus gekropen.

Jarenlang heeft het geel-bruine en zwart gevlekte velletje nog boven mijn bureau gehangen en geruime tijd hebben mijn eigen huiskatten met hoge ruggen en dikke pluimstaarten geblazen naar hun aan mijn muur hangende soortgenoot. Ook de karbouwen hebben veel hinder van de patjets die zich op de zachtste delen van de huid weten vast te zuigen.

Na dit oponthoud waren wij inmiddels in een deel van het bos met zeer oude palmen gekomen. Hier stonden bomen die niet meer of nog zeer zelden in pluk waren. De boktor, een ongeveer zes centimeter grote, zwarte kever, met gemene kaken en schaarpoten, had bij vele bomen de kruin uitgevreten. De bomen zagen er vreselijk gehavend uit. Ziekelijk en troosteloos was onze indruk van dit bos. Het anders zo fraaie cocosblad was hier niet meer dan een woud van sprieten en gerafelde nerven, waardoor meer licht binnenviel. Door het ruimschoots binnentredende licht was de ondergroei een haast ondoordringbare wildernis en ons paadje, dat toch al niet veel voorstelde, was weldra dicht gegroeid. Varens, lianen, doornige slingerplanten en andere gewassen bedekte de bodem met een dicht warnet, zodat van de goloks (kapmessen) duchtig gebruik moest worden gemaakt. Menigmaal verstroorden wij daarbij een in het groen slapende visuil, de Katupa, die dan hulpeloos wegvloog tussen de half dode stammen.

Aan een tak van een dadapboom met haar gemene doorns hing een bijennest van wel anderhalve meter lengte. Van welke soort bij dit geweldige bouwwerk was, kon ik niet onderscheiden en was blij dat wij heelhuids konden passeren. Duizenden bijen gonsden wild om het nest en om de boomstam. Mijn metgezel was zo ongelukkig net boven zijn rechter oog een steek te krijgen van een bij welke hij met zijn hand wilde verjagen. Een van de dragers, die eveneens door een tweetal bijen werd belaagd, bleef stokstijf staan, gromde heel lang en diep als een motor en…. de twee bijen verdwenen zonder hem te hebben gestoken. Hij vertelde ons dat door dit gegrom de bijen ‘denken’ dat er een groot soort bij in de buurt is waarvoor zij ontzag hebben en er alzo van door gaan. Of de bijen die werkelijk ‘denken’ weet ik niet, doch ondervond ik later aan de lijve dat het een probaat middel is om bijen van me af te houden. Een gemeen gonzende wesp wist ik weg te werken door een diepe gromtoon en stokstijf te blijven staan. Ook in de theetuinen komen veel bijen en wespen voor en ik vernam eens het bericht dat twee koelievrouwen, aangevallen door een zwerm van deze dieren, aan de steken waren gestroven. Tegen een tijger zelfs kan men met een geweer nog iets uitrichten, maar tegen een zwerm woeste wespen of bijen is het zwaarste kaliber niet opgewassen.

De hiervoor eerder genoemde badjing, de klapperrat, die iets doet denken aan het eekhoorntje, was in deze omgeving rijkelijk vertegenwoordigd. Ze renden tegen de stammen op en neer en sprongen in wijde bogen naar een andere boom. Zo nu en dan sprong er een te gehaast, greep mis en viel met een klap op de bodem. Zich van die val niets aantrekkend, rende het direct daarop weer tegen een stam. Hoog in de kaalgevreten bomen hoorden wij deze kleine knaagdiertjes hun eigenaardige ratelgeluidjes maken. De Badjing is een diertje dat in elke indische tuin wordt waargenomen doch vooral in de klappertuinen. Ze beschikken over enorm sterke kaken en vlijmscherpe tandjes, die voorwat de voortanden betreft, tot diep in de schedel zijn ingeplant. Met deze tandjes weten de diertjes het dikke velzige bolster en de keiharde schaal van de kokos tot op het vruchtvlees te bereiken. Zij boren daarbij in de noot een zuiver rond gat ter grootte van een kippenei. Door dit gat laten zij het water wegvloeien, kruipen geheel door het gat naar binnen en verorberen in de noot het vruchtvlees.
Enkele dagen later valt deze gehavende vrucht met een plof op de grond. Waardeloos is deze vrucht geworden en het is begrijpelijk dat de badjing een groot vijand is van de kokoskweker. Honderden, ja duizenden van deze afgevallen kokoknoten laten in het rond en boven in de kruinen sprongen de zondaars lustig op en neer.

Ook voor de oofttuinen in de kampongs is de klapperrat een groot vijand en hele vrachten vruchten die de tani op de markt zouden hebben kunnen brengen, verdwijnen in de maag van de kleine, maar vraatzuchtige badjing, die toch ook eten moet. Ik de wegrottende klapperresten vinden zich vooral de schorpioenen een geliefkoosde schuilplaats. Verscheidene malen rolden wij met de voet een klapper om en zagen dan enkele vorse schorpioenen met de jonkies op de rug angstig wegkruipen. Het waren de wijfjes die de jongen op de rug wegdroegen en zich zeer zenuwachtig gedroegen. De gemene angel krulde zich in een boog boven het lichaam.

Wij hadden intussen een trip van twee uur achter de rug. Het laatste uur had het meest van ons uithoudingsvermogen gevergd en zo besloten we aan de zeekant te gaan lopen, waar het meer open was. Voortgaande door het rulle zand van het smalle strand, zagen wij rechts voor ons uit de kust van Java’s derde punt ver in zee doorlopen. Het zand van de stranden op Java is donkerder van kleur dan dat in Nederland. Het is modderiger, waardoor wij vaak tot aan de enkels in de grond zakten. Ondanks dit hinderlijke lopen kwamen wij sneller vooruit dan in het dichte bos, waar veel kapwerk noodzakelijk was. Spoedig werd onze tocht gestuit door een riviermond. Wij waren op de plaats aangekomen waar de prauw moest liggen.

De bagage werd in het zand gedeponeerd en wij deelden sigaretten uit aan onze dragers, die weldra op hun hurken zaten te dampen en met elkaar bespraken hoe zij de iets verderop gelegen boot het best zouden kunnen ophalen. Een van hen kapte in het bos een soort rottanstengel, spleet haar in tweeën en knoopte de stukken tot een soort touw aan een. Hij rolde het op, gooide het over de schouder en verdween tot aan de borst in het water van de kreek. De jongste van de twee volgde zijn voorbeeld en plonsend en spattend vertrokken zij om de honderd meter verderop liggende boot op te halen. Wij bleven achter, wachtend in de barre zon. In de verte hoorden wij de mannen praten als door een luidspreker. Er werd gehakt, gekapt en geklopt. Weldra kondigde een gedruis en gespat ons aan dat de boot in het water terecht kwam. In het half duister van de overgroeide inham zagen wij het vaartuigje, een uitgeholde boomstam, aankomen. Voortbewogen door twee pagaaien voer het bootje het zonlicht tegemoet. Met een aanloopje ‘sprong’ het als het ware op het strand waar wij zaten. Een prauwtje van vier meter lang en niet breder dan 50 centimeter lag voor ons en zou ons naar het eilandje brengen. De vlerken, die in volle zee links en rechts van het scheepje worden aangebracht, lagen op de bodem. Deze vlerken moeten bij ruw weer beletten dat het bootje omslaat.

