De rovers van het bergmeer

door:Lodewijk de Geer Boers | 15 maart 2012 |Avontuur, Natuur

De rovers van het bergmeerTen Noorden van de bergstad Bandung, liggen een aantal grote bergen waarvan de vulkaan Tanguban Prahu en de Boerangrang wel de voornaamste zijn. In het dal tussen deze twee bergen ligt een enorm stuk oerwoud waar doorheen verscheidene  smalle voetpaadjes lopen. Slingerende, platgetrapte paadjes zijn het van enkele tientallen centimeters breed, ontstaan door houtskoolbranders en houtsprokkelaars ui de dessa’s Tjisaroewa, Wanajassa en Prompong. Vele uren lopen heeft de dessabevolking er voor over om elkaars familie te bezoeken of om inkopen te doen in andere oorden. Alle tijdens zo’n tocht voorkomende ongemakken worden dan voor lief genomen, want dwars door het oerwoud kort men de vaak grote omwegen voor een groot deel in. Men trotseert de vele schorpioenen, welke hun schuilplaatsen hebben in dood hout, de patjéts oftewel bloedzuigers, de kleine doch venijnige tijgerkat met zijn goudgele en bruingevlekte vacht, de vele soorten slangen, giftig en niet giftig, doch vooral de apen.


Lekkernijen
De apen die in dit deel van het regenwoud leven, zijn al jaren gewend aan de zo nu en dan voorbij komende kampongmensen of weg van of naar de markt om inkopen te doen, of om een ver familielid in een andere dessa op te zoeken. Uit ervaring weten deze dieren dat in de slendang, welke de vrouwen doorgaans bij zich hebben, veel eetbare zaken worden meegedragen zoals rijst, gedroogde vis en vlees, vruchten en andere lekkernijen. Ook de op het hoofd gedragen manden hebben altijd de volle aandacht van de slimme apen, welke bij de bevolking bekend staan onder de naam ‘soerilie’.

Het oerwoud
In de jaren 1932 – 1939, toen ik werkzaam was op de theeplantage Soekamadjoe, stond mijn bamboe woning niet ver af van de rand van dit uitgestrekte, dichte oerwoud. Het was er donker, kil en vochtig. De enorme Quercusbomen (Indische eik), de poespa en saninten, streden met elkaar om hoog boven de kruinen wat zonlicht op te vangen. De stammen waren begroeid met de fraaiste varens en orchideeën terwijl lange lianen tot op de bemoste bodem hingen. Er slopen boskatten, stinkdieren, stekelvarkens en grote vliegende eekhoorn rond. Tijgerkatten probeerden dwerghertjes te bemachtigen en hoog in de bomen kropen zo nu en dan enkele spookdiertjes rond. Hulpeloos door het daglicht dat hier en daar door het gebladerde heendrong, kropen ze dan langs de takken van de bomen. Diertjes zo groot als een kat waren het, met grote schrikachtige ogen, behorend tot de familie der half apen.
Als pijltjes schoten de honingzuigertjes en colibries tussen de boomstammen door van bloem tot bloem om met hun lange, dunne tongetjes de honing op de zuigen.

Gemene meelifters
Geregeld kwam ik in dit bos maar moest dan wel altijd zorgen dat m’n kleren goed gesloten waren voor de binnensluipende bloedzuigertjes, die als kleine zwarte druppels aan de onderkant van het onkruidgebladerte op de loer hingen. Zodra er een wambloedig wezen over de paadjes liep, wisten deze bloedzuigers zich bliksemsnel aan de kleren of de vacht van hun prooi te hechten en zochten dan een ingang naar de huid alwaar ze zich tegoed deden aan het warme bloed. Merkwaardig was altijd het verschijnsel dat men van hun aanwezigheid totaal niets merkte. Bij voorkeur zogen de dieren zich vast vlak onder de broekriem of op de buikwand. In een aantal minuten wisten ze zich dan van de grootte van een luciferkop tot die van een flinke pruim vol te zuigen en lieten zich dan vanzelf vallen. Met buskruit, tabak en spaanse peper kon men de beestjes ook wel eerder loskrijgen, maar het van de huid aftrekken, veroorzaakte vaak gemene wondjes.

Een griezelige stilte
In dit bos was ik op een dag ver doorgedrongen op weg naar het eenzame bergmeer Sitoe Lembang, waar in een planken huis de Inlandse wachter van het meer met zijn vrouw en twee dochters woonde. Van de bewoonde wereld afgesloten leefden het viertal hier in alle eenzaamheid. Zo nu en dan werden er wat zoetwatervissen uit het meer gevangen welke als bijgerecht bij de rijst dienden.

