De Amorphophallus Oncophylus (slangenplant, lijkenbloem)

door:Lodewijk de Geer Boers | 23 maart 2012 |Avontuur, Natuur, Reizen

De geheimzinnige slangenplant, de lijkenbloem uit Java’s bossen, waaraan vele ziekten en ongelukken worden toegeschreven.

Het was in maart 1932 toen ik van het Instituut voor plantenziekten te Buitenzorg (het huidige Bogor) de opdracht kreeg gedurende een week op zoek te gaan naar de in het wild levende Amorphophallus, de bij de bevolking als kembang bangkéh bekendstaande plant, behorende tot de familie der Aronskelkachtigen, de Araceae.

Vooral in de duistere bamboebossen, langs rivieroevers en in ravijnen kwamen deze planten wel voor, maar ze waren vrij moeilijk te vinden. Geheimzinnig verscholen ze zich achter vermolmde stammen en dikke bamboes. Hun bloeikolf stak dan sierlijk boven de dikke laag verdorde bamboebladeren, welke de grond bedekte, uit. Een dikke aar was het, van onder tot boven bezaaid met groene en vuurrode bessen. De stengel was bruin-zwart-groen gevlekt en leek op het vel van een slang.

Geheimzinnige plant
Als ik in een koel en duister bos plotseling zo’n plant zag staan met haar fel gekleurde bessen aan de top van de gevlekte stengel, dan bekroop mij steeds een gevoel van verrukking, van verbazing en schrik en ik weet nog niet waarom. Zo iets fraais, zo iets prachtigs verwacht je niet in een duistere, vochtige omgeving en op eens staat daar op de grond die schitterende toorts vol gekleurde dicht tegen elkaar aan gedrukte bessen. Veel vuurrode en felgroene kralen.

Deze plant moest ik nu voor het plantkundig instituut te Buitenzorg gaan zoeken en hun vindplaatsen op een kaartje aantekenen. Men beweerde dat er in  de knollen van de plant een geneeskrachtige stof zat en dat Japanners en andere Oosterlingen daarvoor grote belangstelling hadden. Zo veel mogelijk moest ik de knollen van de bewuste planten meenemen voor een uitgebreid onderzoek in de laboratoria, dus vertrok ik voorzien van de mij verstrekte financiën per trein naar Poerwakarta, een vrij aanzienlijk spoorwegstation aan de lijn Batavia-Bandung.

Pasang Grahans
De landstreek welke ik diende af te zoeken, strekte zich uit over een oppervlakte van een kilometer of vijfenzeventig in het vierkant en lag gedeeltelijk in de residentie Batavia en gedeeltelijk in de residentie Preanger regentschappen. Van de directeur van het Instituut te Buitenzorg had ik enkele briefjes en opdrachten mee gekregen voor de dorpshoofden, de Loerah’s van de kampongs en dessa’s waar ik eventueel zou moeten overnachten, maar ik gaf toch de voorkeur aan de hier en daar aanwezige pasang grahans. Dit waren vaak door het gouvernement uit bamboe en hout opgetrokken gebouwtjes waar onderzoekers, Europese reizigers en wetenschapsmensen de nachten konden doorbrengen. Het waren vrij gerieflijke huisjes, vaak op palen gebouwd met één vertrek, een keukentje en een in de tuin opgetrokken toilet, badkamertje en een stal voor het geval de reiziger een paardje bij zich zou hebben.

Er waren meestal een tweetal ijzeren ledikanten, bespannen met zeildoek en een paar veldbedden. Er was vaak een kast waarin wat levensmiddelen in blik aanwezig waren welke door de waker geregeld diende te worden aangevuld uit een toko ergens in de stad. Enkele klamboes, muskietennetten, lagen in een kist en konden naar behoefte worden gebruikt.

Ik moet eerlijk bekennen dat ik altijd prettig heb overnacht in zo’n pasang grahan. Je was er vrij en niet afhankelijk van een willekeurig kampongadres waar de zindelijkheid vaak een en ander te wensen overliet, vooral wanneer je onderdak moest zoeken bij een minder vooraanstaand dorpshoofd, hoe goed zijn zorgen voor je ook waren. Ik zorgde steeds dat ik tegen de avond altijd daar arriveerde waar zo’n berglogement, zo’n berghut aanwezig was en die had ik op mijn kaartje staan.

