Een klein stukje oud Batavia

door:Lodewijk de Geer Boers | 13 april 2012 |Historisch
Indische verhalen

Theedrinkende Europeanen voor een woonhuis in Batavia met naast hen de auto met chauffeur

Het Batavia van voor 1950 zag er heel anders uit dan heden ten dage. Er is heel wat afgebroken en veranderd in de jaren na de onafhankelijkheid van Indonesië  en men heeft zijn best gedaan zo veel mogelijk af te breken wat maar even aan het Nederlandse bewind kon herinneren, tenminste voor zover de dingen niet van waarde waren voor de Indonesische regeerders. Grote gebouwen en havenwerken, irrigatiewerken en spoorwegen, plantages enz. heeft men in ere gehouden omdat het in hun kraam te pas kwam. Die dingen waren mooi meegenomen, maar zijn wel door de Nederlandsers ontstaan.

Oude woonhuizen en pakhuizen uit de VOC-tijd, monumenten die herinnerden aan het Nederlandse gezag, zoals het fraaie Atjehmonument in het voormalige Wilhelminapark, met de grote engel en de vier prachtige leeuwen. De grote zuil op het voormalige Waterloopplein, een hoge kolom met een leeuw erop, het enorme fraaie beeld van Jan Pieterszoon Coen, dat reeds door de Japanners werd gesloopt en zoveel meer. Men kan ze alleen nog zien op foto’s die steeds zeldzamer worden voor hen die zich er voor interesseren.

Alles verdwenen…
Het grote Molenvliet, een kanaal dat in 1648 door de toenmalige kapitein der Chinezen werd gegraven voor het vervoer van vlotten naar de benedenstad bestaat niet meer. Aan weerskanten liep een weg, namelijk Molenvliet Oost en Molenvliet West. Langs de westzijde reed destijds een stoomtram die in de laatste jaren van de vorige eeuw in de plaats van een paardentram was gekomen. Aangezien dit Molenvliet de verbinding was van de stad Weltevreden, een buitenwijk van Batavia zelf en de Ouden Stad, waar duizenden Chinezen hun toko’s en bedrijven hadden, was het er altijd zeer druk. Honderden sado’s, kleine wagentjes op twee wielen met een paardje er voor, honderden grobaks, vrachtkarren, bespannen met een klein paardje en duizenden te voet gaande mensen, Chinezen, Javanen, Arabieren, Klingalezen, Batavianen, Oedikers (plattelanders), alles krioelde door elkaar in een ontstellende hitte.

Aan dat Molenvliet lag in mijn tijd nog het prachtige buitenhuis van Reinier de Klerk, gouveneur generaal van 1777 – 1780. Dit gebouw werd in het begin van de twintigste eeuw ingericht tot ‘s-Lands Archief. Ik herinner me nog dat in de voortuin een warme bron ontsprong, vandaar dat het hier ook wel ‘ajer panas’ werd genoemd.

Wijlen mijn vader, tuinarchitect van de Gemeente Batavia, legde hier de tuin aan in oudhollandse stijl en wel naar oude tekeningen van Rach. Op bladzijde 64 van het boek ‘Het huis Reinier de Klerk’ door V.I. van de Wall, ambtenaar bij de Oudheidkundigen dienst en uitgegeven door het Koninklijk Bataviaasch Genoodschap van kunsten en wetenschappen, 1932, kan men over de aanleg van deze , voor Indonesië zo bijzondere tuin.

Een dergelijk paleis heeft aan de Jacatraweg gelegen, daar waar ook ergens het monumentje van Pieter Erberveld lag, maar dat buitenhuis is er reeds lang niet meer. Wel restanten, zoals een poortje en wat muurdelen staan nog in het dorre, hoge gras (zie mijn artikeltje over Pieter Erberveld).

