De Kotta (oud Batavia) en de gruwelijke dood van een gouveneur

door:Lodewijk de Geer Boers | 7 maart 2012 |Historisch, Politiek

Amsterdamse- of Kasteelpoort in Batavia

De thermometer aan de muur van de Chinese apotheek wees 38 graden in de schaduw en de zonnestralen deden het asfalt van de straat week en zacht worden. Klefferig zwart zakte de pek naar de straatkant waar het in lange rollen bleef liggen. Het was die dag  zeer warm en de meeste verkopers, Chinezen en andere oosterlingen hingen loom achter hun stalletjes en kraampjes. De toko-Chinees hing met ontbloot bovenlijf in een rotanstoel onder een zonnescherm en waaierde zich koelte toe met een krant.
De sado-paardjes lieten hun hoefafdrukken achter in het weke asfalt en sjokten half slapend voor hun karretjes. Er moest maar spoedig een flinke bui komen. Een tropische  plensbui, die alles zou afkoelen…. en die bui kwam ook.

Hevig, in dikke stralen, ontlastte zich een donkere wolk boven het snikhete Batavia en in een ommezien stoomde de straat onder de neerkomende wolkbreuk. Het asfalt siste en tientallen Chinese en Maleise kinderen vlogen naar buiten en rolden spelend door de grote plassen regenwater.

Eindelijk was er dan de lang verwachte afkoeling, maar, zoals dat in Indië vaak gaat, de bui was na en half uur plotseling over. Als bij een toverslag regende het niet meer. Alleen de straten stoomde en siste nog en dan ineens was ze er weer, die onontbeerlijke zon, vaak zo oneerbiedig “koperen ploert’ genoemd.

De Hollanders kwamen op Java
Die dag, het was 2 maart 1931, begon ik een van mijn vele wandelingen, kris kras door het oudste deel van Batavia. Hier stond ik op de plek, waar eens, aan de monding van de rivier Tjiliwoeng de stad Soenda Kelappa lag. Lang voor dat de Portugezen en Hollanders op Java kwamen, de havenstad van het Rijk Padjadjaran, het grote Hindoerijk dat in 1526 voor een groot deel bezweek voor de Islam. Korte tijd later werd Soenda Kelappa door Bantamse Mohamedanen veroverd en kreeg de naam Djajakerta.
De Portugezen die reeds in 1522 Soenda Kelappa bezochten, sloten met de vorst van het rijk een verdrag en richtte een gedenksteen, een zogenaamde Padro op, dáár waar later in de Hollandse tijd de Princenstraat lag, maar een nederzetting hebben de Portugezen op die plek nooit gehad. Op 13 november 1596 landde die Hollandse schepen te Djajakerta (Djakatra), namelijk de ‘Hollandia’, de ‘Mauritius’ en het ‘Duyfken’. De Hollanders waren op Java’s noordkust verschenen.

Steeds weer als ik hier liep, verplaatste ik me in die tijd en met een kaart van het alleroudste Batavia in de hand wandelde ik door de straten waarvan er velen nog de Oud Hollandse namen droegen zoals de Buiten Kaaimanstraat, Binnen- en Buiten Nieuwpoortstraat, de Kalverstraat en de Utrechtsestraat. Dan liep ik te denken aan die vele duizenden Hollanders, die zeilend onder de ellendigste omstandigheden hierheen waren gekomen en waarvan er velen waren opgeklommen tot hoge ambten, doch waarvan er ook velen totaal mislukten en verpauperden. Dan dacht ik aan die vele duizenden die na vaak meer dan een jaar zeilen eindelijk voet aan wal zetten in een totaal onbekend land, vol gevaren en ziekten. Aan hen die hier direct na aankomst al aan de malaria, cholera en de ‘rode loop’ stiervern en meteen al in Java’s bodem werden begraven.

