De sombere man

door:H van Eeckenrode | 1 april 2014 |Cultuur, Historisch

Waarde lezer, indien gij iemand nadert, hem begroet met al de beleefdheid en u aan hem voorstelt met al de hoffelijkheid, die men van u, als beschaafd mensch, kan verwachten, dan zou het zonder twijfel voor u eene hoogst onaangename verrassing zijn, zoo die persoon uw beleefdheid en hoffelijkheid slechts beantwoordde met een verachtelijk stilzwijgen; ja, het zelfs niet de moeite waard rekende, het hoofd naar u op te heffen.

Gij staart in zulk geval den man verwonderd aan, gij herhaalt uw vraagen, indien hij bleef volharden in zijn stilzwijgen, dan zou het bloed u naar het hoofd stijgen, gij ziet om u heen of er geene getuigen zijn van uwe vernedering, tot tenslotte uwe verwarring en verlegenheid overgaan in toorn en drift over deze onwaardige behandeling.

Iets dergelijks overkwam ook mij.

Ik had mij des middags, naar het residentiekantoor begeven, om eenige tekeningen af te halen, en vond er niemand, dan een ongeveer dertigjarige Europeaan, met bleek ingevallen gelaat en diepliggende oogen, hij zat neergebogen over zijn schrijfwerk voor een lessenaar bedekt met paperassen. Ik treed op den man toe, zeggende:  “Mijnheer, ik heb u, geloof ik nog niet op Silondoeng ontmoet, ik heb niet de eer u te kennen, vergun mij, dat ik mij voorstelle, van Eeckenroode mijnheer!”

Een doodsche stilte volgt op mijn woorden; ik herhaal ze- stilte des grafs. “Mijnheer” roep ik luid, hebt gij mij niet verstaan? Mijn tijd is beperkt, ik kom de teekeningen halen, die men voor mij zou gereed leggen!
Dof gebrom. “Mijnheer”, zeg ik nog luider en driftig, ‘uwe handelwijze is verre van aangenaam, zoudt gij zoo goed willen zijn, mij te antwoorden?”

Dof gebrom, de man staat op en verlaat met haastige korte schreden het vertrek, mij in een niet zeer benijdenswaardige toestand achterlatend. Na een poos, met de oogen strak op de deur gericht, gewacht te hebben, bleef mij niets anders over, dan mij eveneens te verwijderen, op mij toepassende  de versregel:  “Comme il etait venu s’en retourna chez soi”.

Nauwelijks was ik buiten het vertrek en betrad reeds de breede galerij, die het geheele lage witte gebouw omringt, of ik hoorde weder voetstappen in de zaal, die ik had verlaten: de zwijgende man had dus mijn vertrek afgewacht, om daarna weder zijn arbeid te vervolgen.

Men begrijpt, dat dit voorval mijne nieuwsgierigheid in de hoogste mate prikkelde en dat de vreemde man al mijne gedachten in beslag nam.

Wie was hij, vroeg ik mij af, waarom bleef hij zwijgen? Waarom antwoordde hij niet op alles, wat ik hem had toegevoegd. Was zijne handelwijze een uitvloeisel van trotschheid, van minachting, van gebrek aan opvoeding of beschaving, was zij te wijten aan verlegenheid, of wel: was de man een menschenhater?

Hoe het zij, ik besloot dit alles te onderzoeken en eerst eens te vernemen, wat de overige Europeanen van hem dachten. Ik nam zelfs een hardnekkig besluit, zoolang den man lastig te vallen en toe te spreken, tot hij zijn stilzwijgenverbrak en: òf mij rekenschap gaf van zijn gedrag, òf met mij op vertrouwelijker voet wilde geraken.

Indien de man eens werkelijk een mensenhater ware, dan had hij voorzeker gewichtige redenen voor zijn zonderling gedrag, dan verdiende hij al mijn belangstelling en medelijden.

Op den weg naar mijne woning ontmoette ik Burgers, wien ik het zonderlinge avontuur verhaalde. Burgers lachte en deelde mij mij het volgende mede: “Wel van Eeckenrode, dat is Zonneloos, ik heb ook iets dergelijks met hem beleefd. Ik kom eens op het residentiekantooren zie daar den goeden man zitten:

“Goeden morgen, mijnheer” zeg ik: de man geeft geen kik. “Goeden morgen, mijnheer” roep ik nog harder: weer geen antwoord. “Zijt ge doof mijnheer, hebt gij mij niet verstaan, zijt ge soms bezig naar uw tong te zoeken?” De man blijft stom als en visch. De Resident bezocht juist het kantoor en komt binnen, hij had mijn laatste vraag gehoord en vermoedde, hoe de vork aan den steel zat.

