Een paar donkere jaren

door:Lodewijk de Geer Boers | 5 april 2012 |Oorlog, Politiek

Toen eindelijk de oorlog met Japan in 1945 was afgelopen en ik vanuit het gevangenkamp CQ in het bergplaatsje Cimahi (Tjimahi) weer ‘naar huis’ kon keren, wilde ik om een of ander psychische oorzaak de poort van het concentratiekamp niet uit. Ik kon gewoon niet weg van de plek die in de twee en een half jaar van opsluiting mijn ‘huis’ was geworden. Volslagen apathie voor alles wat zich buiten het gevangenkamp plaats vond had zich van mij meester gemaakt. Ik en velen met mij dachten alleen nog maar aan dat plekje binnen de afrastering en het prikkeldraad, maar mijn oude, half vergane koffer met een gescheurde pyama en een paar afgetrapte sandalen op mij wachtte. Alles was ik in die tijd vergeten. De overgave en berusting in mijn lot was in de jaren van opsluiting door de vijand zo intens geworden dat ik nog maar heel vaag dacht aan mijn vrouw en dochters die ergens, wie weet waar en in welke vreselijke omstandigheden in Djokjakarta leefden of mogelijk dood waren. Denken en zorgen maken hielp niet. Slechts in bidden en hopen vonden wij allen nog wat troost. Dagelijks bidden, want in nood leert men dat. Het werd een sleur.

Veel doden
Van de meer dan tienduizend Europeanen die in het kamp zaten opgesloten, stierven er dagelijks tussen de vijf en acht. Die lagen dan op pisangbladeren op de grond voor de barakken in de brandende zon want de Japanner moest er zich van overtuigen dat er werkelijk een aantal gevangenen was gestorven. Werkelijk het aantal dat onze kampleiding aan de Jappen-commandant had opgegeven. Elke dag was het weer hetzelfde. Dan kwam de Japanner met een paar soldaten weer controleren en de lijken van onze lotgenoten tellen. Als het er eens minder dan vijf waren vroeg de Jap met een grijns: “Kenapa tjoema sedikit?” hetgeen zoveel wilde zeggen als: “Waarom zijn het er maar zo weinig?”

En om toch nog maar een zekere mate van beschaafdheid te tonen wilde het wel eens voorkomen dat de Japanse kampcommandant een soort rouwkrans met de lijkenteller meegaf. Dat moest dan zo’n beetje de indruk geven dat de Jap toch wel begaan was met ons aller lot. Als dan de doden waren geteld en stuk voor stuk bekeken,  werden ze op platte karretjes geladen en buiten de poort begraven. Soms gewikkeld in pisangbladeren of papier, maar vaak ook zo maar in een versleten pyama, lagen de overledenen dan op de karretjes. Als dan de droeve stoet door het kamp trok, stonden wij allen als nog levende skeletten in de houding en brachten een laatste saluut aan onze makkers die het allemaal niet meer konden opbrengen en waren bezweken door ziekte, honger en uitputting. Velen doodgeslagen, onthoofd, met de banjonet afgemaakt, in varkensmanden gestopt en met gebonden handen en benen in de rivier gegooid of in de zee. Hoeveel soldaten van ons leger zijn bij de inval der Japanners, zelfs na hun overgave, niet op vreselijke wijze afgeslacht. Met z’n drieën aan elkaar gebonden, als ratten verzopen in de tèttèsputten van suikerfabrieken tussen Djokjakarta en Magelang. Dat waren diepe putten waarin de suikerfabriek het kleverige afval, de bruine melasse deponeerde.

Aan deze bezetter waren wij overgeleverd en al hadden ze honderd grafkransen met onze dode meegegeven, wij allen, die nog leefden, haatten de vijand uit het diepst van ons hart want de grootste en meest ondenkbare wreedheden waren aan de orde van de dag.

Droevig gedicht
Zeer geemotioneerd door al die dagelijkse droefenissen en ellende schreef ik op een velletje papier met een stompje potlood mijn gevoelens in dichtvorm neer en dit droevige gedicht verscheen jaren later in het tijdschrift “Oost en West” en berust thans in het museum van Onderwijs te ‘s-Gravenhage als onderdeel van een verhandeling van mij over het leven in de Japanse kampen.

Wij hebben zo vele braven
in alle eenvoud begraven.
Vijf vrienden vormen de so’bre stoet
waarvan er één de kar nog duwen moet
Zo gaat het op ons kerkhof aan
waar reeds honderden van kruisen staan
Een heuveltje aarde, een nummer, een kruis
ze vormen tesamen z’n laatste tehuis.

En als dan de oorlog is gedaan
veel kruisen nog daarneven staan
Ontvangt er ergens een vrouw
het bericht van hare rouw
Een koffer waar dan in zit
zijn schamele laatste bezit
Wat kleren gelapt en versleten z’n pet
en wellicht nog haar portret
Wat in zijn stervensuur
nog naast hem hing aan de muur
Z’n bord, z’n lepel en ook z’n mok
maar niet de ring die ze hem eens gaf
Die droeg hij ook niet mee in ’t graf
Want die was als laatste stuk verkocht
toen hij geld om z’n hoger te stillen zocht.

Zo hebben we vele braven
in alle eenvoud begraven
Wat blaren, papier als omhulsel
en wat krullen en stro als vulsel
EN ALS LAATSTE TRAP…
NOG EEN KRANS VAN DE JAP.

De ‘bevrijding’
Toen kwam op een dag de ‘bevrijding’ doordat Amerika de allereerste atoombom op Hiroshima gooide en later nog een op Nagasakki. Toen kwam er eindelijk een einde aan de ellende van de bezetting. Het uitgebreide verslag, alsmede de vele tekeningen welke door mij werden gemaakt, berusten tot in lengte van dagen in het museum van Onderwijs te ‘s-Gravenhage. Maar over dat verschrikkelijke kampleven wil ik het thans niet hebben.

Toen dan ook na de overgave van Japan de poort van het kamp te Tjimahi (Cimahi) open zwaaide waren er reeds velen, ja zeer velen bezweken. Het kampkerkhof in de heuvels rond Tjimahi stond vol met bamboe- en houten kruisen en angstig, vreemd en schoorvoetend ben ik met enkele kampgenoten de poort uit gelopen, want dat mocht toen ineens. De Japanse wacht was plotseling onze beschermer geworden, want door de overgave van t’ Jappenleger, had de inheemse bevolking de kans schoon gezien om aan het roven en plunderen te gaan en de Europeanen te vermoorden. Terwijl de Japanse kampbeulen en hun soldaten plotseling moesten voorkomen dat de Europeanen gevangenen die nog over waren door de oprukkende- en losgebroken horde zouden worden vermoord, hoorden wij ’s nachts hoe hele drommen op moord beluste kampongbewoners, zogenaamde peloppers, schreeuwden en brulden en als teken van ‘amok’, van roof en moord, door het bergplaatsje trokken en met stenen tegen ijzeren telefoonpalen sloegen.