De voorbereiding
In de wachtkamer van het station Poerwakarta, alwaar een chinees me een voortreffelijke rijsttafel serveerde (met veel sambalans), heb ik mijn reisplan voor de eerste twee dagen zitten uitwerken. Direct al vond ik op het voorpleintje van het station een tweetal oudere mannen die genegen waren mij op mijn tocht te vergezellen tegen een beloning van twee gulden per dag plus de kost onderweg en overnachting in de pasang grahans. Voor die tijd een zeer hoge beloning, maar ik dacht: ‘wie ’t breed heeft, laat het breed hangen’. Ik had meer dan voldoende geld mee gekregen, hoefde aan niets te kort te komen en waarom zou ik dan mijn helpers niet goed belonen. Ik betaalde de reis toch niet, dus begon ik de reis naar het binnenland met een paar gelukkig kijkende en tevreden koelies die ik had uitgelegd wat er gedaan moest worden.

Ik had direct al in de gaten dat ik een zeer snugger tweetal te pakken had, die niet te vies waren om stevig aan te pakken, want waar kregen ze twee guldens per persoon per dag, vrij eten en slapen in een pasang grahan? Dat kreeg je nergens en ze moeten stellig gedacht hebben met een halve gare te doen te hebben. Ik heb ontzettend plezier van deze twee mannen gehad gedurende mijn tocht vol hindernissen want ze wisten mij de meest belangrijke adviezen te geven en me dingen te vertellen van de omgeving waar ik nog nimmer van had gehoord. Twee Soendanezen waren het uit het gehucht Radjamandala aan de oevers van de rivier Tjitaroem.

Onderweg
Nadat ik hen ieder enkele dubbeltjes had gegeven om eerst nog wat te eten, zijn we met z’n drieën in een wagentje, getrokken door twee paardjes, gestapt en naar ons eerste overnachtingsgelegenheid gereden, namelijk het bergplaatsje Palérréd in het Paranggebergte ongeveer een uur rijden.

In dit dorp, waar de naakte jeugd midden op de verharde weg lag en zich zelf bezig hield met een soort knikkerspel, troffen we een toko, waar alweer een Chinees, want die vond je overal tot in de kleinste uithoeken van de archipel, zijn barang stond te verhandelen aan de dessabevolking. Olie, zout, rijst, suiker, koffie en wat andere spulletjes verkocht hij daar, maar ook bier. Bier in literflessen, want de hier en daar in de eenzaamheid wonende planter had veel dorst en hoe meer dorst deze toewan had, des te vlugger de Chinees, de man uit het hemelse rijk, zijn schaapjes op het droge had om zodoende een grotere toko in de stad te openen. Dat is iets wat alleen een Chinees kan. Hij begint ergens heel onopvallend in een klein hokje wat spullen te verkopen, vaak afgelegen in een dessa en weet met vriendelijkheid jegens de inheemse bevolking toch aan dubbeltjes te komen en binnen enkele jaren z’n warong, zijn toko’tje te verwisselen voor een groter bedrijfje ergens in een naburige stad. Maar hij heeft zich dan ook danige offers getroost en voor tien cent gegeten als hij een gulden had verdiend. Bij een Chinees kan alles, want waar hij z’n schouders onder zet lukt zonder meer. Zijn devies is dan ook: ‘geen geld, geen eten’. Dus, werk om aan geld te komen opdat ge zult kunnen eten’.

Proviand
Bij deze, gul lachende Chinees, sloeg ik wat proviand in, want ik wist niet of we de volgende dag wel weer een toko’tje zouden tegen komen. Ik zorgde er voor dat er voldoende rijst, koffie en suiker zou worden ingeslagen voor een dag of vier. Enkele blikjes sardines, welke wie weet al hoe lang die in de toko hadden gelegen, wat gezouten vis, enkele flessen ajerblanda (spuitwater) en wat rokertjes werden nadat ik had betaald voor ons in een gevlochten mandje gedaan en in het karretje geladen.

Even buiten de dessa lag de pasang grahan, omringd door een tuintje van pisangbomen en een cassave-aanplant. De waker gaf mij de sleutel van het logement en legde ons uit waar we alles konden vinden. In een soort schrijfboek, vol allerlei hanenpoten, moest ik de naam van mijn koelies en van mezelf noteren, aangevuld met datum en uur van komst en het doel van de overnachting. Tevens moest ik natuurlijk één van de briefjes van het Instituut te Buitenzorg afgeven welke de waker te zijner tijd ter verantwoording moest inleveren bij een toewan van het Binnenlands Bestuur, het B.B..

Tegelijk met de sleutel van het logement, kregen we ook een paar formidabele ‘sigaren’ mee welke, wanneer ze werden aangestoken, de gehele nacht bleven smeulen. De rook moest dan de vele muskieten verdrijven. Het waren lange bamboestokken, wel een meter lang en bestreken met karbouwendrek in een pot met zand gestoken en rookten er lustig op los. De stank was niet te harden en zo dachten ook de muskieten, die als de bliksem verdwenen en ons met rust lieten. Dankzij de karbouwenpoep.