Geen lieverdjes
Als ik dan voorbij het oude stadhuis liep dacht ik aan hen die wegens wangedrag in de kerkers van dit gebouw werden gemarteld. Nee, ook ver van het moederland waren de Hollanders voor elkaar geen lieverdjes. De straffen waren wreed en de martelkamers in het stadhuis bewezen dit. Recht voor het stadhuis lag destijds de Hollanse Kerk, waar Jan Pieterszoon Coen werd begraven. Daar brulde de dominee van de kansel op zondagen mooie woorden over liefde en vergeving terwijl in de kerkers in het stadhuis mensen gilden en kermden onder de beulshanden. Mensen die de moed hadden opgebracht om naar het andere eind van de wereld te zeilen en ziekten, honger en dorst trotseerden, om mogelijk daar in het verre oosten een gelukkig en vrij leven op te bouwen dat beter zou zijn dan in het kille en bekrompen moederland. Mensen die in hun zwakheid vielen en door hun lange verblijf op kleine zeilschepen  aan de wal hun boekje te buiten gingen. Mensen die vaak zonder een grondig bewijs van hun zogenaamde vergrijp werden beschuldigd en zonder pardon op de pijnbank werden gebonden.

Geen wonder dan ook dat de compagniesoldaten als de dood zo bang waren voor hun oppermachtige bazen en geen wonder dat er wel eens een opstand uitbrak waardoor er weer gemarteld werd. En zo dachten de bewindhebbers van de V.O.I.C. de dicipline door middel van lijfstraffen te bewaren. Veel heeft dit niet geholpen.

Op die gloeiend hele dag van 2 maart 1931 stond ik na de hevige plensbui op het plein voor het stadhuis, het oude stadhuis van Batavia. Hier stopte de stoomtram uit Weltevreden, een fraai stadsdeel van Batavia, dat door de Gouveneur Generaal W. Daendels was ontworpen. Weltevreden, waar het goed wonen was. De ‘Zomerstad’ van Batavia, dat in verval begon te raken. Er lagen fraaie villa’s, prachtige parken en tuinen vol bloemen.

Amsterdamse- of kasteelpoort
Even voorbij het stadhuis, lag de zogenaamde Amsterdamse- of kasteelpoort, waarachter Coen de stad Djakarta bouwde. Een barokke poort met in nissen de meer dan levengrote, zwartgeteerde beelden van Minerve en Mars. Deze poort, die vroeger prachtige zijvleugels had, dateerde uit 1748 en daar achter lagen de pakhuizen van de V.O.C. en het kasteel van Batavia. Boven in de poort hing ver voor mijn tijd, een zware bel in een koepeltje die geluid werd als er een doodvonnis voltrokken werd.

In de omgeving van deze poort, waar het allemaal begon, heb ik uren rondgelopen en en staan kijken in een heerlijke rust. Links, vlak achter de poort, lag het zogenaamde heilige kanon waarover in in een ander artikel reeds sprak. Onder de grote tamarindebomen heb ik, gezeten op het gammele houten bankje van een siroopverkoper of een waronkje, zitten kijken naar de boog, naar de oude pakhuizen met hun zwartgeteerde houten luiken en naar de plek waar eens het kasteel van Batavia had gelegen. Dan zag ik de vele vissers die met hun vracht uit het haventje kwamen om hun last in Weltevreden aan de man te brengen.

Ondanks alle bedrijvigheid was het er rustig. Er was geen lawaai. Zwijgend droegen de visventers hun last naar het gereedstaande stoomtrammetje. De plek waar ik zat was uit een geschiedkundig oogpunt van groot belang, want hier is veel gebeurd. Zeer veel dingen die thans voor onmogelijk zouden worden gehouden. Bij al die grote en geweldige dingen die hier gepresteerd zijn en bij alle schatten die hier in de vorm van specerijen in de nog bestaande pakhuizen gereed lagen ter verzending naar Holland, geschiedde hier de grootste gruwelen door de de Hollanders, ook tegenover hun eigen mensen, werden begaan. Hier heiligde het doel de middelen en er werd korte mette gemaakt met hem die ook maar iets bedreef dat niet werd getolereerd. De hoge heren in het moederland wensten geen klachten en gezanik en daarmee was de kous af. Er moesten grote winsten uit de tropen komen en moeilijkheden met ondergeschikten moesten terplaatse maar worden opgelost. Daarmee uit.
De grote grachtenhuizen in Holland zijn een voorbeeld van wat daar aan de andere kant van de aarde werd verdiend. Zonder gezeur allemaal, dat konden ze hier in Holland niet hebben.

Het was hier, op deze plek, dat de krankzinnige Gouverneur Peter Vuyst uit Ceylon (1726) dat toen Hollands bezit was, ter verantwoording voor zijn daden op het schavot stond en hoe gruwelijk ook, wil ik u dat verhaal niet onthouden.