De vijand werd onze ‘beschermer’
De eerste dagen trad de Japanner wel op tegen deze horde, maar het bleef toch voornamelijk bij het bewaken van het kamp. Nu was plotseling de Jap ineens onze beschermer. Het kon niet gekker. Niemand kon ineens aan deze situatie wennen. We konden de poort uitlopen terwijl de kampbeul, Jan de Mepper genaamd, met z’n soldaten, veelal Koreanen, lui in stoelen lagen in het kamertje aan de wacht. Toen ik met een kampgenoot de poort doorliep, eigenlijk min of meer wezenloos, zag ik hen zitten, de Godenzonen. Aan de muur hingen de zwepen, knuppels en ijzeren staven waarmee tot voor enkele dagen nog onze gevangenen werden afgeranseld. Zo maar, voor de lol, als de Jap niets te doen had. Daar in dat hokje, waar ik nu voorbij liep om de graven van onze makkers op het kerkhofje te bezoeken, werden tot voor kort onze mensen gemarteld en hoorden wij hun gegil en geschreeuw. Nu was dat voorbij. Onbegrijpelijk. Maar… buiten dreigde het grote gevaar. Daar loerden ongediciplineerde benden, opgezweept door hun leiders, op alles wat maar blank was. Het was buitengewoon gevaarlijk, om tegen de waarschuwingen van de Japanners in, naar buiten te gaan, maar toch deden enkelen van ons het, tot na enkele dagen onze bevrijders het kamp binnen kwamen.

Australiërs, Amerikanen, Britten, Gurka’s en Siks met grote vrachtwagens en Jeeps het kamp binnenrijden. Dat was me wat. De vreugde kende geen grenzen. Er werd eten en geld uitgedeeld, door knapen van Amerikanen. Grote, zware soldaten in gevechtskleding stonden op vrachtauto’s en gaven ons sigaretten, kaas, koek, blikken vlees en geld. Hollandse papieren guldens, in Australië gedrukt. Wat moesten we buiten de poort met die guldens doen, vroegen wij ons af. Immers men was al gewend aan het Jappengeld en men had buiten liever een versleten overhemd, een oude tropenhelm of een broek, dan die guldens en voor een paar gestopte sokken, waar ik zo zuinig op was geweest, kreeg ik buiten de poort van een oude kampongvrouw tien grote pisangs (bananen), vier gekookte eendeneieren en een paar kasaveknollen. Het geld was voor velen vreemd en men sprak van ‘Mickey Mouse-guldens’. Enkele weken later raakte men weer gewend aan dit betaalmiddel en kon men weer overal met dit geld terecht tot dat de republiek Indonesia werd uitgeroepen en er Indonesisch geld in omloop kwam. Rupia’s waren dat. Er waren ‘banknoten’ van 1 sen. Vodjes papier vaak gedrukt op repen krantenpapier waarop ook de eerste postzegels waren gedrukt.

We kregen de noodzakelijkste kleren van de Amerikanen hetgeen een enorme hulp was. Ik liep namelijk reeds vele maanden in een oude militaire broek welke ik van een gestorven mede-gevangen had afgenomen. Die broek had hij, toen we in de kamp kwamen, op een zolder gevonden onder balken en stenen, want voor onze komst hadden hier eerst enkele duizenden Hollandse krijgsgevangenen gezeten. Zij echter werden even voor onze komst afgevoerd naar Japan en Birma. Dagenlang ben ik bezig geweest om de zeer lastige en vieze klerenluizen uit de zomen van de broek te peuteren. In de brandende zon zat ik uren de kleine, witachtige diertjes op te sporen want ik wist dat ze de gevreesde vlektyphus veroorzaakten. Erger nog dan de ons allen treiterende wandluizen maakten de klerenluis ons leven tot een hel en mijn buik en rug waren bezaaid met wondjes, veroorzaakt door deze moeilijk op te sporen parasieten.

Het leed geleden
Gepantserde voertuigen met de Amerikaanse vlag erop reden door het kamp en de Jap aan de poort werd in zijn lurven gegrepen en weggevoerd. Het leed was geleden. Er kon niets meer gebeuren. We waren vrij en zouden weer aan de slag gaan. Ja, ja… we gingen naar ‘huis’ op zoek naar vrouw en kinderen voor zover die niet door de Jappen waren opgesloten en nog ‘buiten’ waren. Indië zou weer worden opgebouwd. Maar… het liep heel anders.

Buiten de poort werd geschreeuwd: “Bersiap, bersiap, merdeka” (maak je gereed voor de vrijheid). Dan sloeg de dol geworden horde met stenen tegen telefoonpalen als teken van aanval. Als teken van moordlust en roof. Velen die uit de kampen vertrokken deden dit op eigen risico. Naar Midden- en Oost Java vertrokken ze, vaak verkleed als Indonesiër, in volgepropte treinen. Op weg naar huis, naar moeder de vrouw en kinderen welke ze jaren niet gezien hadden…. Veel van deze treinen, waarin ook Europese vrouwen en kinderen uit de zogenaamde vrouwenkampen reisden, werden in de eenzame en verlate sawah-velden tot stoppen gedwonen of tot ontsporing gebracht. Dan werd er door benden geroofd wat er maar te roven viel, maar veel was het allemaal niet na al die kampjaren. Vele Europeanen, mannen, vrouwen en kinderen werden dan op beestachtige wijze vermoord. Ook enkele uit de kampen gevluchte Chinezen van voorname huize vonden daarbij de dood.

Opengesneden en verrotte lichamen van Europeanen werden later gevonden in de modder langs de spoorbaan. Vrouwen, die op een of andere wijze wisten te ontkomen aan de moordlust van de loslopende benden, vertelden later dat ze zagen hoe enkele van hen werden verkracht en hun lichamen werden opengesneden terwijl de ingewanden in de modder werden getrapt.

De bevolking keert zich tegen de Europeanen
Dit was de ‘bevrijding’ uit het Jappenkamp. Het halve wapenarsenaal van de Japanners was door de benden van de ‘republiek’ zoals men dat toen al noemde, door de moordpartijen op de Jappen, in hun handen overgegaan. Japanse posten en kazernes werden ’s nachts overvallen en de soldaten vermoord. Een politiekazerne te Batavia, waar Japanners zaten, werd totaal uitgemoord. Verhalen van mensen die het mee hebben gemaakt vertelden dat het bloed als een waterval van de stoep af droop. Japans bloed. Bloed van hen die eens naar Indonesië kwamen als ‘grote broer’ om het volk van de archipel van het Hollandse juk te bevrijden. Hetzelfde volk van Indonesië, dan eens met de Japanse vlaggetjes langs de wegen stond om de godenzonen bij hun inval welkom te helen. Het volk dat eens: “banzai nippon” stond te schreeuwen toen vrachwagens, volgepakt met Japanse soldaten, de straten van Java’s hoofdsteden binnen reden. Dat volk vloog de ‘bevrijder’ uit Japan, de ‘Soedara toewa’ (oudere broer) ineens naar de keel en maakte zich meester van een groot deel van de wapenen. Jongens van twaalf jaar zeulden met knotsen van Japanse geweren en gordels vol patronen. Ze knalden er maar op los. Het was immers ‘Merdeka’.

