De Hoeve ‘Maria Theresia’

door:Lodewijk de Geer Boers | 5 maart 2012 |Oorlog, Politiek

Boven Bandung en het voormalige Nederlands garnizoensplaatsje Tjimahi, waarvan men tegenwoordig de naam als Cimahi wenst te schrijven, lag destijds de bergplaats Tjisaroewa, een heerlijk rustig bergdorpje waar enkele Europeanen een landbouwbedrijf uitoefenden. Het dorp lag er prachtig aan de voet van de Boerangrang en de Tanguban Prahu. Op deze hoogte van 4500 voet kon men nagenoeg alle Europese groenten kweken. Ook bloemen als anjelieren, rozen, gladiolen en anders soorten deden het hier schitterend.

De uitgestrekte bergwouden die ten noorden van het plaatsje tegen de helling van de genoemde bergen lagen, waren van een ongekende schoonheid. Regenwoud was het, op vele plaatsen bijna ondoordringbaar.

Goede schoolvriend
In deze streek vestigde zich op zeer jeugdigde leeftijd een oude schoolvriend van mij met wie ik vanaf 1927 te Batavia was opgegroeid. Hanry Guittet was zijn naam. Hij verloor jammergenoeg al vroeg zijn vader moest toen met zijn moeder verder door het leven. Vóór zijn dood, had z’n vader reeds een stuk land in deze streek voor zijn zoon gekocht. Een terrein beplant met Javakoffiebonen. De aanplant verkeerde nu wel niet direct in een florisante toestant, maar met hard werken kon daarin zeker wel verbetering worden gebracht. Bewerken van de hellende bodem en een goede bemesting konden veel doen. Het wilde heel wat zeggen om als jonge man van amper negentien jaar, zonder enige landbouwkundige opleiding, zo’n grote lap grond te bebouwen, te onderhouden en productief te maken. Een haast onmogelijke taak.
Een groot deel van het weduwepensioen van zijn moeder werd in het bedrijf gestoken, maar niets was voor hen beiden te veel, als het bedrijf maar renderend zou worden. Met hard werken en opboksen tegen concurerende landbouwers in de omgeving, was het een zware taak. Maar toch, moeder en zoon hadden een vrij goed bestaan en het ontbrak hen aan niets.

Gastvrij
Ikzelf zat in die tijd op een landbouwonderneming tevens theeplantage bij hem in de buurten beheerde daar een proeftuin voor het Instituut van plantenziekten te Buitenzorg (Bogor). Mijn bamboewoning lag langs de binnenweg van Tjisaroewa naar Lembangen was gebouwd op een bergrug tussen twee diepe ravijnen. Vrij regelmatig bezocht ik het land van mijn vriend, logeerde er wel en genoot veel gastvrijheid. Dan bespraken wij de prijzen van de landbouwartikelen en de bewerking van de grond alsmede de koelielonen en andere zaken, want twee weten nu eenmaal meer dan één.
In veel opzichten had ik het makkelijker dan hij. Ik had salaris, maar hij moest maar zien dat er brood op de plank kwam en dat viel in die periode om de drommel niet mee. Met zijn moeder  bewoonde hij een groot huis van zogenaamde gepleisterde bamboe op een stenen onderbouw en van verre kon men het al op de hoogte zien liggen. Wit stak het af tegen het donkere gebergte. Als ik aan kwam lopen en het laatste ravijn uit was geklommen, lag daar het huis in de verte. De Maria Theresia Hoeve. Alsof ze het wisten dat ik er aankwam hoorde ik de grote honden al blaffen.
Voorbij de prachtige waterval liep ik zo het terrein op en weldra sprongen de grote waakhonden tegen me op. Ik was wel eens bang voor die dieren, want lieve beestjes waren het bepaald niet. Men had ze nodig daar in die eenzaamheid. Als dan die zenuwachtige honden onder veel gebrul en gescheld tot rust waren gekomen en ze in de gaten hadden dat ik tot het goede volk behoorde en dat ze me al eens eerder hadden gezien, werd er binnen in huis een voortreffelijke kop Javakoffie gedronken.

Steeds weer heb ik als man met nagenoeg geen technische knobbel, versteld gestaan van hetgeen mijn vriend wist te presteren. Hij maakte eigenhandig een complete artesische put, waarbij hij ettelijke lange stalen buizen met behulp van een eigengemaakte boor in de harde rotsbodem wist te drijven.
Een ijzeren brug bouwde hij zelf over een ravijntje…. Voor mij allemaal onbegrijpelijk. Ik weet vrij aardig een spijker in een muur te hameren en een schroef in een plank te draaien, maar dat is dan ook wel alles. Voor mij wel genoeg.
Loodsen en koeienstallen bouwde hij zelf met een paar koelies, want veel mocht het niet kosten. Het kon allemaal betaald worden uit de opbrengst van de koffie en de groenten en van het pensioentje van zijn moeder.