“Mijnheer Zonneloos” roept hij, “ik verlang dat op mijn kantoor de beleefdheid in acht genomen worde. Hebt gij niet gehoord, dat die heer u aanspreekt?” De zwijgende man staat op, kijkt mij aan met groote opgesperde oogen en zegt snel en met fluisterende stem: “Dank u mijnheer, goeden morgen, het gaat mij goed”., daarna schrijft hij weer voort, alsof zijn leven er mede gemoeid ware. “Loop naar de maan” dacht ik, “wilt gij niets zeggen, goed, dan zeg ik ook niets”.

“Hebt gij nooit iets vernomen, mijnheer Burgers, omtrent de oorzaken van zijne schuwheid?” “Ja, daarover doen verschillende verhalen de ronde. Er moet een meisje in het spel zijn, enfin, een heel gewone roman, zoo als gij er dagelijks kunt lezen: Kennis gemaakt, verloofd, ontrouw bij het meisje, wanhoop bij den jongeling, meer niet. Zonneloos trekt zich zoo iets veel te zeer aan; er zijn toch wel andere meisjes op de wereld! Verbeeld u eens, dat ik over elk meisje, waarmede ik ben verloofd geweest, had moeten kniezen, zooals Zonneloos! Ik griezel als ik daaraan denk!

Meer weet ik niet van Zonneloos, want ik stel verder weinig belang in hem. Ik houd van vrolijkheid en van vrolijke menschen, aan kniezen heb ik een broer dood!”

Burgers maakte mij niet veel wijzer, daarom wandelde ik ’s avonds naar den ‘boom, waar ik wist, dat meestal eenige Silondoengers den frisschen zeewind genoten op de houten banken, onder het afdakje aan het eind van den steiger.

Ik ontmoette er den kapitein, twee luitenants, den schoolmeester en een klein renteniertje, gewezen ambtenaar. Zij verdreven den tijd met het verhalen van liederlijke anecdoten en vermaakten elkaar met het opdisschen der verachtelijkste, meest zedelooze avonturen uit hun leven, want nergens zal men meer onbeschaamdheid aantreffen dan bij de Europeanen in Indië; hoe dat komt?

Misschien doordat de Hollander in Indië meer zijn gewone ondeugden, bandeloosheid en onbeschaafdheid waarmede zelfs de meer welgestelde klassen behept zijn, kan botvieren? Misschien ook door verveling? Wat de oorzaak ook zij, niets is verrassender, dan de personen waarmede gij hebt kennisgemaakt en die indruk op u maakten door hun flink gestreng of mannelijk voorkomen, door uiterlijke beschaafdheid en wetenschap zoo, in een onderonsje de liederlijkste taal te hooren uitbraken.

Ieder die op de boot naar Indië  heeft kennis gemaakt met een aantal veelbelovende jongelieden, welke toevallig tegelijk met hem reisden, zal weten, dat zij deze fijne beschaving reeds uit Holland meebrengen.

Als alle anecdoten waren uitgeput voerde de kapitein, een man met een deftig martiaal uiterlijk die onophoudelijk met de rijzweep tegen zijne kuiten sloeg, zoodat  daarop een aantal bruine streepjes ontstonden, een zeer geleerd gesprek over krijgskunde, menschelijkheid, over de Atjeh oorlog, over de bevolking; waarbij de schoolmeester, die in zwart lustre jasje gekleed was, met effen gelaat hem telkens onderbrak, teneinde met afgepaste stem, het juiste jaartal te noemen, den juisten datum aan te geven, of, door eenige hoogst wetenswaardige opmerkingen, een beter licht over de behandelde zaak te doen schijnen.

“Ja” sprak de kapitein die vroeger aan mij was voorgesteld als : kapiteit Slamaar, “het is een harde wet , een wet der menschheid, een wet der moderne beschaving, het is een noodzakelijk iets: ieder volk, dat zich niet wil beschaven, dat zich niet wil schikken naar de wetten der hedendaagsche samenleving, moet verdrongen of uitgeroeid worden. Het klinkt voorzeker hard , edoch, de noodzakelijkheid gebiedt het.”