Wij, weerloze Hollanders, ondervoed en ziek, verzwakt uit de kampen gekomen, waren er vreselijk aan toe. De Japanners, die zich als beesten gedroegen, hadden nog een beetje dicipline en wisten hier en daar nog wat orde en regel te bewaren, maar nu was een ware bende dolle wezens los gebroken. Nu stond men zelfs Hollanders en Japanners naar het leven.

En op dit moment ging de poort van ons kamp open en begon in mij de gedachte op te komen om terug te keren naar Djokjakarta, waar ergens mijn vrouw en kinderen zaten. Djokjakarta, de plaats waar de Jap mij door zijn gestapo, de Japanse Kempetai, liet oppakken als staatsgevaarlijk figuur omdat ik in dienst was als Ambtenaar bij de Staatspoorwegen.

Het weerzien met mijn vrouw en dochters
Ondanks alle waarschuwingen ben ik toch het kamp in Cimahi uit gegaan samen met de tandarts Dr. K.G. van Putten uit Kediri. Samen zijn we in alle vroegte, toen het nog donker was, op het stationnetje op een langzaam onder de stationskap doorrijdende goederentrein gesprongen en na vele uren van spanning en angst, zittend op de vloer van een met dakpannen beladen beestenwagen, in Djokjakarta aangekomen. Hier zag Dr. van Putten kans over te stappen in een treintje naar Ambarawa bij Magelang waar zijn vrouw in een kamp moest zitten.

Ikzelf ontmoette na twee en een half jaar op het station weer mijn vrouw en twee dochters die weken achtereen dagelijks naar het station kwamen, hopende dat pappie misschien met de enkele treinen die aankwamen, huiswaarts zou keren. Misschien ja, als zijn trein niet ergens in de moerassen was overvallen en uitgemoord. De situatie die in de Vorstenstad heerste was nog erger dan tijdens de Jappenbezetting. Alles was angstwekkend. Griezelig en dreigend zag alles er uit. Op treinwagens en gebouwen waren leuzen gekalkt zoals: ‘doodt alle Hollanders’, ‘zorg dat geen blanke de stad verlaat’.

In deze venijnige en vijandige sfeer stond ik na twee en een half jaar weer op het station waar ik eens dienst deed. Alles was vreemd en een duf gevoel maakte zich van mij meester. Mijn gezin trof ik op het perron aan in dodelijke armoede. Sjofeltjes en mager stonden ze daar met z’n drietjes en de begroeting was uitbundig. Nu was ik weer bij hen en zou alles weer voor hen kunnen doen.

Het ergste moest nog komen
Niets was echter minder waar, want het ergste kwam nog, tenminste voor mij, die dacht goed te doen door het kamp uit te vluchten en naar mijn gezin te gaan. Na mijn opsluiting door de Jappen, hadden mijn vrouw en kinderen hun intrek genomen in een leegstaande woning waarvan men zei dat het er spookte. Dat geloofde men toen stellig, vooral in de Vorstenlanden waar vele geheimzinnige plaatsen en oude Hindoe-tempels zijn. De eigenaar van het huis scheen nergens te vinden en was op een of andere wijze met de noorderzon vertrokken. Ze bewoonden een kamer terwijl er in een ander vertrek een oude juffrouw haar intrek had genomen. Er waren nog meerdere kamers die vol goederen uit de oude doos stonden doch die waren afgesloten. In dit huis verdiende mijn vrouw en dochtertjes de kost met het breien van sokken voor een Chinees die ze weer met veel winst verhandelde. Koekjes en andere snoepwaren werden door mijn kinderen verkocht langs de huizen waar nog enkele Indische mensen woonden. Ja, zelfs in de Jappenkazerne verkochten ze koekjes aan de Nipponsoldaten die wonderlijk genoeg nimmer bruut of grof tegenover hen optraden.

Toen ik ook mijn intrek in dit huis had genomen, ben ik direct op onderzoek uit gegaan en heb met kunst en vliegwerk in een badhok de afgesloten watertoevoer waar in gebruik gesteld door een gat in de pijpleiding te maken zodat we allen konden baden en wassen. De overige kamers heb ik opengebroken om te zien wat daar wel in te vinden was. Mijn ontsteltenis was groot toen ik een enorme hoeveelheid oude spullen van zeker wel honderd jaar en wel ouder aantrof. Dik onder het stok stond er een oude piano uit 1880 met daarop een verweerd kleed en wat aardewerk in de vorm van vazen, Chinese kommen en spekstenen beeldjes. Een oude viool zat in een door de witte mieren half weggevreten kist. Op de grond lagen allerlei soorten speelkaarten en wat oude losse muntstukken. Potjes met verdroogde bloemetjes en stukjes wierrook, wajangpoppen van leder, een half vergane Nederlandse vlag en lege kofferkisten waarvan de sloten waren verbroken. Oude stoffige gordijnen met koorden en kwasten hingen nog aan een paar rafels aan de muur en het rook er naar een knekelhuis, muf, schimmelig en wee. Deze kamer moest minstens tachtig jaar of langer ongeopend zijn geweest. Alles bleef een raadsel tot op een dag de oude juffrouw uit de andere kamer vertelde dat ze gehoord had dat er in de tuin, onder de grote boom een graf moest zijn. Van wie en hoe oud, wist ze niet, maar ze had het van een Javaan gehoord. Er zat volgens zeggen van alles in de grond, maar niemand mocht er naar zoeken of straffe van een vreselijke dood. Nou, ik heb het dan ook maar niet gedaan. Wel vonden mijn kinderen in een soort berghok een stuk van een menselijk lichaam. Het bekken van een skelet, verborgen onder verweerde oude kranten uit de vorige eeuw. Een kip had in dat skeletbekken enkele eieren gelegd en ze daar verder uitgebroed.