De twee aanstaande reerobben begonnen al aanstonds met het water uit het vaartuigje te scheppen en de bagage er in te zetten. Over de verdeling van de bagage op de bodem van het bootje ontstond even een kleine woordenstrijd tussen de mannen, doch die was spoedig bijgelegd. Er volgde een kleien ceremonie in de vorm van het branden van een stukje wierrook op de voorplecht van het prauwtje. Een sirihpruim en een sigaret werd aan de zeegeesten geofferd en zo kon ons, na deze miniatuur slamatan, niets gebeuren. Om ten volle van de goedheid der geesten te kunnen profiteren, verdiende het volgends de oudste de aanbeveling dat ook wij hier wat aten. En zo aten wij weldra van de gekookte rijst met gezouten vis die op de uitgespreide bladeren voor ons in het zand lag. Een sober, maar een voortreffelijk maal, na de vermoeiende tocht. De witte rijst, die wij in een groot pak uit Laboehan hadden meegenomen, lag als een berg voor ons en werd in vier gelijke stukken verdeeld. Ook het blikje cornetbeef verhoogde de smakelijkheid van deze openlucht maaltijd zeer. Om de voorraad drinkwater te sparen dronken wij het water van de kokosnoten. Wij rookten nog een sigaret en namen balanserend plaats in het wiebelende prauwtje. De oudste roeier nam plaats op het uiterste puntje van de boek en de andere duwde ons af. Hij ging tot aan het middel het water in en sprong toen met een behendig wipje op de achtersteven van het bootje. Met een vaartje ging het de kreek uit. Achterop zat de afduwer en wrong zijn uitgetrokken zwarte broek uit.

De twee knapen ontpopten zich nu reeds als zeer ervaren zeelieden. Met een sierlijke boog pagaaiden zij ons de kreek uit en toen ging het richt de zee in. Er stond bijna geen golfslag, doch het kleine deininkje dat er stond was voldoende om ons in het korte bootje vreemd op en neer te doen hobbelen hetgeen nu niet meer een aangename gewaarwording was, zo kort na de maaltijd. Gelukkig hield dit gewiebel spoedig op toen wij meer van de kust waren. Hier was de zee zo ondiep, dat wij de karang op de bodem konden zien liggen.

In de verte, op een mijl op zes van ons af, rees de Krakatau als een kegel uit zee op en een donzige veer van wolken hing om haar top. Plotseling zagen wij in het water, vlak bij de vulkaan een eruptie opstijgen. Duizenden kubieke meters zeewater, modder en stenen werd de lucht in geblazen. Bij het zien van dit verschijnsel dacht ik terug aan de in de geschiedenis beschreven grote uitbarsting van 1883 waarbij half Bantam door de zee werd overspoeld en duizenden de dood vonden. Toen was de lucht maanden lang bezwangerd met asdeeltjes, die tot zelfs in Europa neervielen. Recht voor ons uit lag het eilandje waar wij heen wilden en enige dagen zouden vertoeven. Een klein pluisje was het slechts dit eilandje, temidden van al dat zeewater. Achter ons lieten wij Java’s westkust als een lange donkere streep, waarboven de kruinen van duizenden palmen uitstaken. Een rood-bruine rotsachtige massa, links van de Krakatau bleek het bekende Langeiland te zijn, van waaruit verscheidene geleerden van de vulkanologische dienst de erupties van de vulkaan observeerden.

De in adamskostuum op de achterplecht zittende roeier speelde op een soeling (fluit van bamboe) enkele soendanese wijsjes en de hoge melancholieke trillertjes klonken over de golven. Om het geluid en de wijsjes die op de soeling worden gespeeld te begrijpen en te waarderen, moet men geruime tijd, ja zelfs lang in Indië hebben vertoefd, er het volk hebben leren kennen en thuis zijn geraakt in het wajangspel. Voor iemand die er niet mee op de hoogte is, heeft de soeling geen betekenis en zijn de geluiden door dit eenvoudige instrument voort gebracht slechts een aaneenschakeling van hoge huilgeluiden en nootjes. Hoe armoedig en naakt deze man daar ook zat, de op zijn soeling voortgebrachte muziek paste precies in deze tropensfeer. Nog menig maal zouden wij op het eiland, ’s avonds bij het het licht van een stormlantaarn deze weemoedige liedjes op de soeling kunnen horen. Muziek, die past onder de indische hemel en een mens aangenaam stemt. Zij heeft iets betoverends, iets lieflijks.

In de verte steeg weer een witte stoomwolk uit het zeewater op en evenlater hoorden wij het doffe gerommel. Een wit, door de zon beschenen streepje aan de horizon en een pluimpje van rook er boven, bleek een K.P.M. stomer te zijn. Na een uur pagaaien kwamen wij in nogal ondiep water en hadden het eiland op een afstand van ongeveer 200 meter benaderd. Een dichtbegroeide kust met daarvoor een smal strandje was reeds duidelijk zichtbaar. Enkele hoge woudreuzen staken met hun machtige kruin boven de ondergroei uit. Hier en daar zagen wij gedeelten van mangrove, vloedbossen, die duidde op moerasachtige bodem. Op een meter of tien afstand liep ons bootje vast aan de bodem en moesten wij door het zilte slik met de bagage op het hoofd baggeren om voet aan wal te kunnen zetten. De op de bodem van ons bootje liggende mastpaal werd naast het prauwtje in de zeebodem gestoken en een van de mannen klom er als een aap inom hem nog dieper in de grond te krijgen. Nadat het bootje met een stuk taaie rottan aan de paal bevestigd was, begaven wij ons aan wal. Tot aan de heupen zakten wij in de licht deinende blubber en zo modderden wij achter elkaar landwaarts.

Het smalle strand blakerde inde laatste hete zonnestralen en het viel mij op dat dit strand witter was dan de meeste stranden op Java. Hier en daar lagen grote, half verweerde rotsblokken, vermoedelijk afkomstig van de grote uitbarsting van 1883 terwijl ook vele aangespoelde boomstronken, blokken puimsteen en ontwortelde palmen overal verspreid lagen. Het was doodstil en geen windje roerde de bladeren van de mangrove die op hun vreemde luchtwortels, dicht op één in een moeras stonden. Een enkel klein vogeltje vloog van tak tot tak en kwam zeer dichtbij om te zien wat dit alles betekende. Aan de bewegingen van dat ene vogeltje zagen wij reeds duidelijk dat het diertje geen mensen kende anders was het stellig weggevlogen en niet zo vlak bij ons gekomen. Het diertje, dat een soort kolibrie had kunnen zijn, fladderde zelfs vlak bij mijn gezicht, waarbij het even stil bleef hangen om mij goed te bekijken. Enkele tientallen meters van ons af zagen wij reeds de ronding van de kust waaruit al dadelijk bleek dat het eilandje rond van vorm moest zijn.