Gouverneur Vuyst
Mr. Petrus Vuyst werd in Holland benoemd tot Advocaat Fiscaal in Indië en was getrouwd met een meisje van voorname huize, mejuffrouw Wilhelmina Gerlings. In 1717 werd hij Raad Extraordinaris te Batavia en in 1726 Gouverneur van Ceylon. Hij was nog pas dertig jaar, toen men in de gaten kreeg dat hij niet geheel toerekeningsvatbaar bleek te zijn. Hij leed aan zelfoverschatting en dacht dat alleen hij de wijsheid van een genie bezat. Zijn hebzucht en heerszucht waren verschrikkelijk en hij verrijkte zich op kosten van de V.O.C..

De heren bewinkhebbers dachten in het begin dat hij een groot genie was, want hij ontwierp enorme plannen om van het eiland Ceylon één groot oord te maken van peper, nootmuskaat, kaneel en kruidnagelen. Eén kolossaal pakhuis vol kostbare specerijen, eigendom van de V.O.C.. Een goudmijn zou hij van het eiland maken en Holland zou voor hem uit dankbaarheid op de knieen vallen. Hij zou er voor zorgen dat Ceylon altijd van Holland zou blijven, zolang hij maar de scepter op het eiland zou zwaaien. Hij zou roem en eer oogsten zolang hij maar de machtigste man zou zijn in deze oorden.

De misdadiger wordt onthoofd
Nou, dat hebben de Hollanders op het eiland dan ook geweten toen ze werden gemarteld en zonder bewijs onschuldig werden gedood. Inderdaad, de Hollanders in zijn dienst vielen letterlijk op de knieen. Het werd allemaal zo erg, dat Vuyst naar de hogere bazen in Batavia werd geroepen. De man, eigenlijk een intens zielig figuur, die in zijn grootheidswaan, eigenhandig mensen afranselde en kokende lak in hun wonden druppelde, stond te Batavia terecht als misdadiger. De vele martelingen en moorden waaraan hij zelf deelnam, waren verschrikkelijk. Vaak liet hij uit louter plezier, soldaten radbraken door de beul Hendrik Barner en een paar Javaanse helpers. Deze mr. Petrus Vuyst stond hier op de plaats van het kasteel Batavia terecht als een misdadiger. Op 3 juni 1732 vond de terechtstelling plaats en met wezenloze trekken op het gelaat betrad hij het schavot. Een blanke man werd onthoofd. Zijn armen waren op de rug gebonden toen hij daar boven op de planken stellage stond. De beul ontdeed hem van al zijn kleren en zette hem spiernaakt op een soort stoel. Zijn lichaam werd snel achterover vastgebonden en met een mes werd hem de keel doorgesneden. “Hij toonde niet de minste emotie” zo staat het in het oude terechtsstellingspapier dat te Batavia op het ’s Landsarchief ergens op zolder opgeborgen lag. Zijn lichaam werd daarna, onder de ogen van vele toeschouwers, op een bank gegooid en in stukken gehakt, waarna alles in een ijzeren bak werd verbrand; ook z’n kleren, de stoel en het mes. Alles is diezelfde avond als as in een zak in zee geworpen en zo kwam er een einde aan het leven van een man, een arme stakker, die dacht recht te hebben gedaan en zichzelf een eminent mens achtte, zoals ook Nero eens dacht.

Ik heb op die plek gestaan en in mijn verbeelding de bel in de koepel van de poort horen luiden omdat er weer een doodvonnis werd voltrokken. Nu voor Mr. Petrus Vuyst. Het kasteel van Batavia bestaat al heel lang niet meer, maar de poort overleefde de oorlog met Japan doch werd later door de oproerige benden van de pas uitgeroepen republiek Indonesie, volgens zeggen in stukken gesmeten. De pakhuizen met hun zwartgeteerde luiken bestaan nog steeds en de plaats waar eens het schavot voor het kasteel stond is er ook nog, maar is overgroeid met een ware wildernis van lianen en doornige struiken. Ik vond daar nog enkele muurresten. Stukken steen van het oude kasteel. Stomme brokken baksteen, waaromheen zich het vreselijk drama van Mr. Petrus Vuyst en vele anderen heeft afgespeeld.

Daar, in dat stuk wildernis, vol met bemoste steenbrokken heb ik gestaan en hoorde werkelijk ‘de stenen spreken’.

Batavia

Jouw verhalensite met verhalen over Indonesië. Oude en nieuwe verhalen. Om te lezen, maar ook om zelf te publiceren. Doe mee en beleef mee!