In de val
Het was in één woord een vreemd en griezelig huis en niemand wist iets. Elektrisch licht was er niet en we behielpen ons met oliepitjes. Ik wilde weg van hier. Ik wilde met vrouw en kinderen naar het inmiddels door de Engelsen bevrijdde Batavia, waar ook mijn moeder net uit het Japanse Tjidengkamp was vrijgekomen. Mij vader was reeds dood gegaan in het mannenkamp te Ambarawa. De toestand was echter zo onveilig en gevaarlijk dat ik geen kans meer zag de stad te verlaten zonder vermoord te worden. Het was te laat. We konden niet meer weg. In de val zaten we… Ik had vanuit het kamp in Cimahi direct naar Batavia moeten gaan en van daaruit met spoed mijn vrouw en kinderen daarheen moeten laten overkomen. Dat kon toen nog net op het nippertje al hadden ze met hun drietjes de riskante treinreis van vele uren moeten maken, maar dan waren we allemaal uit de handen gebleven van de in Midden Java rondzwervende bendes. Het was te laat en ik verweet mezelf de ondoordachte zet die ik had gedaan door naar Djokjakarta te reizen. We zaten in de val en konden nergens heen.

Een grote ellende
Met ons vieren hebben we in dodelijke angst nog twaalf dagen herenigd geleefd in dat spookhuis en gegeten van datgene wat verkocht kon worden uit gevonden spulletjes in de rommelkamer. Zo leefden wij in grote onzekerheid nagenoeg van niets. Uit het Jappenkamp had ik niets mee genomen als een oude broek en een klein vet geworden hoofdkussentje vol luizen. Mijn vrouw had niets meer, want alles wat ik twee en een half jaar geleden had achter gelaten aan geld en huisraad, was verkocht om van te leven. Alles was op. Ik had niets en mijn gezin had niets. Een grote armoe was ons deel geworden, door de oorlog en de daarna gekomen ellende. De ratten, die ook nergens meer wat vonden, knaagden het eelt van de voetjes van de slapende kinderen af zonder dat ze het merkten. Het was een grote ellende en dit alles was mijn vrijheid. Maar er waren meer Europeanen uit de kampen weggelopen en naar Djokjakarta gevlucht. Ook zij konden niet meer weg en zaten in de val. Suikerplanters, tabakkers, priesters en missionarissen, allen konden niet meer naar het bevrijdde Batavia.

Weer gevangen genomen
Op een kwade morgen, het was nog duister, werd er op de deur van het huis met een stuk steen gebonst. Er werd geschreeuwd in het Javaans. De deur, die uit een zinken plaat bestond, moest ik open maken. Toen vlogen een stuk of tien langharige Javanen, bewapend met een geweer en lange, puntige bamboestokken, het huis binnen en keken in het ijzeren ledikant waarin mijn dochtertjes sliepen. Ze dwongen mij meteen mee te gaan en namen een vijandige houding aan. Mijn vrouw kreeg van hen nog gedaan dat ik mijn sandalen  en een oud pyamajasje kon aantrekken. Daar gingik weer en voor hoe lang? In alle haast kon ik afscheid nemen van mijn vrouw en werd in een oude Japanse auto naar de gevangenis gereden. Daar zaten reeds vele Europeanen, waarvan ik ver verscheidene kende uit het kamp in Cimahi. Ook enkelen, die buiten de kampen waren gebleven omdat de Jap ze op bepaalde bedrijven en plantages nodig had, zaten op de binnenplaats van de gevangenis al in het grind. Gehurkt in vuil geworden toga’s zat daar de Geestelijkheid van Midden Java als een stel bedelaars. Tussen deze verzameling Europeanen moest ook ik plaatsnemen en had geen siertje hoop meer.

Voor ons, zo’n achthonderd Hollanders, stond een gammel tafeltje met daarachter een stel kwajongens van een jaar of achttien, hangende in stoelen. Een enorme schijnwerper en een tweetal machinegeweren waren op ons gericht. Een eindje verderop stond zo’n zelfde stel slampampers gekleed in gestolen Japanse uniformen en met veel te grote schoenen aan hun voeten. Die vlegels die kersvers achter de karbouwen waren gehaald, hoonden ons op allerlei wijze en spogen klodders in onze richting. Ik was doodmoe en vervuld van vreselijke haat. In de motregen zat ik daar. Nooit had ik een mens kwaad gedaan. Nooit iemand benadeeld. Altijd had ik de Javaan de Inlander zoals ze destijds werden genoemd, vriendelijk behandeld. Dat was mij door ouders van kleins af aan geleerd en ingeprent. En nu zat ik daar, bewaakt door een stel schooiers die er hun hand niet voor zouden omdraaien iemand de nek af te snijden omdat het “Merdeka” was. Djokjakarta, het broeinest van de extremisten, daar zat ik thans met vele anderen als kettinghonden in de druilende regen. Machteloos , maar vol van haat en minachting voor een volk dat eens door iemand het zachtaardigste volk der aarde werd genoemd.

Geen hoop meer
In het duister kwam na een kwartiertje weer een stel gewapende peloppers op blote poten de gevangenis binnen met in hun midden weer een opgepakte Europeaan die tussen ons in gegooid werd. Het was de oud directeur van de HBS. Na een tweetal dagen in de gevangenis te hebben gezeten kregen we allemaal een pisangblaadje met een hap rijst en een visje zo groot als een pink. Toen werden we vervoerd naar een oude lagere school waarvan de lokalen waren dichtgetimmerd. Hier hebben we drie dagen gevangen gezeten, bewaakt door de meest onguur uitziende bandieten. Geen eten en geen drinken, liggend in de open lucht onder een boom en op de overloop van het gebouw. Op een stuk karton van een oude schoolplaat lag ik daar evenals vele anderen onder de blote hemel in het grind, machteloos en overgeleverd aan een bende moordenaars en rovende slampampers die helemaal niet wisten wat het woord ‘republiek’ betekende. Soekarno had hen te veel opgezweept en had de zaak niet meer in de hand.

’s Nachts lag ik met mijn hoofd op een prop papier naar de lucht te kijken, naar de sterren die ik in mijn jonge jaren op de theeplantage ook had gezien en hoorde om de haverklap buiten schreeuwen: “Bersiap, bersiap, merdeka, merdeka!” Dan sloegen ze weer met stenen tegen de telefoonpalen als teken van een aanval, een slachtpartij of plundering.

Ik schrijf deze regels op 20 januari 1981, de dag waarop de twee en vijftig, door Iran gegijzelde Amerikanen vrij zijn gekomen nadat ze als personeel van de Amerikaanse ambassade in Teheran veertien maanden waren gevangen gezet. Op de dag dat de Verenigde Staten zijn veertigste president kreeg kwamen deze mensen vrij en konden ze nadat ze aan de dood waren ontsnapt naar huis, naar Amerika terugkeren. Hun vaderland had grote sommen geld neergeteld voor hun vrijheid. Dat kon er was geen oorlog. In mijn geval was er ook wel geen oorlog meer en Japan was op de knieën gekregen, maar de Indonesische bevolking zag toen haar kans schoon de onafhankelijkheid te veroveren, hun Merdeka, door ons uit te moorden of op te sluiten.