Een moeizaam bestaan
Op geterasseerde hellingen van een ravijn, teelde hij aardappelen. Echte Zeeuwse piepers. Het land werd elk jaar weer omgeploegd met eigen gemaakte ploegscharen, voortgetrokken door een paar uit midden Java geimporteerde ossen. Er werd geploetert, gezweet en gerekend, om van het land iets te maken, maar telkens kwam er weer een tegenslag. Dan was ineens de koffie niets waard, of was de aardappelmarkt aan het kelderen. Dan weer kwam het Rijks Boswezen roet in het eten strooien, door te komen vertellen dat er een groot stuk grond van zijn terreind af moest voor een transportweg. Daarbij gingen dan een kleine vierhonderd koffieheesters verloren waarvoor men een schadevergoeding gaf die niet opwoog tegen de oogst aan koffiebessen die de heesters zouden hebben opgebracht. En zo was er altijd wel wat.

Er moest op een of andere wijze iets goeds van het land gemaakt worden, want als eens zijn moeder zou komen te overlijden, verviel het pensioen en zou het land zijn bestaan moeten zijn. Daar werd naar toe gewerkt. Stug door douwen maar, want ‘gestadig druppelen holt den steen’ zegt het spreekwoord.

Van het gouvernement kreeg hij als compensatie voor de afgenomen grond voor de transportweg een strook grond terug, gelegen aan de bosrand, boven aan zijn land. Aan zo’n ver afgelegen strook had hij niets. Het was afgespoelde grond door de slagregens. Totaal onbruikbaar. Er werd over geschreven, vellen vol. Er werd over gepraat, maar het hielp niets. De transportweg kwam er en een geldelijke schadevergoeding bleef uit doordat de Japanner zo vriendelijk was om Nederlands Indië binnen te vallen. Weg alle illusie, weg alle moeite, weg toekomst en weg land. Met spoed werd hij onder de wapenen geroepen om te vechten voor het vaderland. Jonge wat klonk dat prachtig. Hij had al zo lang voor z’n eigen koffieland gevochten.

Gevangen genomen en naar het krijgsgevangenenkamp
Hij moest de hoeve achterlaten en zijn moeder die als oude vrouw niet alleen op dat eenzame terrein kon achterblijven, volgde haar zoon en woonde de eerste tijd bij haar zuster in Bandung. Het land lag geheel alleen, met een loods vol koffie, die doordat de prijzen zo laag waren niet verkocht was. Opgestapeld lagen de zakken. Aardappelen en mais bleven in flinke hoeveelheden achter. Stallen waarin de koeien stonden werden voorlopig toevertrouwd aan een oude tuinkoelie. Voorlopig ja, want wat er daarna met de dieren en alle andere zaken is gebeurd, laat zich slechts raden.

Enkele dagen werd er door ons leger gevochten, maar toen moesten wij ons overgeven en mijn vriend verdween achter het prikkeldraad van een krijgsgevangenenkamp. Juist enkele maanden tevoren was ik overgegaan in dienst van de Staatsspoorwegen en kwam daardoor in de noodformatie. Ik hoefde aan een oproep tot opkomst in militaire dienst geen gehoor te geven en werd overgeplaatst naar Djokjakarta. Daar kwam ik op het Staatsspoorwegstation Toegoe en bleef twee maanden buiten het interneringskamp. Een onzekere tijd was dat. Uiteindelijk werd ook ik gevangen gezet als zogenaamd staatsgevaarlijk persoon. Ik werd evenals mijn vriend geinterneerd, doch in een burgerkamp.

Onzekere jaren
Na zijn terugkomst uit een kamp in Singapoer was hij, net als ik, vel over been, maar doordat ik de kampen nog een baantje had gehad bij de medische dienst en uit dien hoofde 100 gram brood per dag kreeg, was ik er niet zo beroerd aan toe als hij. Zijn leven scheen kapot te zijn. De jaren verstreken. Jaren van onzekerheid.

Toen de Japanner was verslagen, konden we naar huis. Maar er was geen huis meer. Alles was immers weg na die drie en een half jaar. Het indonesische volk had z’n kans waargenomen en naar de onafhankelijkheid gegrepen. Naar de MERDEKA. Er werd gemoord, geroofd en geplundert dat het een lust was. Hele treinen met uit de kampen vrijgekomen Europeanen werden tot ontsporing gebracht en de inzittenden vermoord. Afgeslacht. In die periode vonden velle honderden vrouwen, mannen en kinderen de dood. Ik zelf, die uit het kamp wist te ontkomen, werd enkele dagen na mijn ‘thuiskomst’ wederom opgesloten door de extremisten van Soekarno en verdween opnieuw in een kamp, namelijk een oude suikerfabriek aan Java’s zuidkust. Hierover schreef ik reeds in een ander artikel getiteld “Een paar donkere jaren”.

