De legende van de Batok en de Semeroe

door:Annelies Eijsbroek | 29 mei 2012 |Legende, Natuur, Romantiek

Djoewita was schoon; rein als de heldere beek, slank als de jonge djeroekboom. Lieflijk waren haar tortelduivenogen en zwellend haar jonge boezem, onder ’t lichtend  gouddoorweven kleed, dat zij als godendochter droeg. In haar blauwzwarte haren – geurig van melatti – stak een diamanten naald die heerlijk was om te zien als de stralen van de rijzende zon. In haar gemoed woonde vrede en zachtheid, op haar lippen was honing en in haar handen lag liefkozing.

Haar vader, de god van de Semeroe, had haar lief met heel zijn trots en onbuigzaam hart, dat voor anderen gesloten bleef, maar zich opende voor Djoewita, omdat zij de dochter was van zijn liefste Dewi (godin); omdat zij de jongste, de enige was van zijn kinderen, die hem overbleef. Al de anderen had de wrede Bromo verslonden. Allen tegelijk, toen hij zijn vurige, hongerige muil opende.

In de Tengger woonde een godenzoon, een reus, groot als een berg, krachtig en dapper als een leeuw, maar gedwee en zacht als een lam, zodra de tortelogen van Djoewita op hem rustten; zijn naam was Raksasa.
“Machtige god!” sprak Raksasa, beheerser van de Semeroe, schitterende zon van macht en majesteit, geef mij uw dochter Djoewita tot vrouw, opdat ik haar liefhebbe met mijn hart, haar beschutte met mijn sterke arm en haar lofzinge met de adem mijns monds. Geef mijn uw kind en ge zult weer kinderen van uw kind, krachtige loten van uw oude stam zien spelen aan uw voeten en klimmen naar uw troon, buigend voor uw grote macht, lovend uw goedheid!”

De god van de Semeroe, reeds oud en moe van ’t leven, streek zijn lange, grijze baard, zag de fiere reus somber aan en antwoordde niet. “Heer, geef uw dienaar antwoord opdat zijn binnenste warm wordt voor u, de vader van de reinste, de lieflijkste van allen, opdat hij u dienen kan als uw slaaf. Zie ik ben sterker dan velen te samen. Mijn armen zijn voor u, als mijn hart Djoewita heeft”.

En de berggod overlegde in zijn ziel dat Djoewita zijn oogappel was, de zonnesprank in zijn leven, en dat hij haar niet van zijn zijde kon laten gaan, zonder zelf onduldbaar te lijden, maar hij wist dat Djoewita de reus liefhad, om zijn sterke, onoverwinnelijke kracht, om de innige goedheid van zijn hart en de eerbied die alle reuzen hem betoonden. In zijn binnenste streed de vader tegen de god, die slechts één wil kent, de zijne. Hij zocht een akal (list), beiden tevreden te stellen en Djoewita te doen geloven, dat hij haar wilde geven wat zij wenstte.

Toen sprak hij: “Raksasa, ik ken de sterkte van uw arm, de vastheid van uw voet. Luister naar de woorden die ik spreken zal. Djoewita zal de uwe zijn, wanneer u hier, rondom mijn gebied van de Semeroe, in één nacht een zee graaft, duizend voeten diep en duizend voeten wijd aan alle zijden, zodat de Bromo zijn vuur niet meer werpen kan op de rustbank mijner voeten. Kunt u dat?”
“Voor Djoewita zal ik alles kunnen!”
“Maar zodra het eerste hanengekraai wordt vernomen, moet u gereed zijn”.
“Ook dit zal ik kunnen – om Djoewita!”
“Blijft u steken in de arbeid, dan verander ik u in steen en u zult duizend jaren lang steen blijven, totdat de dag komt dat ik mijn berg moet verlaten voor de Soeralaja (het hemels godenverblijf).”
“Verheven god van de Semeroe, ik wil steen zijn als Djoewita mijn vrouw niet wordt, niet duizend jaren, maar duizend maal duizend jaren!”
“Begin dan deze nacht, als het oog van de dag zich sluit.”
“Beveel, machtige god! Uw dienaar is gereed – maar zult u ook niet uw hand leggen op de mijne, als u ziet dat ik volbreng wat ik beloof?”
“Raksasa! – de god van de Semeroe heeft maar één woord!”
“Dan wordt uw dochter mijn vrouw!”
“Zo zij het Raksasa!”