 

Links en rechts zagen wij dat de smalle strandstrook over ging in een lage rotsachtige kust die steil in zee stond. Wij besloten op dit stukje strand ons bivakje op te slaan, want het was reeds te laat om het dichte woud nog in te trekken.
Terwijl we bezig waren met het uitrollen van de tent, ontdekte ik een restje van een oud houtvuur. De verkoolde stukken hout lagen nog netjes op een hoopje en uit deze vondst maakte ik op dat onze gastheer in Laboehan niet helemaal gelijk had toen hij ons verzekerde dat wij de eerste zouden zijn die dit eilandje bezochten. Kennelijk waren het vissers van Java of Sumatra geweest die hier hadden vertoefd en hun maal hadden gebruikt, want ik vond enkele draden van netten die zij hier kennelijk hadden hersteld.

Onder de tent hingen wij voor de muskieten onze veldklamboes op en aten met ons vieren in de schemering een maaltijd van rijst, spaanse peper, gedroogde vis en soep uit een blikje. De zon stond reeds laag en het mangrovebos wierp een smalle lange schaduwstrook over het strand. De zee ruisde en wierp traag kleine golfjes over het geelachtige zand. De avond viel. Eerst lichtblauw, daarna diepblauw en toen bijna zwart. Een groep kalongs, vliegende honden, wiekten traag in oostelijke richting, naar Java dus, waar de vruchtentuinen hen lokten. Tegen de ochtend zouden zij terugkeren. Hun hoge, schorre krasgeluid, die iets heeft van een kort blaffen, klonk spookachtig over de donkere zee. Wij zagen hun zwarte figuren over onze hoofden scheren en hoorden het suizen van hun vleugelvliezen. Steeds kwamen er meer over van deze zwarte vliegers en aan hun vlucht scheen geen einde te komen. Aan de lage vlucht merkten wij dat net uitgevlogen waren en dat hun verblijfplaats ongetwijfeld op dit eiland moest zijn. Dat wij ons hierin niet vergist hadden, bleek de volgende morgen, toen wij hun schuilplaats ontdekten.

Slaapboom kalongs

Het was inmiddels volslagen duister geworden en dankzij het briesje dat er stond, hadden wij geen last van muskieten. In het kabbelende zeewater zagen wij de fosforiserende diertjes en het was een vreemd verschijnsel, de blauw lichtende golfjes op ons te zien afkomen. De twee koelie’s die in hun sarongs gehuld dicht bij het het vlammende vuur zaten, vonden het maar een griezelige beweging, dit natuurverschijnsel en vonden het noodzakelijk een offer te brengen aan de zeegeesten. Of dit bijgeloof in verband stond met het in Midden Java bekende verhaal en legende van Njai Lor Kidoel, heb ik niet nader kunnen ontdekken. Vlak bij het aanspoelende zeewater legden zij een pisangblad neer en deponeerden daarop wat gekookte rijst. Op een in het zand geplante stokje, staken zij een rode spaanse peper en een brandend stukje menjam, (wierrook) hars van de Benzoëboom (Styrax Benzoin), voltooide de ceremonie.

De nacht was helder en voor Indië zeer koel te noemen. In het lage, doch dichte bos achter ons concerteerde een volledig krekelensemble en het geluid van een uil klonk in het woud. Terwijl het keteltje koffie boven de vlammen van het vuurtje hing te koken, maakten wij de tent gereed voor de nachtrust en bevestigden aan de buitenzijde een afdak dat als verblijf voor de mannen moest dienstdoen. In deze dependance sliepen onze helpers spoedig de slaag der rechtvaardigen. Wij bespraken nog het een en ander met elkaar, luisterden nog naar het gerommel van de Krakatau en naar het roepen van de uilen in het bos en sliepen daarna in op onze matjes.

’s Morgens werd ik al vroeg wakker door het geruis van de zee en het gekrijs van de terugkerende kalongs. Boven Java’s kust vertoonden zich reeds de eerste rode en goude vlekken aan de hemel en een nieuwe dag werd geboren, een dag die wij ten volle moesten zien te benutten. Buiten de tent gekomen merkten wij reeds dadelijk dat verscheidene dieren op het eiland leefden die zich vooral in de vroege morgen bij het strand op hielden om zich overdag in het dichte bos terug te trekken. Toen wij om de koffie en de gekookte katjang idjo zaten, ontdekte mijn reisgezel plotseling twee vrij grote varanen, die bij de bevolking bekend onder naam binjawak, die over het strand wegkropen. Ofschoon de dieren op nog geen veertig passen van ons vandaan waren, schenen zij ons in het geheel niet op te merken. Ondanks onze beweeglijkheid en druk gepraat, schenen zij zich van ons niets aan te trekken.  Een van de koelie’s beduidde ons zachter te praten en stil te blijven staan. Hij zei ons op gedempte toon: “itoe binjawak lagi betelor temtoe!!”, hetgeen zoveel wilde zeggen als: “die varanen zijn aan het eieren leggen!!”

Dat de man gelijk had, bleek toen wij later op de dag hier en elders ook nog, vele vreemdsoortige langgerekte, vrij forse eieren vonden. Onder een dun laagje zand waren ze keurig verstopt en wel zodanig dat de zon ze de hele dag kon verwarmen. Wij deponeerden er een stok bij en na twee dagen bleek het aantal eieren te zijn verdubbeld. Hoeveel dieren hier hun eieren dagelijks kwamen deponeren heb ik niet kunnen ontdekken. Ook vernam ik nimmer of de eieren vo de consumptie gebruikt werden.

 

Dwerghert

Bij het onderzoeken van deze eiervoorraad ontdekten wij in het zand de kleine hoefafdrukjes van het dwerghertje, de kantjil waarvan op Java zovele legenden in omloop zijn. De bokkenpootjes kwamen in een keurige rij uit het lage bos, krioelden bij het water iets door elkaar en verdwenen weer in een mooie rij terug onder het lage hout. Gezien het grote aantal hoefafdrukken moest het een groot aantal diertjes zijn geweest. Het dwerghertje is, zoals de naam reeds zegt, zeer klein en sommige exemplaren zijn niet groter dan een pas geboren geitje. De pootjes zijn zo rank en fijn, dat het potloodjes lijken. Oudere dieren hebben lange slagtanden die iets uit de bek steken en waarmee zij duchtig weten te vechten. Het zijn vooral de mannetjes waarbij deze tanden sterk ontwikkeld zijn… De naam ‘hert’ is echter foutief. De dieren zijn geen familie van het hert. Het diertje dankt zijn naam slechts aan haar bouw en de slagtanden. Ook op de Filipijnen komt die zogenaamde hertje voor.