Suikerfabriek Poendoeng voordat wij er gevangen werden gezet

Gevangen gezet in de suikerfabriek
Nederland was, nog verarmd en verzwakt door de oorlog met Duitsland , niet bij machte ook maar iets voor onze veiligheid in Indië te doen en daar zaten we dan. Enkele dagen later werden wij per vrachtauto overgebracht naar een afgelegen oude suikerplantage ten zuiden van de stad. Het was de suikerfabriek Poendoeng. In de nacht kwamen wij daar aan en werden in een modderpoel, waarin we tot de enkels wegzakten afgezet. In volslagen duister strompelden wij naar de grote loodsdeur waar een vent stond met een miezerig oliepitje en een ander stel ongure vlegels met enorme Japanse geweren en een gordel van handgranaten om hun middel. Bij het schijnsel van het olielampje kan ik hun stomme, doch wrede gezichten zien. Door hen werden we de donkere ruimte ingejaagd. Vallend en struikelend over elkaar en over de roestige lorrirails die door de loods liepen, moesten we zelf maar een plaats zien te vinden om te liggen. Alles was nat en kil. In het pikdonker strompelde ik op de tast naar binnen en mijn armen en benen dropen van de modder. Het stonk in deze grote loods naar rottend blad, urine en ontlasting.

In deze muffe ruimte zouden meer dan achthonderd mensen komen te liggen die alsmaar met vrachtauto’s werden aangevoerd. Achter mij werd de grote schuifdeur van de loods gesloten. Weer was er een pluk gevangenen binnen en ik hoorde buiten de bewakers schreeuwen. Hees gebrul, want dat hadden ze destijds van hun voorganger, de Jap geleerd.

Erbarmelijke omstandigheden
Zo nu en dan ging de deur op een kier en werd er een straal licht naar binnen geschenen. Dan werd er geschreeuwd dat we allemaal zouden worden vermoord en dat Amerika en Engeland zouden worden vermorzeld. Buiten werd er dan ik koor door tientallen Javanen geschreeuwd: “Amerika di strika, Ingrid di lingis” hetgeen wilde zegen dat Indonesië Amerkia zou platstrijken en Engeland zou bewerken met een breekijzer. Het was wel een stelletje blootpotige kerels, bewapend met puntige bamboes, een paar geweren en wat handgranaten, maar voor ons zeer gevaarlijk. Ze waren in hun dolheid tot alles in staat. Toen het de volgende dag licht werd, kon ik pas zien waar we lagen en kwam ik tot de ontdekking dat ik in het duister een plekje had gevonden tussen de lorrierails.

De loods, waarvan het roestige dag aan alle kanten lekte, had een oppervlak van 60 bij 20 meter en aan een zijde lag een cementen goot van een meter diep en een halve meter breed. Dat was de wc waarin meer dan achthonderd mensen hun behoeften moesten doen. Om ontvluchten tegen te gaan had men de uiteinden van deze greppel, afgedamd met ijzeren platen.

Na enkele maanden was deze goot boordevol en de stront begon reeds over de rand te lopen. De stand werd op ’t laatst ondragelijk en de grote blauwe vliegen vermeerderden zich naar hartelust. Zes van ons kregen opdracht de goot te ledigen met blikken. Een vreselijk werk dat dagen duurde. En steeds weer vulde hij zich met uitwerpselen van zieke en verzwakte mensen. “Een volk dat zo z’n gevangen opsluit is niet waar om zich een natie te noemen” dacht ik.

’s Nachts hoore je ineens iemand in het donker gillen: “een slang, een slang”, want de serpenten kropen onder de deur door aangetrokken door de lichaamswarmte van al die mensen. Dan stonden we allen plotseling overeind in volslagen duister. Doodsbang voor de beet van een sawahslang bleven we dan een tijdje roerloos staan, elkander ondersteunend.

Dagelijks kregen we wat eten in de vorm van in modderwater gekookte kasaveknollen of bataten. Dat moest dan door enkele van ons buiten de loods gehaald worden in een soort kampongkeuken en in manden, die aan lange draagbamboes hingen, aan worden gevoerd. Wegens plaatsruimte werd dat voer dan verdeeld vlak bij de stinkende goot met de vele vliegen. Deze verdeling werd niet door ons zelf geregeld, maar door een stel oude wijven met sirihpruimen in de mond. Wijven van buiten, venijnig, brutaal en met valse smoelwerken. Of ze er voor uitgezocht waren.  Dan moest ieder van ons die z’n portie in ontvangst kwam nemen eerst de sembah maken. Dat was een soort onderdanige groet door de twee samengevouwen handen naar de neus of de mond te brengen. En dat allemaal voor een klodder voer, waardeloos eten. Je voelde je geen Europeaan meer op het laatst.

Domme, maar gevaarlijke boerenpummels
Buiten zaten, achter een bureau dat uit het huis van de gewezen administrateur der suikerplantage was geroofd, onder een zinken afdakje en stel karbouwenhoeders (botjah angons), gekleed in een mengelmoes van uniformonderdelen van het KNIL. Geen vertoning was het dat troepje daar te zien hangen. Veel te grote laarzen, te wijde jassen en broeken, die met een touwtje om het middel vast geknoopt zaten. Een veel te grote pet, bamboehoed of bivakmuts deed hen er gewoonweg potsierlijk uitzien. Als de grote toewan hingen ze daar, spelend met een machinepistool en elkaar plagend met handgranaten, die in trosjes om hun lichamen waren gebonden. Dat waren onze bewakers. Ieder van hen had maar wat aangetrokken en zat met z’n bruine blote voeten in gebloemde fauteuils, eveneens uit de basaran (woonhuis van de administrateur van de plantage) gegapt. Er zat een ongure vent met een Japanse helm op door een veel te grote verrekijker te loeren terwijl weer een ander in een sarong een oud jasje van ons leger aan had. Jonge, jonge wat een zielig, maar uiterst gevaarlijk, ongediciplineerd zootje zat daar.

Gelukkig wist ik niet dat deze hel zo lang zou duren
Ik moest moed houden, want wist dat mijn gezin nog in leven was en dat ik eens weer naar hen zou terug keren. Ik wist toen gelukkig niet dat deze hel nog een kleine tien maanden zou duren en dat na mijn bevrijding door de Engelsen en de Australiërs, mijn vrouw en kinderen zouden worden opgesloten in een nabij gelegen oude suikerfabriek (Gandjuran). Het is me een raadsel hoe zij zich door de ellende al die tijd hebben heen gewerkt. Met de gedachten aan hen, waarmee ik slechts enkel dagen herenigd was, groeide in mij een diepe minachting voor de mensen die mij en mijn lotgenoten dit allemaal aandeden. Wat had het voor zin om mensen die men zogenaamd wilde beschermen (want dat noemde men toen zo), op deze wijze te behandelen. Liggend in hun vuil, in de stank van hun eigen fecaliën, met een minimum aan eten in de vorm van wat knollen waar de modder nog aan zat en liggend op de stenen in een lekkende, oude loods.