De zoektocht kon beginnen
Eén van mijn koelies had de volgende morgen reeds vroeg een zwartgeblakerde ketel water op het houtvuur gezet en was bezig zwarte koffie te zetten met veel suiker. Met een paar stukken in de hete as gepofte cassaveknollen smaakte de koppie toebroek best en tegen zeven uur in de morgen kwam er weer een karretje met twee paardjes voorrijden om ons naar de oever van de Tjitaroem te rijden, waar onze zoektocht naar de Amorphophallus begon.

Bijgeloof?
Die dag hebben mijn helpers en ik in het zweet ons aanschijns gezocht. Bamboebos in, bamboebos uit, voortdurend uitkijkend voor slangen en ander ongedierte. Tegen de middag, toen we in Tjikalong waren aangekomen, waren we slechts in het bezit van drie knollen van de plant waarop ze in Buitenzorg zo verzot waren. een schamele opbrengst was het, maar er was nog hoop. Eén van mijn helpers vertelde mij onder het voortlopen een verhaal waarin naar voren kwam dat de plant waarnaar wij zochten bij veel mensen als heilig bekend stond en dat wanneer men er een vindt en de bloem of bloeikolf  afsnijdt, er een groot ongeluk zal gebeuren. In één nacht zouden alle tanden van de man uit kunnen vallen en hij zou zelf z’n hele leven de stank  van de Kembang Bangkéh, dus de Amorphophallus, met zich meedragen zodat iedereen hem zou verafschuwen. Met belangstelling luisterde ik naar dit verhaal, maar dacht als nuchtere westerling het mijne er van. Juist als nuchtere westerling, want die hebben de neiging om dergelijke verhalen met een korrel zout te nemen, doch de vele jaren die ik in Indië heb geleefd met het volk, hebben mij geleerd niet te lichtvaardig over zulke dingen te denken. Het staat zo stoer om direct alles als nonsens te verwerpen, maar ik heb dingen mee gemaakt die men in Holland niet zou geloven. Ik houd ze voor mezelf want men zou z’n schouders ophalen voor de Nederlander die dergelijke bijgeloofverhaaltjes verkondigde. Daarom kan men dat soort ervaringen beter niet verkondigen in een land waar voor zoiets weinig fantasie en geloof is op te brengen. Die verhalen horen thuis in het land waar men er in gelooft  en daar zijn ze waar, werkelijk waar.

Wijze raad van het dorpshoofd
In Tjikalong sliepen wij die nacht bij de Loerah, het dorpshoofd die van de Wedana al gehoord had dat wij zijn richting uit kwamen en bij hem zouden logeren. Dankzij deze man wisten wij de volgende morgen langs de oever van de Tjitaroem zeer veel bij elkaar staande planten te vinden. Hij duidde met zijn vinger tekenend in het zand precies de plek aan waar wij in het dichte bos langs de snel stromende kali een grote plek vol met slangenplanten zouden aantreffen, maar hij vond alles maar onbegrijpelijk. Wat moest deze toewa, deze djoeragan, in vredesnaam met die stinkplanten?

Ik liet hem een afbeelding van de plant en de bloem zien van het gewas dat wij zochten en wees hem op de bruine broedknollen die onder aan de bladeren hangen. Er zijn namelijk vele soorten van dit geslacht der aronskelkachtigen, zelfs die waar van de knol gegeten wordt en waarvan de bloem een grootte kan krijgen van anderhalve meter en waarin een flink kind kan staan. Een manshoge bloemkelk waaruit een stempel steekt  zo dik als een mannenpols.
Nee, hij wist welke plant wij bedoelden en we moesten de weg maar lopen die hij ons in het zand voortekende. Dan vonden we de kembang Bangkeh, maar had hij gezegd, we moesten oppassen voor slangen bij het uitgraven van de knollen.

De twee mannen die mij vergezelden en waarvan er één de mand droeg waarin ik gedacht had een formidabele hoeveelheid knollen te verzamelen, spraken met elkaar over datgene waarvoor de dorpoudste hen had gewaarschuwd namelijk om de geesten die de kembang bangkeh deden groeien, goed te stemmen.