Een koppel zeer snel vliegende Alexanderparkieten vloog over ons heen en krasten als bezetenen toen zij ons in de gaten kregen. Deze parkietsoort, bij bijna papagaai is te noemen, is een sierlijke vogel. Hij wordt in gevangenschap snel tam. In een kooi met andere vogels is de Alexanderparkiet, de bètèt, een kleurige verschijning. De groene, gele en rode veertjes alsmede de helrode snavel geven het dier een vrolijke aanblik. Een hinderlijke eigenschap van de bètèt is, dat het dier alles wat maar van hout is ogenblikkelijk beknaagd. Noemenswaardig veel geld kosten de dieren op de indische passars niet en eens kocht ik voor de som van 10 cent een pracht exemplaar. Het diertje wandelde en vloog door het huis, doch zette daarbij steeds z’n sterke snavel in mijn stoelleuningen. Om te voorkomen dat in een ommezien mijn meubilair naar de haaien zou gaan, kocht ik langs de straat voor een paar centen een gewone houten stoel waaraan ik het dier zonder veel moeite wist te hechten. Reeds na acht dagen wilde het op geen andere stoel meer dan deze zitten en vrat in drie maanden de leuning weg, waarna ik een nieuwe stoel voor haar kocht. Het zijn vooral de karbouwenhoedersop de sawah’s die een bètèt bij zich hebben en het dier daarbij meestal op een schouder dragen. Het op en neer schudden van het kopje en het voortdurend roepen van kek, kek, kek, is voor het diertje een geliefkoosde bezigheid. De Soendanees noemt het dier dan ook Ekèk. Hoe aardig de dieren ook zijn, ook zij richten veel schade aan in maisaanplantingen en petèhbomen.

Tegen acht uur braken wij het kamp op en trokken het binnenland van het eiland in. Direct al baggerde n wij tot aan de kuiten door een modderpoel en voetje voor voetje kwamen wij vooruit. Deze modderpoelen ontstaan bij ruw weer, als de zee over het strand heen het binnenland bereiken kan. Zij laat dan een grote plas zout water achter welke door het omliggende hogere gedeelte niet meer terug kan en na dagen een stinkende modderpoel vormt. Hier vinden vooral de muskieten een geliefkoosde broedplaats. Tussen de teringachtige stammetjes van de mangrove trokken wij door de poel en hadden de meeste moeite, niet te struikelen over de uit de modder stekende wortels.

Het centrum van het eiland was op geen andere wijze te bereiken dan door deze modderpoel en zo waren wij tot deze overigens onsmakelijke wandeling wel gedwongen. Enkele geel-bruine watervogels op dunne, hoge poten scharrelden met de lange snavel in de breiige bodem naar voedsel. Een blauwe waterhoen met rode snavel en een paar witte reigers, trippelden ons, verwonderd omkijkend, vooruit. Een grote varaan, die wij tot op zeer korte afstand waren genaderd, liet zich met een regen van rondspattende modder van een in de brei liggende boomstronk glijden en verdween met een ontzettende snelheid, waggelend in het vloedbos. Langzaam werd de poel ondieper. De grond werd droger en harder en vertoonde diepe barsten. Hier en daar drong een zonnestraaltje door het bladerdak en eindelijk waren wij door de pap, zoals mijn collega het noemde, heen. Wij ontdeden ons van enkele bloedzuigers en smeerden onze armen in tegen de honderden muskieten die vooral op de armen een goede voedingsbodem hadden ontdekt. Het was een korte, maar vermoeiende baggerpartij geweest en eenmaal op het droge gekomen, hielden wij halt en maakten koffie op onze nimmer falende primuskoker. Wat een mens zich opgekikkerd kan voelen na een beker zwarte koffie, merken wij toen goed. Wij genoten van elke teug hete koffie en de sigaret smaakte beter dan ooit.

Zo goed en kwaad het ging ontdeden wij ons van de modderige slikkluiten die ons om de benen hingen. Nog duidelijk hoorden wij het ruisen van de zee want we bevonden ons nog niet zo ver van de kust. Het lage bos was zeer dicht. Gedoornde heesters, lianen, soorten rottan, varens en wilde bananen groeiden, nee, woekerden in één klit door elkaar. In een tamarindeboom bloeiden honderden witte orchideëen en op de bodem vond ik de liaanachtige plant van de Nephentis met haar op een duitse pijp lijkende bloembekers. De dekseltjes stonden open om de vliegjes vrije toegang te verlenen. Op de bodem van enkele grote bloemen ontdekte ik enkele lijkjes van insecten en resten van vleugels.

Menigmaal struikelden wij over de lange, taaie kruipstengels van de planten. Toen ik dan ook een gehele familie paarse aardorchideëen op een kluitje zag staan en er heen wilde hollen, lag ik prompt met mijn gezicht in het onkruid. Vlak bij ons kraaide schor een tjanegar boshaantje. Op een door de zon beschenen plekje, waar een plukje mals gras groeide, zagen wij hem in al zijn pracht rond het hennetje kokketeren. De prachtige groen-gouden glans op zijn veertjes, het rode kammetje en het dito lelletje bracht ons in extase. Geen artiest zou in staat zijn geweest dit overmooie tafereeltje uit te beelden en ik vroeg mij af welke jager op dit geheel een schot durfde te lossen. Opeens werden wij opgemerkt doordat mijn reisgenoot met een harde pets een muskiet op zijn wang doodsloeg. Met een luid gefladder en gekakel schoot het prachtige paartje het bos in, liet het door de zon beschenen plekje leeg en nog eenmaal hoorde ik het haantje kakelen, schuw en nerveus. Toen was alles weer stil.

Roofdieren kwamen op dit eiland niet voor zo was ons verzekerd. Wel was ons verteld dat soms tijgers en panters van Sumatra naar eilandjes in Straat Soenda overzwommen. Wat hier van waar is hebben wij gelukkig niet behoeven te ondervinden, maar dat een tijger goed zwemt, is mij wel bekend. Sporen van grotere roofdieren zagen wij nergens en zelfs de gewone indische aap, de monjet, was slechts in geringe mate vertegenwoordigd.

Bij het vervolgen van onze tocht, scheelde het maar weinig of ik had op een nest jonge civetkatten getrapt. De civetkat, bij de inheemse bevolking bekend als Loewak, is een nachtdier, dus moest de moeder er bij onze nadering van door zijn gegaan. Twee vinnig blazende open bekjes richtten zich omhoog en het leek ons beter de diertjes mee te nemen, daar de moeder zich hier niet meer zou laten zien. Menigmaal heb ik gezien dat een nest jonge loewaks, ten koste van de jongen, niet meer door de moeder werd opgezocht indien er mensen aan hadden gezeten. Lieten wij de diertjes achter, dan bestond er grote kans dat de jonkies zouden moeten verhongeren. Een van de mannen droeg de alsmaar blazende poezen met zich mee in zijn sarong die om de schouder hing.
Het geduld waarmee hij elke middag de diertjes voerde was bewonderenswaardig. Van een in een punt opgerold blaadje maakte hij een soort speen, goot hierin wat rijstewater en liet de jonkies van dit lekkers aan de punt van het opgerolde blad zuigen.