En toen de zon gezonken was en uitgeblust in de zee, die in ’t noorden ligt, nam de reus een reuzenklapperdop, een batok zooo groot, dat hij alleen die tillen kon, en groef met haastige handen een zee, rondom de Semeroe.
En Djoewita zat in haar maligai (vrouwenverblijf) en luisterde naar de dreunende geluiden uit de verte. En iedere keer als zij hoorde hoe Raksasa een batok vol zand en steen over de bergen wierp, sprong haar hart op van vreugd en juiste haar mond: – Hij is sterkt mijn reus, hij zal overwinnen!
Maar haar vader streek zijn baard en iedere batok vol aarde en rots die op de bergen neerdaverde, dreunde na op zijn hart – want hij wilde Djoewita niet missen.

Raksasa werkte voort en groef verder – de maan scheen reeds op een mijlen grote gapende kuil, rondom de Semeroe. En de reus groef verder, de zee zou met het aanbreken van de dag gereed zijn; hij wiste zich het zweet van zijn gelaat en droogde zijn voorhoofd onder de lange zwarte haren. Nog maar één berg was te verlagen, nog maar  één heuvelreeks weg te graven en Djoewita zou de zijne zijn!

Haar vader streek zijn baard en peinsde – hij mocht zelf niet tussenbeiden komen, dat had hij beloofd – en geen één haan kraaide er nog. Zou hij dan toch zijn dochter moeten geven? Hij wilde haar niet missen – zijn schone parel! In zijn hart klopten angst en vrees, maar in zijn hoofd was list. Reeds kwam er iets roods aan de kim – nog één half uur en…. hij ging achter zijn huis, nam de stamper en begon rijst te stampen in het rijstblok, zoals de inlanders ’s morgens doen in de vroegte.

Dadelijk kraaide in een kandang een haan, misleid door dat stampen – en de andere hanen antwoordden uit de verte! Raksasa hoorde die noodlottige stemmen, de laatste schepper vol steen en zand, die hij uit wilde strooien, ontviel zijn hand, bleef omgekeerd liggen, midden in de wijde ruimte, die hij reeds gegraven had en ligt daar nog – de “Batok”.
Wanhopig viel hij neer, krom gewerkt en moe; hij zuchtte uit de diepte van zijn goed, warm hart – o Djoewita! – en hij werd tot steen. Duizend maal duizende jaren moet hij zo blijven; over zijn gekromde rug waait de wind en geselt de regen, maar de tjemarabomen ruisen smartelijk om hem heen met hun sidderende tongen: “Raksasa! Raksasa!” Dat is de stem van Djoewita, die zij klagend weergeven, want de lieflijke is dood, al eeuwen lang. Zij is gestorven in dezelfde nacht, toen haar reus tot steen werd. De god van de Semeroe – is sindsdien een kluizenaar, die niet meer uit zijn berg komt, die wachten moet – tot de de duizend maal duizend jaren om zijn en hij berouwvol Djoewita’s geest met die van Raksasa kan verenigen.

En iederen keer als er een haan kraait, voelt hij een hevige pijn in zijn hart en steunt en hijgt hij benauwd en lang, zodat zijn adem uit de berg stijgt, zwart als zijn ziel!

Uit het boek:
Indrukken van een “Tòtòk.”
Indische typen en schetsen
door: Justus van Maurik, geb. 1846, overleden in 1904.

Uitgeverij Van Holkema & Warendorf – Amsterdam

Justus van Maurik was een typische Amsterdammer, hij kreeg eerst bekendheid als schrijver van kluchten en blijspelen. In 1878 verscheen zijn eerste novelle Mie de porster. Honderden verhalen volgden. Van Maurik wist zijn lezers een lach en een traan te ontlokken; een lach met zijn geestige schilderingen van volkstypes, een traan met zijn ontroerende verhalen.

Van Maurik was een van de redacteuren van het in 1877 opgerichte De Amsterdammer (een dagblad voor handel, industrie en kunst), dat tegenwoordig als weekblad De Groene Amsterdammer verschijnt.

 

Legende, vulkaan Indonesië

Jouw verhalensite met verhalen over Indonesië. Oude en nieuwe verhalen. Om te lezen, maar ook om zelf te publiceren. Doe mee en beleef mee!