Nee, hoe beroerd alles ook was in de Jappenkampen, hoe wreed daar ook werd opgetreden, toch heerste er dicipline en lagen we in barakken van onze eigen kazernes. We kregen er toch beter eten al was het wat mais en sagopap in geringe porties. Daar hadden wij het gevoel, overgeleverd te zijn aan de vijand, door de oorlog… We hadden verloren en leden voor de goede zaak. Dat brengt oorlog nu eenmaal met zich mee.

Onbegrijpelijk, wat er gebeurde
Wat de extremisten in Djokjakarta met ons deden was heel wat anders. Wij waren toch niet in oorlog met hen? Zo dachten wij, die daar in de loods in ons eigen drek lagen… Hoe was het mogelijk en waarom moest het zo gaan? Had het na de capitulatie van de Jappen, onder wie ook het Indonesische volk had geleden, niet anders kunnen gaan? Ik weet als buitenstaander te weinig van de besprekingen op hoog niveau tussen Nederland en de leiders van de nieuw uitgeroepen Republiek Indonesia, maar vraag me wel eens af of er niet tijdig, nog voordat alle narigheid begon van politionele acties en over en weer uitmoorden van elkaar, eerlijk onderhandeld had kunnen worden. Was het nou nodig geweest om na de val van Japan ineens vreselijk vijandig te gaan staan tegenover elkaar? Nederland en Indonesië, naties die elkaar reeds eeuwen kenden, volkeren die naast en met elkaar eeuwen hebben geleefd en elkanders zeden en gewoonten kenden. Hoe is het in vredesnaam mogelijk geweest en ik denk aan mijn werkvolk op de plantage en aan mijn Indonesische collega’s bij de Staatsspoorwegen. Het waren mijn gelijken, mijn vrienden en vaak waren er in het begin Inheemse spoorwegmensen die hoger stonden dan ik en mijn meerdere waren. En wat dan nog? Ik heb in mijn Indische loopbaan veel van de Indonesiër geleerd. Ik heb veel te lang met hen gewerkt  om hen niet te kennen en eerlijk gezegd nimmer iets ondervonden wat mij vijandig tegenover hen deed staan.

Toen ik dan ook door de omstandigheden genoodzaakt, naar Nederland moest repatrieën, waren het de Indonesische collega’s en mijn oude bedienden die mij met tranen in de ogen naar de boot brachten en mij smeekten ooit nog terug te komen. En dat was geen huichelarij. Daarvoor kende ik hen te goed. Jammer dat het zo gelopen is en niemand wil ik er de schuld van geven. Ik ben wel van mening dat het allemaal niet zo had hoeven gaan, maar dat is nu juist wel het geval geweest. Indonesië is het land van de Indonesiërs en wij hoorden hier niet. Het werd tijd dat zij over hun land, hun eigen huis, eindelijk eens , na driehondervijftig jaar, zelf de baas werden. Tenslotte heeft Nederland ook voor haar vrijheid moeten vechten. Maar, het ging niet goed, er heerste onbegrip van beide zijden. Jammer, dat is het enige wat ik er als grote leek van kan zeggen.

Een uit de hand gelopen situatie
“En nu, in de loods van de suikerfabriek Poendoeng lig ik op de stenen vloer, vervuld van afgrijzen en haat. Hoe is het mogelijk”, zo peinsde ik dagelijks weer opnieuw, maar het was de werkelijkheid. Lijken hingen in het prikkeldraad en vermoorde babytjes lagen in vuilnisbakken van de steden. In dolle woede en razernij vermoord door dol geworden mensen. Ik geloof nooit dat dit werkelijk de bedoeling is geweest van de eerste leiders van de uitgeroepen republiek. Men had alles niet meer in de hand. Het volk was Merdeka beloofd, onafhankelijkheid, waar ze recht op had, en waarvoor de leiders ook vochten, maar het werd door de massa opgevat als een aansporing om nu alles wat blank was maar te vermoorden en als zwijnen te behandelen. Natuurlijk waren er hele groepen van de bevolking welke ons Hollanders nu niet direct zo best gezind waren en eveneens grote groepen die hun kans nu zagen om te roven, te plunderen en te moorden. Die groepen waren er stellig, maar de zaak is te hoog opgezweept en kon niet meer in de hand gehouden worden. Het was al te ver doorgeworteld en overal hoorde men het gebrul: “merdeka, merdeka, boenoeh orang blanda, bersiap, bersiap!” (Vrijheid, vrijheid, slacht de Hollanders af, maak je gereed voor de aanval enz.)

Door het oog van de naald
Toen ik op een dag het schamele ‘voer’ moest gaan halen met een oude Ambonees, die ook om een of andere reden gevangen was genomen, ging de loodsdeur even open om ons door te laten. Bij het zien van het stelletje vatsige, lui hangende bewakers, die een soort kaartspelletje speelden, moest ik onbedaarlijk lachen en hield mijn hand voor mijn gezicht om dat niet te laten merken. Mijn Ambonese vriend, die bij mij liep kon zijn lachen, als oud KNIL-militair, ook niet inhouden. Dat hadden de knapen achter de ‘mantalioer’ zoals ze een mitrailleur noemden, in de gaten en riepen ons met een onbeschoft klinkend “he marisini koeweh”. Dat betekende dat we bij hen moesten komen.

Toen we voor de ‘hoge heren’ stonden, kreeg ik als blanke meteen al een klodder speeksel tegen mijn lijf. Ik kreeg de opdracht om de Ambonees een slag in het gezicht te geven en toen ik dat weigerde en zei dat de man mij niets had gedaan, vloog er weer en klodder speeksel in mijn richting. Ik moest en zou de man naast mij een vuistslag in zijn gezicht geven, want anders zouden ze ons beiden kapot schieten. Het was hen er natuurlijk om te doen ruzie in de loods te veroorzaken zodat ze eindelijk hun ‘mantalioer’ konden gebruiken door hem op enkele van ons leeg te schieten. Ze speculeerden op onrust binnen de loodsmuren, maar het lukte niet.

Een van de sloebers moest op een oude stoel gaan staan om me met de schede van een banjonet een paar meppen in mijn gezicht te geven waarna de Ambonees mijn influisterde: “Toewan, poekoel sadja nanti kita di tembak mati.” (Toe meneer, sla mij maar anders worden we beiden doodgeschoten). Er ontstond een akelige situatie en weer drong de Ambonees er bij mij op aan, hem een klap te geven. Hij zou er niet kwaad om worden zei hij.

