Een chinese begrafenis in het voormalige Nederlands-Indie

door:Lodewijk de Geer Boers | 1 maart 2012 |Cultuur, Overig

Bijna dagelijks vond er in het voormalige Batavia wel ergens een Chinese begrafenis plaats, niet zo verwonderlijk in een stad waar vele tienduizenden Chinezen woonden. Het waren altijd zeer indrukwekkende gebeurtenissen, die veel bekijks trokken.

Ik herinner mij dat in mijn jeugd nagenoeg alle Chinezen handelaren waren en grote en kleine handelshuizen, alsmede grossierderijen en allerlei andersoortige ondernemingen waren in hun handen. Honderden eethuizen en juwelierszaken werden door hen gedreven en de meesten van hen woonden in de zogenaamde benedenstad, ook wel genoemd het Chinezenkamp.

Opmerkelijke dracht
Het was destijds de in Batavia overbekende schilder Veldhuis, die hun huizen, vaak met een twee verdiepingen, op zijn doeken vastlegde. De witte huizen met de felrode pannendaken typeerden zijn schilderijen. Overal zag men op straat de Chinees in grote of kleine toko’s handel drijven op een wijze die bewondering afdwong. Zelfs tot in diep afgelegen kampongs trof men hen aan, handelend in allerlei zaken. Men zei wel eens dat wanneer een Chinees een gulden verdiend had, hij voor een dubbeltje at. De rest werd opgepot of geinvesteerd in een ander winstgevend bedrijfje. En zo leerde ik in dat vroegere Batavia de Chinees kennen: altijd vriendelijk en lachend, maar… met de oogjes wijd open! Veel Chinezen droegen toen nog een lange haarvlecht en het was altijd een koddig gezicht om hen te zien lopen met een rieten punthoed, ja zelfs met een zwart bolhoedje op, waaronder dan de lange haarvlecht hing. De inheemse bevolking hield om die opmerkelijke dracht hen voor de gek of stak de draak met hen. Maar de Chinees bleef glimlachen en dacht bij zichzelf: ‘Jullie doen maar…’. Toch was dit alles een heel gewoon straatbeeld en de spekslager, de ventende stofjesverkoper (klontong), alsmede de rondtrekkende dentist (toekang gigi) droegen een staart of een vlecht. Het was niets bijzonders.

Misvormde voetjes
Wie altijd wel veel aandacht trokken waren de vrouwelijke tandartsen die langs de deur kwamen op hun opzettelijk misvormde voetjes, verschrompelde aardappeltjes in zeer kleine muiltjes gestoken. In het oude China was het namelijk de gewoonte om bij meisjes de voeten te omzwachtelen met repen stevig linnen. Deze repen werden als het ware aangesjord en zelden losgemaakt. Hierdoor misvormde de kindervoet en kon niet normaal uitgroeien. In de 19e eeuw vond men dit zeer fraai, maar dat het lopen op zulke voetjes werd bemoeilijkt behoeft niet te worden gezegd. Op hun op stompjes lijkende voeten, gestoken in rood fluwelen muiltjes kwamen ze dan door de straten gedribbeld en voerden hun werkzaamheden op straat of op de achtergalerij van een woonhuis uit.