Toen ik in gezelschap van mijn twee koelies eindelijk de oever van het uitgestrekte meer had bereikt, zagen we direct dat er rook tussen de bladeren van het dak opsteeg. De hut, op palen gebouwd, was stevig van constructie en had een atap-da. De opstijgende rook bewees me dat er mensen thuis moesten zijn, maar het tegendeel was waar. Er was niemand. Alles was doodstil en slechts het geluid van scharrelende kippen onder het huis was hoorbaar. Enkele malen zijn wij om het huis heen gelopen, maar alles bleef stil. Binnen in het huis sloeg een gekko z’n aantal slagen: ‘Gekko, gekko, gekko, gekkoooo…’ en dan weer die vreemde stilte.

Meerdere malen was ik hier reeds geweest, maar nimmer was het hier zo stil en verlaten. De blauwe, nevelige rooksliert van het houtvuur binnen, die uit het dag wegdreef, deed mij vermoeden dat men tijden het koken in allerijl de zaak hadden achtergelaten. Er moest iets aan de hand zijn geweest en nogmaals liepen wij om het huis heen. Er stond een bamboe deurtje op een kier en kraakte, door het zachte bergwindje bewogen , in haar roestige scharnieren. In een hawoe, een soort van stenen en klei vervaardigd houtfornuis, smeulden enkele houtblokken die nog niet lang tevoren op het vuur waren gelegd.

Wachten
We zijn naar de oever van het meer gelopen en hebben geroepen en geschreeuwd, doch slechts onze eigen stem weerkaatste tegen de steile bergwanden terug. Het bleef stil. Griezelig stil. Een grote, zilverkleurige vis, spartelde wild in het water en sprong in de lucht, viel terug in het meer en liet een alsmaar groter wordende kring achter. Met ons drieën zijn we op het trapje van de woning gaan zitten. Wachtend op de dingen die zouden komen. Het met veel gedruis overvliegen van een koppel blauwe reigers deed ons schrikken en weer luisterden mijn koelies met de handen achter hun oor naar eventuele geluiden die uit het bos kwamen. Maar er kwam niets en we hoorden niets dat op de nadering van mensen kon duiden. Een voor een liepen we naar de waterkant om te roepen, maar het had geen resultaat.

Reeds enkele uren waren wij hier en donkere wolken pakten zich samen boven de top van de Boerangrang. Het werd killer nu de zon schuil ging achter de loodgrijze wolk en wij dachten er net over om naar binnen in de hut bij het houtvuur de komende dingen af te wachten, toen wij uit het bos vaag het geluid hoorden van slaan op pannen of blikken. Het werd sterker en sterker dat getrommel en op een gegeven moment hoorden wij ook verre stemmen. Praten, schreeuwen, huilen was het. Dit moesten de bewoners van de hut zijn, dat kon niet anders.

Opeens stonden ze daar, tussen de bemoste bomen te voorschijn gekomen. De vader met z’n twee dochters met tussen hen in strompelend de oude moeder. Haar kleren waren gescheurd, de sarong aan flarden gerukt en het haar loshangend over het met bloed besmeurde gezicht. De man en zijn dochters, verontrust over het zeer lange wegblijven van de vrouw, zijn uiteindelijk gaan zoeken langs het kronkelende bergpaadje dat de vrouw was gegaan om in de dessa Wanajassa zout, rijst en gedroogde vis te kopen. Dat deed ze elke week en kocht dan tevens olie voor het lampje alsmede tabak en betelnoten. In de slendang werd dan alles huiswaarts gedragen. Dat ging altijd goed, tot op deze dag.

Aangevallen door brutale apen
De man en de dochters hadden de vrouw gevonden langs het pad. Huilend en roepend, beroofd van alles wat zij in haar draagdoek op de rug bij zich had. lag ze daar met bebloed gelaat en gescheurde kleren. Lange krassen over de wangen en beten in de bovenbenen, waren het bewijs dat ze was aangevallen door een bende apen. Geruime tijd hadden de dieren de vrouw achtervolgd en uiteindelijk de moed verzameld haar met z’n zevenen aan te vallen. Ze zagen dat de vrouw alleen was en allerlei etenswaren bij zich had.

Zo goed en kwaad als het ging hebben we het arme mens geholpen door haar wonden te wassen met lauw theewater en haar man op het hart gedrukt zijn vrou nooit meer het bos in te laten gaan zonder zijn begeleiding. De volgende morgen ben ik alleen, gewapend met een formidabele tuinstok terug gegaan naar het huis aan het meer om de vrouw met medicijn te behandelen en haar het nodige eten in de vorm van rijst, zout, een blik vlees en wat gedroogde vis te brengen, want ze hadden daar nu niets te eten. Met mijn vrachtje in een grote rieten tas ben ik het bos weer ingedoken op weg naar de mensen die nu in moeilijkheden zaten doordat brutale, hongerige apen de vrouw hadden aangevallen en haar van alles hadden beroofd.

Loerend vanuit de hoge bomen
Ik heb ze op mijn tocht gezien, de donderstenen. Hoog boven in de bomen sprongen ze geruisloos van tak tot tak, alsmaar loerend naar het voetpad beneden hen, waar ik liep. Als ik stil stond, verscholen ze zich achter grote Scindapsusbladeren. Alleen hun lange staarten waren zichtbaar. Dan smeten ze een stuk boomschors of een pit naar beneden  om te zien wat dit voor uitwerking had.