Ik heb toen de man een vrij behoorlijke tik tegen zijn wang gegeven, maar dat was de heren bewakers schijnbaar niet hard genoeg en weer klom er een gedrocht op de stoel en zei: “Begini koeweh moesti poekoel” (Zo moet je slaan), waarbij hij me met zijn kleine, magere knuist een stomp tegen mijn kaak gaf. Daar stond je dan als Nederlander. De Ambonees die denkelijk het gevaar zag, schreeuwde tegen mij: “Poekoel meneer, poekoel saja” (Sla meneer, sla mij). Hij trilde op zijn benen, want vreesde het ergste als ik het niet zou doen. Ook ik trilde en in mijn zenuwachtigheid gaf ik de man een stomp welke, ondanks mijn ondervoedde lichaam zo stevig aan scheen te komen, dat de man bijna omver viel. Ik was verbaasd over mijn eigen ‘kracht’, maar ik heb later wel vermod dat de Ambonees wijs heeft gehandeld en net heeft gedaan of de klap hard aankwam en dat ik dus flink had geslagen. Zo wilden de bewakers het zien. Prachtig, een blanke die een Ambonees een opduvel geeft. Dat moest ruzie en onrust geven. Er gebeurde echter niets en toen we op mochten hoepelen, lagen de wachters met open slaapbekken achter het bureau te gillen van het lachen. Ze gierden het uit van de pret. Binnen gekomen hoorden we ze nog honend schreeuwen en heb ik het gezicht van de Ambonees met een natte lap gebet, terwijl hij zelf al het mogelijke deed om mijn bebloed gezicht met een oude zakdoek af te vegen.

Een paar dagen later zaten we beiden over het voorval na te praten en zijn toen samen, binnen de loodsmuren, zittend op het asfalt, in lachen uitgebarsten, niet meer beseffend dat we door het oog van de naald waren gekropen.

Oog in oog met Soekarno
Ik herinner me dat op een dag plotseling Soekarno, Boeng Karno, zoals men hem noemde, het kamp, de suikerloods binnen kwam. Tussen de honderden op de grond liggende Hollanders wandelde hij door en bleef even vlak bij mij staan, geflankeerd door een paar lijfwachten en met medailles behangen militairen. Hij keek autoritair in het rond en schudde toen wel even zijn hoofd alsof hij wilde zeggen: “nou, dit is wel wat erg”. Het bleef bij hoofdschudden en toen hij na tien minuten opgekrast was, bleef alles zoals het was.

Bij de goot, waar we onze behoeften in deden, was een grote ijzeren bak neer gezet met een hoeveelheid water er in. Daar kon men om de andere dag een bad nemen. Het was niet genoeg voor een paar honderd man en zo moest de bak elke dag opnieuw gevuld worden. Er ging maar vier kubieke meter water in en bij de hitte van de blakende laagvlakte vochten we om maar een paar emmertjes water over ons heen te kunnen gooien. Ik zie ons nog poedelnaakt aan die bak staan. Ook de geestelijken, missionarissen, pastoors en dominees verdrongen zich in hun blootje om de waterbak. Geen vertoning was dat. Een van ons, namelijk de oud superintendent van vele plantages, werd op een dag om een onduidelijke reden het kamp uitgehaald en per vrachtwagen naar Parang Tritis aan de Zuidkust overgebracht, waar hij gedurende enkele maanden in een houten cel gevangen heeft gezeten. Helemaal in zijn eentje.

Pesterijen en intimidatie
Op een ochtend werd een deel van ons buiten de loods gelucht en zat ik in het verschroeide, dorre gras te kijken naar de verre horizon, toen er een bewaker langs het prikkeldraad liep. Een helm op en te grote laarzen zonder veters aan, keek hij naar mij en haalde plotseling een handgranaat uit een van zijn zakken. Hij deed alsof hij wilde gooien. Zuivere pesterij en intimidatie. Ik stond langzaam zonder iets te zeggen of iets te laten merken op en verdween de zinken loods weer in. De lol was er voor hem af. Een van ons beweerde dat hij in de richting van Djokjakarta enkele harde knallen had gehoord en strooide het verhaal rond dat de Engelsen de stad aan het bombarderen waren omdat deze al tot Magelang waren opgerukt en wat doet deze man? Hij was zeker al over zijn toeren en niet geheel meer bij zijn verstand, want hij begon plotseling luid het Wilhelmus te zingen. Het galmde door de loods. Hij zie dat hem de ‘kabar anging’ ter ore was gekomen dat onze bevrijding nabij was. Dus begon hij maar alvast ons volkslied te zingen. (Kabar angin is het bericht dat door de wind wordt overgebracht, dus een gerucht). Enkelen van ons begonnen mee te zingen maar werden binnen een paar minuten naar buiten gehaald en elders opgesloten, waar het nog beroerder was. Waar ze gebleven zijn weet niemand. Het is niet best met hen afgelopen.

Naar ik me herinner stierven in de loods een aantal van ons en verscheidenen werden naar een missiehospitaaltje in de buurt gebracht, waar enkele nonnen met nagenoeg niets de zieken in leven probeerden te houden. Dat in deze periode van bijna een jaar, in dit kamp betrekkelijk weinig doden zijn gevallen, vond z’n oorzaak in het feit, dat het allemaal vrij sterke mannen waren omdat de zwakkeren in de Jappenkampen reeds waren gestorven.

Geruild voor Indonesische gevangenen
Als ik zo nu en dan weer naar buiten moest om het eten op te halen in de nabij gelegen kampong, gaf ik mijn ogen goed de kost en zag dat men om de loods heen vele putjes had gegraven van waaruit men ons bij eventuele pogingen om te ontvluchten onder vuur kon nemen. We zaten zowat een klein jaar opgesloten toen er op een dag iemand binnen kwam met een lijst. Hij las een zeventigtal namen op en zei dat deze mensen geëvacueerd zouden worden naar bezet gebied en wel in ruil met een aantal Indonesische gevangenen, die bij de Engelsen zaten. Mijn naam was er bij en binnen een half uur zaten we in een paar oude Japanse vrachtauto’s waarop de rode bol van de Japanse vlag nog zichtbaar was. Opgepakt in die wagens werden we door allerlei dessa’s heen naar het station Djokjakarta gereden alwaar we op de trein naar Soerakarta (Solo) werden vervoerd.

De vrijheid tegemoet
Bij de sultan van de Vorstenstad kregen we enorm goed te eten en een behoorlijke slaapplaats (dat was zeker door de Engelsen geëist). De volgende morgen, voor dag en dauw, landde er op het vliegveldje een tweetal, roestige en onder de smeerolie zittende Dacota’s. Enorme vogels waren het in onze ogen. Ze stonden daar tot aan de motoren in het hoge, dorre alang-alanggras en met de behendigheid van een aap was ik een van de eerste die zich in het vliegtuig hees. “Knappe jongen die me hier nu weer uitkrijgt”, dacht ik en zag door een klein raampje een paar vliegeniers in grijsgroene uniformen doodbedaard in het gras liggen. Australiërs waren het. Stoere bonken van kerels. Ze trokken zich nergens wat van aan en dronken blikjes bier leeg, terwijl we in de machines kropen. In de lucht cirkelden we nog eenmaal over de loods waar velen wachtten op hun uitwisseling en vertrek naar het vrije Batavia. Een van de ‘Ausies’, de gezagvoerder zat in de cockpit met bloot, harig bovenlijf terwijl hij het ene na het andere blikje bier leegdronk. Geweldige kerels. Het waren helden die ons vrij maakten, zo dacht ik, maar zo te zien kon het hen niets schelen. Ze hadden voor hetere vuren gestaan. Dit was maar een peulenschilletje voor hen.