Alles weg…
In 1946 werd ik bevrijd door Engelse- en Australische militairen en kwam in Batavia terecht en weer in contact met mijn makker van de Maria Theresia Hoeve, die uiteindelijk weer met zijn moeder in Bandung woonde. Beiden hadden ze, hoe dan ook het afschuwelijke kampleven overleefd.
Benieuwd naar hetgeen er in Tjisaroewa, daar boven in de bergen, nog over zou zijn van zijn huis, land en bezittingen, is hij ondanks de gevaren die er aan verbonden waren, toch gaan kijken. Misschien kon er nog iets opgebouwd worden. Misschien, misschien, maar hij vermoedde het ergste.

De hoeve was er niet meer. Alles was weg en kaal. Afgebrand tot op de grond toe. De loods met koffie en de stallen met koeien en ploegossen, alles was weg. Een zwartgeblakerde plek wees de plaats aan waar eens het huis had gestaan. De stenen stoep van drie treden was het enige wat was blijven staan en waar eens de gezellige huiskamer was waar wij zoveel hebben gepraat, groeide nu enkele ziekelijke maisplanten in verkoolde aarde. In brand gestoken in dolle haat en roofzucht. Plotseling werd hij geconfronteerd met een grote lege woestenij waar het nog riekte naar verkoolde bamboe en balken. Of was het verbeelding?

Ondanks alle grote en kleine tegenslagen was dit zijn mooiste tijd. Hier had hij gehoopt een toekomst op te bouwen en met zijn te vormen gezin te kunnen wonen. Niets van dit alles en daar stond hij nu. Daar stond hij nu te staren naar de nog zwarte grond en liet z’n ogen langzaam gaan over de contouren van de hem zo vertrouwde bergen die er nog wel waren. Er was niemand te zien. Ook de kamponghuisjes waar eens zijn koelies woonden, waren weg.

Vaarwel
Wat moet er in hem omgegaan zijn vraag ik me af, toen hij daar met betraande ogen stond. Wezenloos, het alles maar niet begrijpend. Waaraan had ij dit eigenlijk verdiend? Met gebalde vuisten heeft hij daar gestaan en maar in zichzelf gedacht: ‘Laat maar, God zal het wel zo gewild hebben’.  Hij is teruggereden op z’n motorfiets. Terug naar Bandung in de diepte beneden hem. Daar heeft hij nog enkele jaren een houtbewerkingsbedrijf gehad tot dat ook hij, enkele jaren na mij, op de boot stapte naar Holland. Zijn moeder was reeds een paar jaar eerder overleden en ligt begraven op een kerkhof in Bandung, temidden van de door haar zo geliefde bergen.

Voordat hij naar Holland vertrok, trouwde hij nog en kreeg een zoon en een dochter. Met zijn vrouw is hij nog even naar boven gegaan om een groet te brengen aan het land waarop hij gehoopt en vertrouwd had. Een mooi land in een mooie streek die ook ik liefhad. In z’n binnenste heeft hij nog “dag” geroepen en “vaarwel” gemompeld toen hij voorgoed het terrein de rug toekeerde en wegreed.

Eens, toen hij in Japanse kampen verbleef, hebben stellig vele duizenden inwoners van Bandung ’s avonds naar omhoog gekeken, naar de bergen en het vuur gadegeslagen dat de hoeve Maria Theresia wreed in de as legde. Toen hebben ze gedacht: “MERDEKA”!!

Alles is voorbij…
Nu, veertig jaren later, nu weet niemand meer iets van de hoeve, behalve misschien een oude landman van over de tachtig. Die zal zich nog iets herinneren van het grote witte huis daar boven. Misschien ook heeft hijzelf de boel mee helpen in brand steken.
Het lied is uit. Indonesië heeft z’n onafhankelijkheid, maar had dat zo moeten gaan??? Natuurlijk, het is ’t land van de Indonesiërs en we hebben er als Hollanders medunkt lang genoeg gezeten en de baas gespeeld, maar zijn de eerste leiders van de republiek niet wat te ver gegaan in hun fanatisme en opzweperij tegen het Nederlandse gezag? Ik weet het niet, maar zo als ik al zei, het spel is gespeeld, het lied is uit en alles is voorbij. Achteraf bekeken maar goed ook.

En zo eindigde dan het bestaan van de hoeve in de bergen van Bandung, de Maria Theresia Hoeve.

 

 

oorlog Tangkuban Perahu, Guntur, Kota Jakarta Selatan, Jakarta, Indonesië

Jouw verhalensite met verhalen over Indonesië. Oude en nieuwe verhalen. Om te lezen, maar ook om zelf te publiceren. Doe mee en beleef mee!