“Mijnheer Slamaar”, sprak het kleine renteniertje, “ik ben het niet met u eens. Ieder volk heeft recht van bestaan op den grond, welken zijne voorvaderen zich met veel inspanning verworven hebben; ieder volk , hoe weinig ontwikkeld ook, moet met vrede gelaten worden. Wil men het tegen zijn wil, beschaven, of, wat gelijk is, aast men op de schatten, die zijn land bevat en maakt men het bekend met gouddorst, geweer en jeneverflesch dan vind ik dit een daad van echt wandaalsche onbeschaafdheid.”

Terwijl het goede mannetje dit zeide tot den kapitein, had deze zich in een druk, halfluid gesprek gewikkeld met den schoolmeester.

“Mijnheer”, sprak de kapitein, “ik herhaal het, ’t is eeene wet der moderne beschaving, daar is niets aan te veranderen. Doch het is natuurlijk, dat gij,  die in Indië geboren en steeds een heel gewoon ambtenaartje geweest zijt, met mij van meening verschilt. Gij hebt niet die blik op de Europeesche staathuishoudkunde, waarmede wij haar beschouwen.”

“Neen”, voegde de schoolmeester erbij, “ik geloof niet dat gij de minste notie hebt van staathuishoudkunde”. “Ook in andere zaken bijvoorbeeld”, hernam Slamaar, is uwe meening geheel anders dan de onze. Gij hebt uw slaafschen eerbied voor hooggeplaatste ambtenaren, gij luistert naar het geringste woord dat zij spreken alsof hun taal orakeltaal ware; dat komt omdat gij als gewoon ambtenaartje, met die denkbeelden zijt opgegroeid en men u geleerd heeft, uwe meerderen als halve godheden te beschouwen. Wij , integendeel, zijn vrije hollanders, die even onbevangen ons oordeel uitspreken over den gouverneur-generaal, als over den minsten regeeringsklerk.Wij laten onze tong niet aan banden leggen, (of dwang uitoefenen op onze meening).”

“Juist , mijnheer Slamaar,” sprak de schoolmeester , de Hollanders zijn een vrij volk, een hoogst intellectueel, onafhankelijk ras.” Het arme renteniertje zweeg en de kapitein wendde zich schouderophalend en na zijn kuiten eens duchtig met de rijzweep gegeeseld te hebben,  tot een der luitenants.

Zoo ging men voort met kibbelen en elkaar te beleedigen, tot het mij gelukte, het gesprek op Zonneloos te brengen.

“Zonneloos”, sprak de deftige kapitein, “Zonneloos, drommels Zonneloos? Dien man ken ik niet. Is hij misschien den persoon, die iedereen voorbijloopt, zonder te groeten of zelfs aan te zien? Met zulke lieden laat ik mij niet in.” En hij schermde met de zweep door de lucht, leunde blaasfluitend achterover en wijdde al zijne aandacht aan de asch van zijn havanna.

“Ik heb hem dikwijls ontmoet” zeide de schoolmeester, hij heeft mij eveneens nimmer aangezien of gegroet, doch, als ik zulk een vreemd persoon ontmoet, maak ik van hem een onderwerp van belangwekkende studie, hoewel in den laatste tijd mijne bezigheden- de man had een klas van vijf kinderen- mij niet toestaan , veel aandacht aan hem te schenken. Hij is een psychologisch vraagstuk, zèer interessant.

Ik geloof dat  hij menschenhater is: er moet in zijn leven iets zijn voorgevallen of, hij moet iets ondervonden hebben dat op heel zijn wezen een ontzettenden indruk heeft gemaakt. De man woont moederziel alleen in een armzalig inlandsch huisje , heeft noch bedienden, noch huishoudster, kookt zelf zijne spijzen en leeft als een paria. Toch moet hij zeer ontwikkeld zijn en voortdurend studeren”.

“Ik ben eens zo dwaas geweest hem te groeten” sprak luitenant  Poedel, “en hij liep mij voorbij , zonder mij een blik waardig te keuren. Ik loop den kerel na, om hem rekenschap te vragen over zijn beledigend gedrag, doch hij stapt zijn huis binnen en slaat de deur voor mijn neus dicht. Dit maakte mij woedend , ik sla en schop tegen de deur, om toegang te verkrijgen. Opeens wordt zij geopend en verschijnt Zonneloos . Hij kijkt mij aan met den blik van een verscheurend dier en richt een revolver op mij. “Kwajongen” zeide hij, ja, hij durfde mij te beleedigen, “gij zijt in mijn huis, ik verzoek u, oogenblikkelijk heen te gaan.”