Veel Chinezen
Overal rook het er naar gebrande koffie, want veel Chinezen hadden hier hun branderijen. Er lagen ook enkele chinese tempeltjes, zogenaamde tepekongs en chinese restaurants, vooral daar waar Molenvliet eindigde en overging in Glodok. Daar was het een en al chinees. De huizen, liggende met hun achterzijde aan de kali, waren zeer schilderachtig en menig kunstenaar heeft dit oud Batavia, waarvan ik weet dat er in 1920, dus toen ik kind was, nog terechtstellingen plaats vonden, door de inheemse beul, die bapa Terreh genoemd werd. Hier was men dus eigenlijk in het zogenaamde chinese kamp waar in mijn kinderjaren de Chinees met een vlecht niets bijzonders was. Ik zie ze nog lopen, die mannen met grote, puntige bamboehoedenop en een staart er onderuit. Ook niets bijzonders was in die tijd de chineze vrouw met de mismaakte kleine voetjes. Deze werden al als baby in houten of loden schoentjes gestopt of stevig omzwachteld met repen goed, zodat de voet niet kon groeien en klein bleef als van een klein meisje. Zo zag ik die vrouwen dan dribbelen op die kleine voetjes. Het moet wel een erge marteling geweest zijn, deze vervorming van de kindervoetjes, die op latere leeftijd op een verschrompelde aardappel leken.

Kotta Tahi
Wanneer men nu vanaf dit Glodokplein een eindje oostwaarts liep, in de richting van de Tjiliwoeng rivier, dan kwam men in een uiterst geschiedkundig deel van het oude Batavia. Het heette hier in mijn tijd en mogelijk nu nog wel, Kotta Tahi, hetgeen betekent ‘poep’. Er is zelfs nog een straatje dat nu nog Gang Tahi heet. Als jongen had ik altijd erg veel plezier in deze naam en ben er pas later achter gekomen hoe men aan deze benaming is gekomen. Luister!

Toen in 1628, dus pas vrij kort na de stichting van Batavia, de stad werd aangevallen door het Javaanse leger van Mataram, onder aanvoering van Baoereksa (Bahoe Reksa) werd het ford ‘Holland’ duchtig bestookt. Binnen dit fort, dat toen redoute werd genoemd, zaten slechts 28 man Hollanders met twee kleine kanonnetjes. Hun aanvoerder was ene Hans Madelijn, sergeant bij de VOC. Er werd dapper gevochten en men was bijna ten einde raad, toen het kruit op raakte. Met het laatste restje moest men erg zuinig zijn en Madelijn verzon een slimmigheidje. Hij liet de kanonnetjes vullen met de inhoud van de nog niet geleegde beerputten uit het fort en wist met deze ‘poepkanonnade’ de Mataramse aanval af te slaan. Kromo maakte dat hij wegkwam, want daar moest hij niets van hebben. Deze vrij onsmakelijke oorlogshandeling nu speelde zich hier af, vandaar de naam Kotta Tahi.

Veelzeggende namen
Veel van dit soort namen werden in Indië afgeleid van gebeurtenissen, personen en dingen. Zo ligt nu nog, vlak bij de plaats waar een de redoute ‘Holland’, waarvan ik hier boven sprak, een gang, een straatje dat Gang Torong heet. Ik weet zeker dat deze gang nog bestaat en zo heet van vader op zoon. Dat blijft zo, men is er aan gewend. Gang Torong blijft Gang Torong en daarmee uit.

Observatorium Mohr

Op deze plaats stond in de 18e eeuw een groot huis met een observatorium met een hoge toren van de rijke dominee Johan Maurits Mohr die in 1716 te Eppingen bij Heidelberg was geboren. In 1752 huwde hij met een rijke weduwe en wijdde zich geheel aan de sterrenkunde. Te Batavia bouwde hij een sterrenwacht met observatorium. De toren was zes verdiepingen hoog en daar bovenin zat de dominee sterren te kijken. Dit moet wel een verbijsterende indruk hebben gemaakt op de inheemse bevolking van die tijd. Een blanke man die daar zo hoog in de lucht naar het uitspansel zat te loeren, dat moest iets geheimzinnigs betekenen. Van de toren bestaat totaal niets meer en zelfs in mijn jeugd was er al niets meer van over. Hij was totaal verdwenen. Alleen een paar tekeningen van Rach laten ons zien hoe het geval er uit zag.

Het straatje, de bewuste Gang Torong was de oprijlaan naar het huis van de dominee en ontleende zijn naam aan het woord toren, dus Gang Toren, dat verbasterde tot ‘Gang Torong’.

