De Automaat

door:Lodewijk de Geer Boers | 17 januari 2012 |Alledaags, Humor, Overig

Direct na de Tweede Wereldoorlog heerste overal in het voormalige Nederlands Indië verschrikkelijk chaotische toestanden. Het Batavia van weleer heette voortaan Djakarta. Bijna dezelfde naam als de door Jan Pieterszoon Coen in de zeventiende eeuw gestichte stad droeg, namelijk Djakatra. Het was voor ons Nederlanders wel even wennen om niet meer van Batavia te spreken. Vele Europeanen, berooid, bekaaid, ondervoed, en op een schoen en een slof terugkomend uit de Japanse kampen, betrokken voor zover dit nog mogelijk was hun huizen die ze eerder hadden moeten verlaten. Of ze zochten een onderkomen in paviljoentjes of garages van familieleden of kennissen, die buiten de afschuwelijke kampen waren gebleven. In bijna alle gevallen vonden ze hun eigen woningen geheel leeggeroofd terug. De toestand in het oude, vooroorlogse Batavia was in één woord verschrikkelijk. De straten waren kapot en na zonsondergang zeer onveilig. Buiten de stad vochten nog groepen losgelaten zogenaamde vrijheidsstrijders. Grote benden plunderden en roofden en het waren vooral de bewoners van plantages die het moesten ontgelden. Talloze planters die na hun kamptijd terug gingen naar hun thee- of rubbertuinen werden koelbloedig vermoord. Nergens was de toestand veilig. Men wist niet meer wat men geloven moest of niet.

Diepe sporen van ellende
Alles was zeer verward. Japanse krijgsgevangenen werden ingezet om zwoegend met ontbloot bovenlijf in de brandende zon onder andere wegen te herstellen. Broodmager door de kampjaren kon ik niet nalaten wel eens te denken: “Zo nu is het jullie beurt”, wanneer ik langs zo’n groepje hijgende en zwetende Jappen kwam. Ik was pas enkele dagen tevoren uit een kamp in Midden-Java met een landingsvaartuig in Tandjong Priok aangekomen. Met vele anderen werd ik in een soort opvangwijk even buiten de stad onder gebracht. Een wijk van slechts enkele straten en voor onze veiligheid omrasterd met een hoog bamboe hek. Door de haag zag ik ze zwoegen de ‘Godenzonen’, die kort tevoren nog de beest hadden uitgehangen in de kampen. Waar duizenden Europeanen omgekomen waren van honger of ontberingen of waar ze waren doodgemarteld. Enkele weken later waren ook deze Jappen verdwenen en terug gezonden naar hun land. Diepe sporen van ellende achterlatend.

Opbouw…?
Daarna kwam met berovingen, plunderingen, moordpartijen en verkrachtingen tijdens de zogenaamde ‘ bersiapperiode’ de republiek van Soekarno tot stand. Men gaf eigen postzegels uit, gedrukt op stroken krantenpapier. Bankbiljetten met een waarde van één cent werden gedrukt. Overal wapperde de rood-witte vlag en op muren van gebouwen of op wanden van spoorwagons werden vernederende leuzen gekalkt. Vernederend waren ze voor de Europese gemeenschap, die trachtte de boel  weer enigszins op poten te zetten, weer op te bouwen wat door de grote broer uit Nippon naar de bliksem was geholpen en door loslopende horden Indonesiërs grondig was voltooid. Er kwam niets van terecht.

Het merk ‘Atoom’
Op de passars en in de toko’s vond men veel dingen genoemd naar de op Japan geworpen atoombommen, die, hoe naar het ook moge klinken, toch de vrijheid voor veel geïnterneerden had betekend. Er waren smerige sigaretten van het merk ‘Atoom’ te koop en ook sandalen gemaakt van oude autobanden droegen het merk ‘Atoom’. Er was zelfs een Chinees, die een gammel autobusje genaamd ‘Transport Mobiel Atoom’ van Djakarta naar Bogor (het voormalige Buitenzorg) liet rijden. Het hoestende vehikel zat met ijzerdraadjes aan elkaar. Er waren tientallen toko’s Atoom en ‘Warongs Atoom’. Op de Tanah abang was een kerel die fietsen repareerde in een uit roestig blik en karton opgetrokken hokje, waaraan een bordje hing met het opschrift ‘Benkel Sapeda Atoom’. Zo’n zaak moest renderen, dat kon gewoon niet anders. Men besefte nog niet hoe deze verschrikkelijke atoombom de gehele wereld zou gaan bedreigen. Wist de gemiddelde Indonesiër wat een atoom was als hij z’n hap rijst in ‘toko Atoom’ zat te verorberen?