“Mijnheer” zeg ik. “berg nu dat glimmende ding maar weg , voor zoo iets ben ik weinig bevreesd, doch ik zal heengaan, een man als gij verdient trouwens niet de aandacht van beschaafde menschen.” “Hebt gij dat werkelijk gezegd, mijnheer Poedel” vroeg luitenant Raker.

“Hebt gij den man niet geantwoord dat hij de plank missloeg, toen hij u kwajongen noemde, vroeg kapitein Slamaar. De luitenant zweeg.

“Wat er van zij’ sprak luitenant Raker, als ik Resident was, zou ik dien man oogenblikkelijk ontslaan. Wie weet, wat hij voor individu is, misschien heeft hij wel een moord of iets dergelijks op het geweten!

Ik verliet het gezelschap en sprak en sprak een oogenblik later van Zon, een kleine grijze sinjo die mede met Zonneloos op het residentiekantoor werkzaam was. Hij wist me iets meer mede te delen.

“Mijnheer”, zeide het mannetje, een raar man hoor, heel raar, ja? die mijnheer Zonneloos. Hij spreekt tot niemand en schrijft maar den geheelen dag door, hij kijkt niemand aan. Alleen als de resident of de secretaris hem iets opgeeft, antwoordt hij, hij mòet dan wel spreken, ja?

Toch  werkt hij het beste en het meeste van ons allemaal; en knap, mijnheer , zoo knap, veel knapper dan de resident of de dokter, oh! Veel knapper nog. Een vreemd man , ja? Hij schijnt verdriet te hebben, erg veel verdriet. Kasihan! Maar ik durf niet vragen, wat het is, want ik ben bang voor hem mijnheer. Hij kan u zoo scherp aankijken, dat ge er wit van wordt. De inlanders zijn ook bang voor hem, als hij maar met den vinger wijst, dan vliegen ze. Maar het gebeurt niet dikwijls,  dat hij iets noodig heeft. Ook luitenant Poedel, u kent hem , ja? was eens erg bang voor hem. Hij liep hem na en klopte en schopte tegen de deur van zijn huisje en toen kwam mijnheer Zonneloos buiten en hield hem een pistool voor, een echt pistool, ja? met kogels !

Ik zag het, want ik was in den kampong, over het huisje van mijnheer  Zonneloos, om iets te koopen in een warong. En d luitenant werd wit, zòo wit, en liep zoo hard weg, dat het grappig was om te zien. Maar u moet het maar niet vertellen, hoor!”

“Gelooft gij, dat hij slecht is, van Zon, en misschien iets verrricht heeft, waarover hij zich nu schaamt? Kan zijn boos geweten niet de oorzaak zijn van zijne schuwheid?” “Oh neen, dat geloof ik niet, hoor, hij is goed, erg goed, ja? Maar hij heeft verdriet, erg veel verdriet waarover hij altijd loopt te pikiren” ( Pikir=nadenken). Ook de inlanders, die naast hem woonden, wisten niets anders te vertelllen, dan dat hij kwam en ging, zonder hen ooit aan te zien.

Eens slechts had hij een heel klein meisje, dat op den trap voor zijn huisje zat, toen hij tehuiskwam , zachtjes opgetild en op den grond gezet, nadat hij het een kus had gegeven; doch dit was slechts éénmaal gebeurd, na dien tijd had men ’t hem nooit meer zien doen. Er kwam niemand dan een oude waschman, om het linnengoed te halen of te brengen en die tevens op den pasar alle levensbenoodigdheden kocht. Voor vrouwen was hij zeer bevreesd: ontmoette hij eene inlandsche, dan week hij terzijde uit en schoof haar op zoo grootmogelijken afstand voorbij, doch  kwam hij eene Europeesche tegen, dan keerde hij terug, of maakte een grooten omweg door den kampong.

Hiertoe bepaalde zich hetgeen ik kon te weten komen, aangaande den geheimzinnigen Zonneloos. Ik besloot daarom, op den man zelf een aanval te beproeven, zoodra zich een gunstige gelegenheid zou voordoen.

—-

Opm: Oorspronkelijk verhaal van H. van Eeckenrode (deel III uit de reeks Verhalen van Silondoeng). gedigitaliseerd door P. Lemon

Jombang, Oost-Java 61476, Indonesië

Jouw verhalensite met verhalen over Indonesië. Oude en nieuwe verhalen. Om te lezen, maar ook om zelf te publiceren. Doe mee en beleef mee!