Ondanks de goede zorgen van de verzorgen, stierf een van de jongen enkele dagen later bij onze terugkeer in Laboehan. De tweede, die opgroeide als een sterk en gespierde loewak, leefde jaren in en om mijn huis in Batavia en verkoos als verblijfplaats overdag graag een oude, ongebruikte hangkast die in een van de vertrekken van de bijgebouwen stond. Overdag was hij niet te zien, maar als de zon onder was, kwam meneertje uit de kast en wandelde over het dak. Als het heel stil was keek hij wel een bedelend op het openstaande raam van mijn kamer. Met een stuk banaan of een mangga was hij zeer tevreden en verdween in het duister. Vaak ook hoorde ik de rekel in het donder achter de duiven en kippen aanzitten en dat het niet bij nazitten bleef, bewezen de veertjes die ik wel in de oude hangkast vond. De loewak is een roofdier, die het vooral op gevederde prooi gemunt heeft en een kip geruisloos weet te overvallen. Als tweede delicatesse wordt door de loewak  een lading goed rijpe koffiebessen niet versmaad. Hij kiest de rijpste bessen uit, waarbij het hem te doen is om het rode vruchtvlees en niet om de zaakkern, welke wij mensen op onze beurt weer lekker vinden. De bessen verteren in de maag van de loewak slechts ten dele. De harde zaadkern verlaat het loewalichaam weer in z’n geheel en aangezien dit de kern van de allerfijnste koffiebes is en in de maag van het dier een bijzondere fermentatie heeft ondergaan, zijn de uitwerpselen van een in de koffietuinen levende loewak niet alleen bij de bevolking zeer geliefd, maar ook bij de Europese kenners. Een kop loewakkoffie is iets bijzonders, kostbaar en fijn.

Geruime tijd liepen wij verder en stonden weldra voor een groepje woudreuzen. Deze bomen, met hun zware armen waren ongetwijfeld de oudste bewoners van het eiland en hadden in hun jonge jaren stellig de uitbarstig van 1883 mee gemaakt. Hun grote kruinen waren tot ver in zee zichtbaar als donkere dotten, uitstekend boven de lagere ‘boerenkool’. De stammen waren wit-grijs van de uitwerpselen van de honderden kalongs die in de takken hingen. De takken waren zwaar beladen met de in hun zwarte omhulsels slapende dieren. Verscheidene takken waren reeds omlaag getrokken door de vracht en dood. De lagere, zwaar gedoornde dadapboompjes waren eveneens zwaar beladen met slapende kalongs. Als sombere figuren hingen ze met de kop omlaag aan de takken. Wij roken de vreemde muskusgeur die de dieren verspreiden en mijn metgezel merkte op dat zo ook een oude, nat geregende jas kon ruiken.

Een paar slagen met een steen tegen de stam van de boom, deden tientallen kalongs van de takken loslaten, naar beneden vallen en onrust onder de kolonie verspreiden. De naar omlaag vallende dieren opende direct, als een parachute  de vlerken en wiekten angstig, hulpeloos en wild om de boom. Het gekrijs was niet van de luchten steeds meer kalongs lieten de boom los en klapwiekten door de lucht. Hun grote, soms wel tot tachtig centimeter wijde vlerken suisden door de lucht alsof er een storm op komst was. Een hagelschot uit mijn geweer deed vier dieren neerstorten, waarna het gekrijs overging in een soort langgerekt blaffen. De dieren die allen dodelijk waren getroffen, waren fors, donkerbruin behaard en hadden pikzwarte vlerken die te vergelijke waren met het zijde van een paraplu. Hun koppen waren die van een kleine hond die de tanden liet zien. Bovenop dit kopje stonden twee afgeronde oortjes overeind. De tandjes, vlijmscherp, bleven zichbaar en de dieren zagen er vervaarlijk uit.

Het zijn voornamelijk de Ambonezen die verzot zijn op het vlees van de kalong en weten dit zo te bereiden, dat alleen de vegetarier het gerecht zal versmaden. Bereid, draagt het dan de naam van Paniki. Wij roosterden die avond de dieren boven het vuur om ze van de haren te ontdoen en bakten ze daarna in klapperolie. Het vlees doet niet onder voor dat van een kip. Het smaakt volgens sommigen beter. Hoe kan het ook anders. De kalong is een rein dier dat zich met fruit voedt. De kip echter, is een omnivoor, die als ze de kans krijgt, naar hartelust in allerlei ongerechtigen pleegt te pikken en de onzuiverste spullen kokhalzend naar binnen weet te werken. De kalong kiest uit het fruit het rijpste, het beste en een uit de bek gevallen vrucht is het non plus ultra. Uit de beentjes van de vlerken maakten mijn dragers een paar prachtig gevlamde sigarettenpijpjes. Op onze terugtocht, twee dagen later, schoten wij nog een vijftiental van deze dieren en brachten deze mee naar Laboehan waar ze op meer geperfectioneerde wijze werden klaargemaakt door een chinese kok. Ik kan me voorstellen dat men op de vraag: ‘blieft u ook een gebraden, vliegende hondenboutje?’ een ietwat lelijk gezicht trekt en met een heftig handgebaar voor het aanbod bedankt, maar ik verzeker u, dat het gerecht van de chinese kok niet onder deed voor een ree- of fazantenbout. Het smaakte ons zo best, dat mijn gastronomische reisvriend opmerkte: “als ik de gelegenheid weer eens krijg dit gerecht te eten, cultiveer ik een weet te voren honger, opdat ik er maar veel van zal verorberen.”

Wij vervolgende onze tocht over een nogal rotsachtige bodem waar wat dorre varens vochten voor het leven. Boven ons fladderden nog enkele kalongs. Na een kwartier geraakten wij weer in een dicht laag bos. Op een omgevallen boom lag een onbewegelijke, geel en bruin gevlekte boskat ons aan te staren. Grote, groene ogen keken onze richting uit. Het dier was beduusd en bleef doodstil liggen. Zijn lichaam was zo groot als dat van een kleine foxterriër en op mijn voorzichtig naderbij komen, zakte het mooie dier nog dieper op de voorpoten ineen. Het lag in een soort aanvalshouding en hoewel het overal heen had kunnen vluchten, verwonderde ik mij zeer over deze houding. Het beest scheen zich gevangen te hebben gevoeld, want net op het moment dat het de achterpoten spande en een sprong wilde maken, nam ik het zekere voor het onzekere en trof met een schot het dier in de kop. Tot nu toe heb ik nimmer een tijgerkat ontmoet die een dergelijke houding aannam. De meesten gingen er direct van door terwijl een enkeling even bleef kijken, ineen dook en de vlucht nam. Een aanvalshouding van deze kleine panterachtige katten heb ik nooit meer ondervonden. Mogelijk was het dier reeds in een angsttoestand en vond onze plotselinge komst aanleiding om nu meer eens de aanvalskans te wagen. De dragers vilden het dier met grote handigheid. Ik bestrooide de huid met zout en tabakpulver en wikkelde hem in pisangbladeren tegen de hitte.