Het inwendige van de vliegtuigen was ongerieflijk en de kleine raampjes waren bezaaid met spatten olie uit de motoren. In een hoek lag een rubber boot en een stapel valschermen. We zaten schrijlings op zeildoekse banken en konden uit een rekje ieder een spugbakje pakken voor het geval we moesten overgeven.

Dankzij de sultan waren wij op weg naar Semarang met een volle maag en hadden geen last van luchtziekte. Semarang aan de Noordkust van Java was in handen van de Engelsen en Australiërs en daar werden wij ondergebracht in een oud weeshuis waar het rode kruis ons aan was kleding hielp, onze haren knipte en ons allen ontsmette met grote hoeveelheden DDT-poeder, zodat we als molenaars rondliepen.

Enkele dagen hebben we daar vertoefd en zijn toen met een soort landingsvaartuig door de Javazee naar Tandjong Priok bij Batavia vervoerd. Vanuit plaatsjes aan de kust werden wij beschoten en zagen de granaten ver genoeg van ons af in zee ontploffen. We zaten met enkele honderden op het schip en lagen op het dek onder de blote hemel. Vele geïnterneerden uit andere kampen in Malang, Kediri en Magelang waren al aan boord en er waren stokoude mensen bij. Mensen die haast niet konden lopen. Een zielig allegaartje was het . Zusters van het Rode Kruis liepen af en aan en deelden voedselpaketten uit. De gezagvoerder deelde ons door een omroepinstallatie in het Engels mede dat we op weg waren naar de vrijheid en wenste ons geluk.

Leugens en bedrog
Ter hoogte van de plaats Tegal werd er vanaf de kust weer op ons gevuurd. Daar zaten de extremisten met op Japanners buitgemaakte kanonnen op ons te schieten. Maar, weldra zou ik mijn gezin in Batavia ontmoeten, want in Soerakarta was mij medegedeeld dat zij reeds daarheen waren geëvacueerd. Hiervan was geen woord waar. Ze hadden ons allemaal die verhaaltjes verteld opdat we rustig zouden blijven. “Omong kossong, bohong” (kletspraat, leugens). In Batavia was het eveneens een grote chaos, ook al was er weer wat van ons leger en dat van de Geallieerden te bespeuren. Ik informeerde en zocht naar mijn vrouw en dochters, maar die waren er niet. Nee, natuurlijk niet. Allemaal leugens hadden ze ons wijs gemaakt. Ze zaten nog, zonder ook maar iets van mijn vertrek te hebben geweten in het kamp Gandjuran).

Geheel berooid en bekaaid meldde ik mij wederom bij de Staatsspoorwegen en kreeg geld, kleding en een voedselpakket, terwijl ik tevens herplaatst werd in de nog onveilige havenplaats Tandjon Priok, waar de troepen van de Limburgse jagers en de 7 Decemberdevisie lagen. Drie maal heb ik geld overgemaakt naar mijn gezin en het Indonesische Rode Kruis zou zorgen dat het in hun bezit kwam, maar nimmer hebben ze ook maar iets ontvangen.

Eindelijk, het weerzien met mijn vrouw en kinderen
Een jaar heb ik in Batavia gewacht op de vrijlating van mijn vrouw en dochters en eindelijk kwam er een stampvolle trein op het station Senen aan. Honderden in lompen en todden gehulde Europeanen, meest vrouwen en kinderen, stapten op de perrons uit en werden met open vrachtauto’s naar opvangkampen gebracht. Mijn vrouw kwam doodziek van de Malaria-tropica aan en moest direct worden behandeld door een militaire arts, de chef van mijn broer, die toen hoofdverpleger in het Militaire ziekenhuis was. Mijn dochters liepen blootsvoets en in versleten jurken. Ze hadden zelfs geen ondergoed meer.

Gelukkig herstelde mijn vrouw na enkele maanden van ziekte, maar even later stierf mijn broer aan de gevolgen van de door hem doorstane martelingen in het Jappenkamp. Mijn vader stierf in januari 1945 in het kamp te Ambarawa en werd door mijn toedoen begraven op het erekerkhof Menteng Poelo bij Batavia.Mijn moeder repatrieerde met de Willem Ruys in 1950 als weduwe naar haar geboorteland en stierf in 1953 te Haarlem.

Na enkele angstige jaren in het toch niet geheel veilige Batavia en vele gebeurtenissen in mijn spoorwegloopbaan, was ik gedwongen eveneens naar mijn geboortegrond, welke ik als zesjarige knaap met mijn ouders had verlaten, terug te gaan en vertrok in 1951 met het schip de Johan van Oldenbarneveldt naar Amsterdam.

Zoveel slachtoffers
De zaak ik voorbij, afgedaan. Er is voor ons geen vlag uitgestoken en er zijn geen enorme bedragen voor onze vrijheid neergeteld. Ik was vrij en dat was al heel wat. Bij onze aankomst in Amsterdam speelde er een jankend pierement op de kade en kregen we allemaal een appel als welkomstgeschenk… Ik kreeg een meubelvoorschot van tweeduizend gulden welke door mij geheel werd terugbetaald aan het Rijk. Dat was toen veel geld.

Onder Indië, het land waar ik als het ware aan vastgegroeid was, kwam een dikke streep te staan want het was uit. Een nieuw leven moest worden opgebouwd. Doch ondanks het grote leed dat mij door een handje vol mensen is aangedaan in de laatste jaren, blijf ik mijn goede vrienden onder de bevolking gedenken. Mensen die mij en de mijnen goed gezind waren, en dat waren er velen, behoorden tot mijn vrienden. Ze hebben hun vrijheid verdiend. Het land was en is van hen, maar het verwerpen van die vrijheid, van die Merdeka, is gepaard gegaan met vreselijke dingen. Waarom? Ik weet het niet. Ik ben geen politicus, maar was dit nou nodig?

God zij dank dat alles voorbij is. Ik wens het land waar ik opgroeide en dat ik lief had, geluk voor de toekomst en groet allen die daar, ver over zee, thuis horen.

Batavia, Jappenkamp, herinnering, oorlog Cimahi, West-Java, Indonesië

Jouw verhalensite met verhalen over Indonesië. Oude en nieuwe verhalen. Om te lezen, maar ook om zelf te publiceren. Doe mee en beleef mee!