Ze lieten het wel uit hun hoofd om naar beneden te komen, want ze hadden al direct in de gaten dat het een manspersoon was die daar beneden liep. En dan die lange stok die hij bij zich had, dat vertrouwden ze in het geheel niet. Ze schenen duidelijk onderscheid te kunnen maken tussen mannen en vrouwen en wisten dat vooral mannen altijd wapens in de vorm van stokken en kapmessen bij zich hadden. En toch, hoe gevaarlijk apen ook waren, altijd heb ik een afschuw gehad zo’n dier dood te schieten en hield ze liever met een eind hout van het lijf, want uit ervaring wist ik dat het doodschieten van een aap, vooral wanneer het dier een jong bij zich heeft, een vreselijke ervaring is. Voor een stuk hout zijn ze even benauwd als voor een geweer.

Van ervaren jagers, die er niet tegenop zagen apen neer te schieten, hoorde ik verhalen van apen die in hun val uit een boom, hun jong in de armen van een soortgenoot wierpen om het te redden. Afschuwelijk heb ik dit altijd gevonden, hoewel ik weet hoe lastig, brutaal en gevaarlijk de dieren kunnen zijn.

Rovers
Een kleine landbouwer bij mij in de buurt, had een flinke maisaanplant aan de bosgrens. Steeds weer werden er nieuwe stukken grond met maiskorrels ingezaaid, maar nauwelijks was het werkvolk naar huis vertrokken, of hele drommen apen, die in de duisternis van het woud alles hadden gadegeslagen, kwamen uit hun schuilhoeken en begonnen uit alle macht de gele maiskorrels uit de aarde te graven met als gevolg dat er grote stukken grond onbepland bleven. Dan werden er een paar van deze apen neer geschoten en hun dode lichamen als afschrikwekkend voorbeeld aan een lange bamboestok in de maisvelden gehangen. Met een onprettig gevoel heb ik op mijn wandeling naar de theetuinen wel gekeken naar die uitgedroogde lijken die daar maar hingen in de blakende zon. Dan kwamen ze niet meer terug de rovers, maar als dan na enkele maanden de maisplanten groot waren geworden en heerlijke, malse kolven droegen, begon de narigheid weer van voren af aan.
Dan werden niet de zaden uit de grond gepeuterd, maar de kolven van de planten geroofd waarbij enorme ravages werden aangericht en ja, … dan ga je tot de ergste maatregelen over, hoe naar het ook is.

Grote dankbaarheid
Het was nog vrij vroeg in de morgen toen ik bij de hut van de mensen aan kwam met het eten en het medicijn. Alles zag er anders uit. De zon scheen tussen de bomen door op een stukje grasveld waarop enkele kippen scharrelden. Alles was vrolijker dan de dag tevoren en de vrouw was al bezig met het hakken van houtspaanders.

Dolgelukkig aanvaarde de vier mensen mijn meegebrachte etenswaren waaronder ook wat koffie, suiker en thee. Met zalf en poeder heb ik de wonden van de vrouw behandeld en ben, na nog een glas hete thee te hebben gedronken, huiswaards gekeerd. Weer het bos in en weer langs al die loerende ogen hoog in de bomen. De man bracht mij een heel eind het bospad op en nam toen afscheid van mij met grote dankbaarheid voor alles wat ik voor hem en zijn gezin had gedaan.

Waardering
Maanden later, ik was alles haast vergeten, stonden op een goede dag de man en de vrouw uit de hut aan het bergmeer diep in het bos, voor mijn deur. Als dank voor alles wat ik voor hen had gedaan, brachten ze vis, een paar kippen en vruchten voor mij mee. De kippen hebben nog jaren in alle vrolijkheid over mijn erf gelopen en eieren gelegd. Zo ondervond ik voor de zoveelste maal in mijn Indische bestaan weer eens hoe een kleine, welgemeende hulp voor mensen, hoe ver ze ook van de bewoonde- en zogenaamd beschaafde wereld afwonen, wordt gewaardeerd.

Dit alles is nu een kleine vijftig jaar geleden. Van vrienden, die nog in Indië, het huidige Indonesië wonen, krijg ik berichten dat het bergmeer nog bestaat, doch dat de uitgestrekte bossen zijn gekapt. Weggehakt tot ver in het dal tussen de Tangguban Prahu en de Boerangrang. Het is er nu kaal en de hut van de waker is geruime tijd geleden afgebrand. ‘De rovers van het bergmeer’, de apen, zijn verdwenen. Verjaagd door de oprukkende ontbossing. Een halve eeuw is het geleden dat ik daar liep en niets herinnert meer aan hetgeen ik daar mee heb gemaakt en beleefd.

Aap, natuur Bandung, Kota Bandung, West-Java, Indonesië

Jouw verhalensite met verhalen over Indonesië. Oude en nieuwe verhalen. Om te lezen, maar ook om zelf te publiceren. Doe mee en beleef mee!