 

Mijn reisgenoot had zich met een enorme lenigheid, een ornitholoog schijnbaar eigen, in het doornige struikgewas gewurmd. Daar had hij enkele nesten van de manjar, de bekende wevervogel waargenomen. Voorzichtig bestudeerde hij de inhoud van deze kunstig geweven nesten en maakte aantekeningen in een van de tientallen notitieboekjes die zijn zakken deden uitpuilen.

De wevervogel is grauw grijs en geel gevlekt en eerder lelijk dan mooi te noemen. Het nest dat deze vogel bouwt is een waar kunstwerk. Het doet denken aan een zak van in elkaar geweven strohalmen met aan de onderkant een lange kokervormige, naar beneden gerichte tuit van hetzelfde materiaal. Deze koker is de zogenaamde vluchtpijp en hierdoor is het alleen mogelijk het eigenlijke nest te betreden.

Vooral in de suikerriettuinen op Java bouwt de manjar bij voorkeur haar nest en een rietaanplant waar de manjar huist is direct herkenbaar aan de aan flarden gestrokken en gescheurde rietbladeren. Om zijn vernielzucht is deze vogel dan ook een niet gaarne geziene gast op de suikerrietvelden. Op zeer geringe hoogte hangen de duizenden nesten aan de rietbladeren, waarvan ze ook de nesten weven. Voor het zoeken van voedsel gebruiken de manjars de rijstvelden en richten dus zowel in de suikerriettuinen als op de sawah’s schade aan. In gezelschap van duizenden glatiks, pekings, muskaatvinkjes en andere rijstdiefjes zwermen zij over de velden en verorberen grote hoeveelheden rijst. Voor deze duizenden diertjes zijn de rijstvelden een zege, maar de diertjes zijn een last voor de tani die de rijst verbouwt. Het is daarom dat de landbouwer in de velden wachthuisjes neerzet met mensen, meestal kinderen, die trekkend aan lange koorden en slaan op blikken, de vogels op de vlucht moeten jagen. Veel helft deze methode niet, want de vogeltjes wennen aan dit gedruis, pikken rustig verder aan de aar die ze te pakken hebben of verplaatsen zich naar het veld van de buurman, die daar op zijn beurt weer een wachthuisje met een schreeuwende jongen heeft neergezet.

Niet ver van ons af hoorden wij de zee weer ruisen en waren wij aan de andere kant van het eiland gekomen. Uit het struikgewas komende, zagen wij in de verte de kust van Zuid Sumatra. Over de rotsachtige bodem vluchtte een paar varanen voor ons weg. Honderden vreemdsoortige krabben op hoge poten en ver uitpuilende ogen (zogenaamde telescoopogen) renden over de zwarte bodem het zeewater in.

Mijn vriend de ornitholoog, wist op een schrandere wijze een krab te verschalken. Veel succes had hij bij het vasthouden van de geschaarde dier echter niet, want opeens had de krab hem, in plaats hij de krab, te pakken. Een fikse armbeweging deed vriend krab door het luchtruim suizen. Met een plons kwam het dier in zee terecht. De onderzoeker had lelijk tussen de scharen gezeten.

Nog nalachend over deze gewaarwording werden wij opeens opgeschrikt door het schreeuwen van de jongste van de dragers. Enkele tientallen meters verder had hij een slang zien liggen en hij schreeuwde: “oelar besar toewan!”. Wij snelden over de koraalbodem naar de plek die hij rennende aanwees en tuurden naar de plek. Ik zag niets. Een paar vogeltjes vlogen tussen de heesters en plotseling nam ik de vormen van een fikse phyton waar, die opgerold tegen een boomstammetje scheen te slapen. Het was een afgrijselijk gezicht, deze schijnbaar nog jonge slang te zien liggen. Zijn lichaam had de dikte van een arm, glimmend zwart en wit getekend. Of het dier zich slapende hield en de aandacht niet wilde trekken door te vluchten, weet ik niet. Wel staat vast, dat de slang een lastige vijand van ons was geweest als wij hem niet hadden opgemerkt en hem met twee tegelijkertijd afgevuurde loperschoten uit onze geweren hadden gedood. Het dikke harde lichaam rolde zich na het vallen van de schoten geheel uit, krulde zich in elkaar en veerde daarna met een schok een meter omhoog. Toen lag het daar, slap en levenloos in het onkruid. Een boompje ter dikte van een pols was als een stokje gebroken en de planten rondom waren uit de bodem geslagen. De kracht die het beest had ontwikkeld was geweldig geweest. Niet minder dan viertien lopers hadden het dier getroffen, waarvan er vier in de kop.

Onder een herhaald adoe-geroep van de koelies, naderden wij het dode lichaam waarvan de staartpunt zo nu en dan nog bewoog. Met lange stokken probeerden wij of het dier werkelijk dood was, want niet graag hadden wij een aai van de staart gehad. Uit geloofsovertuigingen (of angst) weigerden de mannen het dier te villen en zo besloten wij het te doen. Het lichaam was drie en een halve meter lang en met behulp van een rottanlus sleepten wij het dier naar de zeekant. Met behulp van een kapmes, scheermes en een verbandschaar begonnen wij het dier de ‘jas’ uit te trekken. De wit glimmende buik liet zich vrij gemakkelijk openene, doch het zware karwei kwam op de rugzijde. Smakelijk was het werkje niet, maar de huis was te kostbaar om haar met lichaam en al weg te werpen. Met een geweldige kramp in de vingers beeindigden wij twee en een half uur later ons werk en waren dood moe. Het van vel ontdane slangenlichaam begroeven wij diep onder het zand en wij namen een bad in zee. Onze met zweet doorweekte kleren werden meteen goed uitgespoeld.

Wij besloten na deze bijzondere gebeurtenis die dag niet verder te gaan en een paar honderd meter verderop ons kamp weer op te slaan. Het was intussen vijf uur geworden en terwijl een van de dragers voor het vuur en de daarbij te drogen hangende kleren zorgde, zetten wij de tent op. Daarna deelde ik sigaretten uit en dronken wij koffie. ’s Avonds spraken wij nog over de ‘oelar besar’ (grote slang) en aten met ons vieren bij het licht van de lantaarn. De kalongs die op het vuur waren geroosterd waren een buitengewoon vlezige toespijs en voldaan tuurden wij over het duistere zeeoppervlak. Buiten hing over een paar takken het vel van de slang, nog nat en glibberig, in de wind. De bedwelmende geur van een bloeiende tjempakaboom en de ketjoeboeng (datura) woei ons vanuit het bos tegemoet. Honderden vuurvliegjes dansten in het duister buiten onze tent en de brede bladeren van de bosbanaan met haar kleine vruchten, ruisden in de wind. Weer riep een uil haar langgerekte oek…oek.. ooeekk…