…zelfs als roepnaam
Het klonk prachtig dit woord en desnoods zou hij z’n zoon wel Atoom hebben willen noemen. Op zich zelf nog niet zo gek, want ver voor de oorlog waren er op Sumatra mensen, Padangers, die Van Nelle heette. En op Java waren er zelfs mensen die genoemd werden naar onze fiscus, namelijk ‘Si Belasting’. En bijvoorbeeld ergens boven Medan had een man zich buiten z’n eigen naam ook de bijnaam Tieleman en Dros aangemeten. Die naam stond op een plankje aan z’n bamboe huisje. Vermoedelijk had hij ergens een oud blik van Gelderse rookworst gevonden en had de naam van de fabrikant hem erg aangetrokken. Een mens kan door zoiets in grote extase geraken en de naam aan de zijne toevoegen, nietwaar…?

Het zijn echt geen sprookjes. Zelfs sigarettenmerken als ‘Chicago’ en ‘Victor Hugo’ werden in afgelegen dessa’s als roepnaam gebruikt. Op het stationnetje van Rangkasbetoeng liep een man rond die naar de naam ‘Victor Hugo’ luisterde. En op de theeplantage had ik een koelie die de naam Sigagoe droeg, overgenomen van een sigarenkistje van het merk ‘Chicago’. Nu betekent het woord ‘sigagoe’ in het Maleis ‘de doofstomme’, maar deze snaak was om de drommel niet doof of stom.

Maar hoe zat het nou met de Automaat…? 
In een klein, goedkoop samengesteld krantje dat her en der in de stad rondgedeeld werd las ik op een dag een paar regels waaruit ik op kon maken dat een handige Chinees kans had gezien een automaat voor z’n eethuis te plaatsen. Uit het ding konden voorbij gangers loempia’s, kroketten en andere etenswaren halen door eerst in een gleuf een duppie te deponeren. Nu dat was wat, een echte automaat. Adoe…! Voorzover ik wist waren er in Indië nergens automaten voor etenswaren. In die hitte zou het ook niet gekund hebben. Het bericht behelste dan ook iets zeer bijzonders en ik dacht: Da’s een handige Chinees die ergens winst in heeft gezien. Op een snikhete dag trok ik dan ook de benedenstad in op zoek naar de bewuste automaat. Van dit unicum moest ik het mijne weten.

… een houten geval op pootjes
Met het zweet op mijn voorhoofd liep ik straat in straat uit. Tussen oude huizen uit de tijd van Jan Pieterszoon Coen en langs grachtjes waarin kinderen zwommen. Overal krioelde het van de verkopers en ik worstelde me tussen de manden met kippen, vis en groenten door totdat ik op een gegeven moment, op de hoek van de Kali Besar, het woord ‘O’tomaat op een platgeslagen stuk blik las. Op de hoek stond hij dan, het automatisch wonder, tegen een witgekalkte muur. Het was een houten geval op pootjes. Voor een kroket moest men een dubbeltje in een gleuf gooien of vijftien cent voor iets anders, waarvan ik de Chinese naam niet heb onthouden. “Heb ik me daarvoor zo uit de sloffen gelopen?”, vroeg ik mijzelf af.

… en vlugge bruine benen
Maar desondanks wierp ik toch een dubbeltje in de gleuf om uit te proberen wat de gevolgen van deze daad zouden kunnen zijn. Wie schetst mijn verbazing toen ik direct na de inworp binnen in het houten geval een verwoed geritsel met papier hoorde en tegelijk een paar dunne, blote benen onder de kist tevoorschijn zag komen. Razendsnel ging het klapluikje naast de gleuf open en… mijn kroket lag voor me op het plankje. Ik stond daar werkelijk voor gek te kijken naar dat papiertje met die kroket. Ik keek om me heen of iemand naar mij keek en bukte me nog eens wat beter om naar die vlugge bruine benen te kijken die onder de ‘O’tomaat’ uitstaken.

M’n kroket liet ik liggen op het plankje om aan de overkant van de straat, in de schaduw van een tamarindeboom, in lachen uit te barsten. Tot grote verbazing van voorbij lopende Chinezen. Zij zullen stellig hebben gedacht dat daar een getikte Europeaan stond. Teruglopend naar de halte van de stoomtram keek ik op de brug over de kali nog even om. Ik zag de blote benen nog steeds rondscharrelen tussen de poten van de gammele ‘O’tomaat. Een bruine, dunne, arm haalde mijn kroket weer naar binnen. Tot op heden heb ik nog steeds iets tegen automaten en kroketten.

Jouw verhalensite met verhalen over Indonesië. Oude en nieuwe verhalen. Om te lezen, maar ook om zelf te publiceren. Doe mee en beleef mee!