Beroepshuilers en oorverdovend lawaai
In die tijd was een Chinese begrafenis een bezienswaardigheid, omdat het geheel meer leek op een kermisoptocht, dan op een treurige stoet. Tijdens het leven spaarde men al voor een zo groot en rijk mogelijke uitvaart met veel dragers, treurvrouwen en met vooral een flink schetterend muziekkorps. De lange stoet werd voorafgegaan door een legertje mannen in geel-witte gewaden  en met puntmutsen op, direkt gevolgd door mannen met rood-wit gekleurde parasolletjes die velletjes rijs papier, beplakt met zilverpapier rondstrooiden. Daarna volgde de zware kist met het stoffelijk overschot, gedragen door wel veertig halfnaakte koelies, druipend van het zweet. Hoe rijker de overleden de was, des te zwaarder was de kist. Links en rechts van de kist liepen dan de huilebalken. Met gebogen hoofd, gehuld in witte pijen op juten zakken, een kap over het gelaat getrokken brachten ze onophoudelijk hun geweeklaag ten gehore. Een erbarmelijk “Oewééééééééhhh” en een door merg en been gaand “Hiiiiiii” vergrootte de droefenis. Tenslotte wilde men ook waar voor het honorarium dat met deze beroepshuilers was overeengekomen. Hoe hoger het huilloon, des te harder werd er gekermd en gehuild. Ditzelfde standpunt huldigden ook de leden van het orkest en ze bliezen uitbundig op hun schelle klarinetten, terwijl de slagwerkers uit alle macht de koperen deksels tegen elkaar hengsten. Horen en zien verging je. Toch was dit alles vrij indrukwekkend voor hen die de stoet gade sloegen.
Al het verkeer – en dat stelde in die jaren nu niet zo erg veel voor – stond stil. Koetsiers van sado’s spanden wel eens hun paardjes uit omdat ze bang waren dat de dieren door al dat lawaai mogelijk op hol zouden slaan. Achteraan de stoet liepen of reden in wagentjes dan de familieleden en kennissen, vaak ook in rouwklederen gestoken. Wanneer de stoet voorbij getrokken was en de koetsier z’n van de schrik bijgekomen paardje weer inspande, vochten blote kampong jochies, de katjongs, om de op straat gestrooide kleurige papiertjes, soms ook centen, te bemachtigen.

Op het kerkhof was de grafheuvel reeds gereed en de offertafels stonden klaar. Gedekt met witte lakens waren deze tafels overladen met allerlei etenswaren, snoepgoed, rokerij en andere zaken, terwijl de wierookstokjes brandden in fraaie Chineze vaasjes. De hijgende en zwetende koelies schoven dan de kist in het graf, hetgeen alweer een hele plechtigheid was.

De grafheuvel was aangelegd in de vorm van een moederlichaam en de overledene keerde als het ware terug in de moederschoot. Daarnaast werd de ingang afgesloten met een staande steen, versierd met gouden letters. De huilebalken, wiens dienst er nu bijna op zet, deden nog éénmaal hun best, aten het een en ander van de overvloedige etenswaren en reden daarna in hun wagentjes huiswaarts, de juten zakken en treurgewaden opgevouwen op de schoot of over de schouder. De werkzaamheden zaten er weer op.

Serene rust
Als jongens waren wij vaak bij zo’n gelegenheid aanwezig en daardoor kenden we de omgeving goed. Vaak was het op die begraafplaatsen stil en verlaten. Er waren prachtige vijvers vol zoetwatervissen. Er bloeiden schitterende lotusplanten vol witte en rose bloemen. En tussen dit alles spartelden honderden betoks (een soort baarsje), terwijl er ook schildpadden en slangen leefden. Griezelig was het in het geheel niet. De graven lagen zeer ver uit elkaar en wanneer de zon schitterde in de dauwdruppels op de lotusbladeren, heerste er een serene rust, waarin men een blij gevoel over zich heen kon voelen komen. Vreemd maar een verklaring heb ik hier nimmer voor kunnen vinden. Hier heerste niet de sfeer die op een Europees kerkhof aanwezig is. De omgeving gaf meer de indruk van een natuurpark met vele kokospalmen. Het kon er paradijselijk mooi zijn, alhoewel de terreinenen onder de rook van Batavia lagen.
Vooral tussen Batavia en Tangerang lagen grote kokostuinen, waartussen vele, prachtige graven van Chinezen waren aangelegd. Ook in de richting van Tandjong Priok trof men uitgestrekte tuinen van kokospalmen aan met daartussen de vele grafmonumenten.

Zo’n vierhonderd jaar geleden wees Jan Pieterszoon Coen, de stichter van Batavia, de Chinezen een eigen stadsdeel toe en waren de dodenakkers al aanwezig. En reeds toen vonden deze grote begrafenissen plaats.
De eerste kapitein van de Chinese gemeenschap in het oude Jacatra, So Bing Kong genaamd, werd in 1644 al aan de oude Jacatraweg begraven. In mijn jeugd bestond zijn graf nog.

Jakarta, Indonesië

Jouw verhalensite met verhalen over Indonesië. Oude en nieuwe verhalen. Om te lezen, maar ook om zelf te publiceren. Doe mee en beleef mee!