Die nacht sliepen wij op een laag, dor gras doch hadden veel last van de kleine bosmuskieten, die zich met hun magere lichaampjes gemakkelijk door de mazen van onze klamboe’s wisten te wringen en zich tegoed deden aan ons bloed. Dik gezogen konden zij niet meer door hun oorspronkelijke ingang naar buiten en plaagden ons zo vervolgens de heel nacht. Onze koelie’s hadden geen hinder van de plaaggeesten en lagen als rolmopsen in hun sarongs gehuld. Wij werden wakker door het hakken van hout door een van de dragers diehet vuur wilde aanmaken. Goed had ik niet geslapen en voelde me niet best. Er was iets niet in orde met mij en ik nam een dosis kininepillen in. De malaria, welke ik op een andere reis had opgedaan, kwam weer opzetten. Ik warmde mij bij het vlammende vuur en dat deed mij goed. Het was nog duister en nog vele sterren fonkelden aan de hemel. Ik had het koud en dat was een slecht teken. De malaria had mij in de nacht weer overvallen en deed lichte rillingen over mijn rug lopen.

Een van de koelie’s plukte een hand vol jonge papajabladeren van een klein boompje aan de rand van het bos, kookte ze in een blikje boven het vuur en gaf het mij om op te drinken. Als gal zo bitter was het grijs-groene vocht, maar ik voelde mij later op de dag zeer opknappen en waarschijnlijk smoorde ik de aanval in de kiem.

Toen de zon reeds hoog boven de horizon stond, maakten wij aanstalten om het kamp op te breken. Een van de mannen vond in een van de draagmanden een helgroene slang met een vuurrood puntje aan de staart. Het dier was niet groot en had een dikte van een vinger. De vuurrode punt aan de staart bewees dat wij met een van de giftigste soorten uit de slangenwereld te doen hadden. Met de pikolanstok werd het dier afgemaakt. Slagen maken op veel mensen een vreselijk akelige indruk en bij het horen van de naam is men al geneigd te huiveren. Zonder uiterste noodzaak zal een slang niet bijten, doch wanneer het dier gevaar loopt of wanneer er op haar getrapt wordt, gaat het tot de aanval over. Dan richt het zich half op en bijt.

Vaak vond ik op de smalle sawahpaadjes opgerold liggende slagen en heb altijd ondervonden dat zij direct wegkropen. Ook in mijn woning in Batavia vond ik een enkele keer tussen de kikkers, padden en andere dieren, die de open voorgalerijen van de huizen graag binnenkomen, ook wel eens een slang. Meestal wordt zo’n dier door het licht aangetrokken, is vervolgens de kluts kwijt en kruipt dan hopeloos onhandig over de gladde tegels weg. Het doden van een slang, gaat met een stok uitermate moeilijk en het enige wapen dat een slang onschadelijk kan maken is een rottan. De zwiepkracht ervan is in staat het dier meteen lam te slaan.

In alle indische tuinen om de woningen leven slangen en vaak gebeurde het op de plantages, dat in de bamboe watertoevoerpijpen een slang schuilde, mee naar buiten spoelde en in een emmer of op het lichaam van een bader terecht kwam. Voorwaar een onaangename ervaring. Meestal schrok het dier zelf zo van deze plotselinge salto mortale, dat het aanstonds maakte dat het weg kwam.

Bij het aankleden zochten wij tevergeefs naar onze schoenen. De avond tevoren hadden wij ze buiten de tent aan een uitstekende bamboe gehangen. Na geruime tijd zoeken, vonden wij ze verspreid, met stuk getrokken veters, terug in het lage onkruid onder de bomen. De opgerolde sokken die er in zaten, waren verdwenen. Een paar apen hadden ons de vorige avond ongetwijfeld bespied en in de vroege morgen ons kamp bezocht. Een stuk badzeep, een sokophouder en een lepel werden verder in het bos gevonden. Dat het apen waren geweest, bewezen de lange voetafdrukjes in het zand rondom de tent. Van de dieren zelf was geen spoor te bekennen, maar mogelijk zaten zij op het moment van onze ontdekking knipogend van achter een tak naar ons te loeren.

Langs de kust zouden wij de terugtocht naar de landingsplaats maken, hopende dat de prauw daar nog zou liggen als wij haar hadden achtergelaten. Dat de tocht langs dit deel van het eiland ons niet zou meevallen, bleek al snel uit de steile kustwand, die hier en daar recht overeind in zee stond. Het was een soort muurtje van karang- en rotsachtige blokken, waartegen de kleine golfjes sloegen. Een strand, hoe smal ook, was er niet. Rottan stengels, varenwortels, kleine lianen en andere slingerplanten hingen langs deze rotswand van een meter of twee hoog, naar beneden.

Toen wij dan ook een uur op pad waren, moest er al achter elkaar gelopen worden en snel ging het lopen over in half klimmen en hangen aan varens en rotspunten. Daarbij bengelden onze voeten en later ook de benen in zee. Boven ons verhief zich het dichte doornige bos waar doorheen een wandeling niet mogelijk zou zijn geweest. Rechts van onze voortkruipende, voortbengelende lichamen strekte de zee zich uit. Diep was het onder ons niet, maar modderig des te meer. Voetje voor voetje hesen wij ons van tak naar rotspunt, gelijk hagedissen tegen de wand, toen plotseling, door een uitrekkende beweging van mijn arm, het riempje van mijn mooie verrekijker brak. Met een plons verdween de kijker in de diepte van de modderige zee en werd weggezogen. Tijd om over dit verlies te treuren had ik niet want de uiterste inspanning eiste mijn positieven op om heelhuids langs dit moeilijk begaanbare ‘pad’ te komen. Achter elkaar kropen wij voort. De dragers voorop met de draagmanden als rugzakken op hun lichamen gebonden. Zij leken bij de klauterpartij op eerste klas acrobaten. Rusten was uitgesloten, want een minuut stil hangen aan deze rotswand koste meer inspanning dan tien minuten voortgaan.

Na twintig minuten zo geklommen en gekropen te hebben, lieten wij ons doodmoe en nat in het warme zeezand vallen. Eindelijk hadden wij weer een stukje strand bereikt en ontdeden ons van onze natte, modderige kleren. Het was twaalf uur geworden en de zon brandde fel op het eiland. Een van hitte trillende damp hing boven het vochtige strandstrookje. Honderden kreeften en krabben renden voor ons uit door het zand en lieten krassen en strepen daarin achter. Een enkele varaan schoof met zijn plompe lichaam een brede strook door het zand en verdween in het vloedbos. Een boshaan kraaide schor en snel. De magere boompjes van het mangrovebos achter ons stonden in zwarte breiachtige modder. Op een laag over deze moerasachtige bodem hangende tak zat een aantal vlak tegen elkaar gedrongen ijsvogels met hun prachtige licht- en donkerblauwe veren en rode snavel. Deze fraai gevederde visvogel houdt er een buitengewoon vreemdsoortig gedrag op na. Kort en gedrongen dat hij is, beschikt hij over het vermogen, zeer snel te kunnen vliegen en als een pijl uit een boog op zijn prooi af te schieten.