Het woord ‘gang’ was vooral in Batavia van die tijd en zelfs nog tot aan de souvereiniteitsoverdracht in 1949 erg in gebruik. Men had er Gang Holle, Gang Secretarie, Gang Pool, Gang Scott, Gang Kanon, Gang Chasse enz. maar ook hadden bepaalde stadsdelen, namen van personen zoals Meester Cornelis en Senen. Deze naam behoorde te zijn Meester Cornelis Senen, maar men deelde deze naam in tweeën en zo ontstond het stadsdeel Meester Cornelis en het stadsdeel Senen (passar Senen). Weer een ander deel van Weltevreden (het nieuwe deel van Batavia) heette naar de bekende Javaanse arts en kunstschilder Raden Saleh en de straat waar deze man zijn landgoed had heette ook Raden Saleh.

Hollandse namen
Maar op het oude Batavia terug te komen. De mannen van Coen, die een jaar hadden moeten zeilen om op de rede van Batavia aan te komen, kregen vaak spoedig heimwee naar het ‘goede vaderland’ en zochten allerlei manieren om herinnerd te worden aan hun dierbare Holland waar zij zo ver vandaan zaten en waar zij hen, die ze liefhadden, achter hadden gelaten en mogelijk nooit meer terug zouden zien, want het land waar zij nu zaten en de lange zeereis waren niet zonder gevaren. Men  bouwde daarom zoveel mogelijk in oudhollandse stijl. Er werden ophaalbruggetjes geslagen over kalies, men gaf Hollande namen aan straten en pleinen. In mijn jeugd waren er nog de Buiten Nieuwpoortstraat, de Kalverstraat en de Koestraat, de Kaaimanstraat, Prinsenstraat, Rijswijk en Noordwijk, Molenvliet en Utrechtsestraat. Het kwam mij altijd erg vreemd voor als ik op een bordje las ‘Kalverstraat’ en ik liep onder kokospalmen en langs chinese toko’s.

Een bloederig uitje
Op het Stadhuisplein werden in de oude tijd doodvonnissen voltrokken. Dit was dan geheel openbaar en de ter dood veroordeelde stond dan op een houten verhoging aan de hand van zijn beul. Op zo’n dag dan was half Batavia uit gelopen om de voltrekking van dit vonnis te zien. Men had dan weer stof om enkele dagen over te babbelen in de kampongs. Dan kroeilde het op het grote plein van karretjes, mensen met draagbare etenswinkeltjes en publiek uit de omliggende kampongs. Vrouwen en kinderen op de arm drongen zich dan naar voren om maar niets te missen van het schouwspel. Het was een soort feestdag waarbij de toeschouwers, de nontonners, zich in hun beste baadjes hadden gestoken. In de muren van het stadhuis waren in mijn tijd nog steeds de nissen te zien waarin de steunbalken van het schavot zaten.

Het graf van Coen nog altijd niet gevonden
Het grote stadhuis dat er nu nog staat is in 1712 gereed gekomen, maar voordien stonden er nog twee, die werden afgebroken. In 1620 bouwde Coen op deze plek een stadhuis, maar in 1926 werd reeds een ander gebouwd. In dit tweede stadhuis, dat er ook niet meer is, werd Coen in 1629 begraven, zij het voor tijdelijk. Het stoffelijk overschot van de grote, uit Hoorn afkomstige stichter van Batavia, werd een tijdje later bijgezet in de eveneens op dit plein gelegen Hollandse Kerk, die eveneens niet meer bestaat en waar naderhand op die plek grote pakhuizen van de VOIC werden gebouwd.

De Oudheidkundige Dienst van Batavia heeft in de jaren 1925 – 1935 nog pogingen gedaan om in de funderingen van deze pakhuizen naar het graf van Coen te zoeken, maar er is nooit komen vast te staan of men het gevonden had. In elk geval is het zo, dat de man, wiens standbeeld nog in Hoorn staat, begraven ligt in de aarde van een stad waar zoveel groots is verricht.

Batavia Jakarta, Indonesië

Jouw verhalensite met verhalen over Indonesië. Oude en nieuwe verhalen. Om te lezen, maar ook om zelf te publiceren. Doe mee en beleef mee!