Mijn reisgenoot deed mij als doorgewinterd ornitholoog het volgende verhaal, waaraan ik eerst twijfelde. Later vernam ik elders dezelfde vertellingen over dit dier, zodat mijn twijfel ongegrond bleek te zijn. Het verhaal kwam dan ook hier op neer, dat de Tengkek, zo bekend bij de bevolking (bij de europeanen heet het dier Blauw Jantje) zittend op een kale tak als uitkijkpost, zijn omgeving afloert. Meestal ziet men hem zitten boven een in de kampong gelegen visvijver en plotseling duikt het dier omlaag, terugkerend naar zijn tak met een vis in de bek. Lukt hem dit niet omdat er geen visjes aan de oppervlakte willen komen, dan zijn het de kampongkippen die hij aanvalt.

Ziet de tengkek een kip rondscharrelen, dan wacht hij het moment af dat de hoen met haar achterwerk naar hem toestaat. Opeens duiks zij op de ajam af en boort zijn grote haksnavel in de kloaak-opening van het niets vermoedende dier. Hevig kakelend, fladderen en meestal bloedend vliegt de kip de kampong in. De tengkek zit weer rustig op zijn tak. Wat de bedoeling van het beest is, om een argeloze hoen op deze hardhandige wijze in het achterste deel van het lichaam te pikken, heb ik nooit kunnen ontdekken. Mijn collega vertelde mij dat bij vele kampongkippen, die in een dessa de vuilopruimers zijn en met weinig voer van de eigenaar moeten volstaan, in de anus een soort worm aanwezig is. Het is deze worm waarop de ijsvogel belust is en het er voor over heeft een ander in het zitvlak te pikken.

Aan de rand van het bos stond op een droog stukje een bosje papajaboompjes, waarvan er enkele kleine vruchten droegen. Verscheidene waren rijp en geel. Ik plukte er enkele van en moet zeggen dat ze voortreffelijk smaakten. Deze hier in het wild groeiende boompjes waren ongetwijfeld afstammelingen van de op Java groeiende gekweekte soort en hadden in pitvorm hun weg naar het eiland gevonden in de lichamen van vogels. De omstandigheden waaronder zij hier groeiden waren van dien aard, dat er niet veel van hun oorspronkelijke kwaliteit verlangd kon worden. Het vlees was echter honingzoet. Vooral op Java is de papaya (Carica Papaya) een zeer gezochte vrucht bij de europeanen en wordt daarom door de inheemse landbouwer ook veel gekweekt.

Papaja Papaja Gantoeng

De opengesneden vrucht van de papaja is een sierlijk gezicht. Het oranje-gele vruchtvlees met in een uitholling gelegen honderden zwarte pitjes vormen een prachtige kleurencombinatie. Er is nog een ander soort papaja die in het wild voorkomt doch waarvan de vruchten zeer zelden gegeten worden. In de kampongs gebruikt men deze vruchten wel als geneesmiddel. Het is de papaja gantoeng (hangende papaja) die zijn naam ontleedt aan de lange, hangende stengels waaraan de kleine vuchten hangen. Het is de zogenaamde mannetjes papaja. Voornamelijk zijn het bosvogels die de vruchten eten en de zaden over het land verspreiden. Door de inkerving en krassen op de schil van de onrijpe vrucht van de papaja, vloeit er een melkachtige vloeistof naar buiten die, ingedroogd als een soort meel in de handel is onder de naam ‘Papaine”, een produkt dat vooral voor maaglijders goed is. Ook bevorderd het in grote mate de eetlust.

Slangenblad plant

Onder het gekrioel van allerlei ziekelijk ontwikkelde planten en boompjes vond ik nog verscheidene van op Java gekweekte soorten vruchtenbomen, onder andere de manga. Een spichtige tamarindeboom vocht tegen de dikke stengels van een haar omwindende liaan. Een langzame, doch harde strijd voltrok zich hier in alle stilte. De zee was modderig en wierp haar slikachtige golfjes rinkelend over de dikke laag schelpen en steentjes die op het strand lagen. Niet vaak komt men in het bos een vruchtdragende slangenbladplant tegen, maar nu ontdekte ik een prachtig exemplaar, vol met gekleurde bessen aan de top van haar stengel, die gevlekt was als de huid van een slang. In het halfduister staande leek de zeer giftige bessendrager een toorts.

Een tweetal arenden cirkelden zonder hun vleugels te bewegen boven onze hoofden, loerend naar een prooi. Eén ervan dook omlaag, raakte met de poten de boomtoppen en verdween de lucht in met een vogel in de klauwen. In het bos werd het stil. De vogels piepten niet meer, want er was onraad. In een weide cirkel zweefde nog één arend hoog in de lucht, wachtend op zijn kans.

De dragers wezen ons op een loodzware lucht boven de kust van Sumatra en verzekerden dat wij een grote regenbui, een oedjan besar, zouden krijgen. Met een tropische bui in het vooruitzicht leek het ons erg riskant de toch die dag nog voort te zetten en besloten hier af te wachten wat er ging gebeuren. Mogelijk zou de wind keren en de bui aan ons voorbij gaan. De trip naar de plaats waar de prauw moest liggen zou reeds zwaar genoeg zijn zonder een regenbui en zo bouwden wij, zonder dit van te voren van plan te zijn geweest, weer de tent op. Wetende wat een regenbui in Indië betekenen kan, kozen wij een beschut plekje tussen drie dicht op elkaar staande bomen aan de bosrand. Het tentzeil werd met touwen stevig aan de stammetjes vast gesjord en het verblijf van de twee mannen dicht gemaakt met neerhangend zeil. Niets liet ik buiten en al onze bagage werd binnen het tentzeil opgestapeld. Wij groeven de onderkant van de tent in een soort voortje om te voorkomen dat het water binnen zou stromen en ongedierte binnen zou kruipen.

Aan de horizon hing reeds een strak, schuin naar omlaag gespannen watergordijn op de zee en een vochtige wind woei door de bomen. Een houtvuur aanmaken zou weldra tot een onmogelijkheid behoren en zo vulden wij het primuscomfoor tot aan de hals met petroleum. Hoe lang de bui zou aanhouden konden wij niet gissen, maar de eerste druppels vielen reeds in het zand en boorden daarin diepe putjes. In de verte hoorden wij de bui aankomen. Een geraas als was er een kolonne tanks in aantocht plantte zich over het grauwe wateroppervlak voort. Opeens schoot er een hoekige, alles verblindende bliksemstraal door de lucht. Een tweede volgde direct daarop.

 

 

herinnering, natuur, onbewoond Jakarta, Indonesië

Jouw verhalensite met verhalen over Indonesië. Oude en nieuwe verhalen. Om te lezen, maar ook om zelf te publiceren. Doe mee en beleef mee!