Na een half uurtje gelopen te hebben over modderige paadjes, dwars door pindatuinen en cassavevelden, bereikten wij de plek waar de planten te vinden zouden zijn, en ja hoor, ik rook de nog al sterke geur reeds van grote afstand. De twee mannen versnelden hun pas in de richting van de kali en wezen mij op een kring van planten welke uit de dikke laag verdorde bladeren op de drassige bodem te voorschijn kwam. Allemaal de vruchtdragende slangenplanten stonden daar te pronken met hun fel gekleurde bessen en hun griezelige gevlekte stengel. Hier en daar bescheen een door het dichte loof te voorschijn komend zonnestraaltje een paar van deze kleurrijke planten. De rode bessen lijken op robijnen. Zonder zich te bedenken begonnen de mannen de knollen uit te graven en de onder aan de bladeren hangende broedknolletjes te verzamelen. Het zijn deze broedknolletjes, zo groot als een knikker, die de plant haar soortnaam geven, namelijk Oncophylus (van het Griekse woord oncus = gezwel of knobbel). De dorpsoudste had gelijk. Er groeiden er velen en weldra was de mand half vol.

De geesten gunstig stemmen
Verscheidene planten heb ik laten staan om te voorkomen dat alles hier zou worden uitgeroeid. Plotseling bedacht ik dat de koelies welke zo verwoed aan het uitgraven waren gegaan, in hun opgewondenheid vergeten waren de geesten waaruit de planten waren gegroeid, gunstig te stemmen. Ze schrokken er van toen ik het tegen hen zei en kreeg te horen: ‘Adoeh djoeragan abdi mah lepat’ (Ach ja, we zijn het vergeten, meneer). Daarop legde een van de mannen een paar strootjes op de plek waar de planten hadden gestaan en prevelde een paar onverstaanbare woorden waarbij hij een ernstig gezicht trok.

‘Nou, dacht ik, dat zal ons duur komen te staan en oppassen zal nu wel te laat zijn’. ‘We waren nog zo gewaarschuwd door de Loerah’, dacht ik, ‘dus nu maar afwachten, hopelijk zal er niets gebeuren’. Ik wilde naar de overkant van de nog al snel stromende Tjitaroem, maar die was hier te diep om er doorheen te waden. Ik moest en zou naar de andere oever om van daaruit te trachten nog die zelfde dag het gehucht Tjikalong Koelon te bereiken, maar mijn dragers zeiden mij dat we nog voor dit gehucht konden overnachten in een goede pasang grahan, gelegen in een soort proeftuin van het departement van landbouw voor de bevolking. Hier moesten volgens de zegsman vaak Nederlandse landbouwkundigen logeren, dus zaten we gedrieën in het hoge gras te overdenken hoe we aan de overkant konden komen.

Een barre overtocht
Eén van de mannen, die in deze streek aardig bekend was, wist zich van een vorige keer dat hij hier was om gras te snijden voor zijn geiten, te herinneren dat een eindje verderop een oud bamboevlot aan een boomstam gemeerd lag. Dat zouden we kunnen gebruiken om met de stroom mee varend, naar de andere oever te komen. een breedte van een twintig meter die we schuin overstekend gemakkelijk zouden halen als was de stroom hier vrij sterk en schuimde het water tussen grote steenklompen door.

Inderdaad lag er honderd meter verderop een oud, half verrot bamboevlot onder een tak van een Ficusboom die over het water groeide. Fraai was het niet wat ik zag, doch de mannen verzekerden mij dat de oversteek best zou gaan als ze maar eerst enkele losgeraakte bamboes met boombast zouden vast zetten.
In een half uurtje was het vlotje zo’n beetje in orde en konden wij, half met de voeten in het water zittend, trachten de overkant te halen. Dat was een kleinigheidje, een ‘perkara leutik’ zeiden de twee knapen. Nou, ik heb het gemerkt, dat kleinigheidje…

Wespenaanval
Nauwelijks was het vlot los van de dichtbegroeide oever of we werden al met een ferme stoot, via grote steenbonken, naar het midden van de rivier gesleurd. Een nest gemene wespen dat in de Ficusboom hing, viel door de schok in het water. Het rotantouw waarmee de vlot maanden lang aan de over het water hangende tak had vastgelegen, rukt het voor ons niet opgemerkte nest los en honderden nijdig gonzende wespen, gemene éngangs zoals de Soendanees deze dieren noemde, verlieten hun woning. Een nest zo groot als een emmer werd door de stroom van de rivier meegevoerd en tientallen woedende wespen cirkelden om onze hoofden, armen en benen. Ik kreeg een ferme steek in mijn voorhoofd en duim, terwijl de twee helpers van mij verschillende steken in wang en dij opliepen. Geheel van ons stuk gebracht door deze wespenaanval, vergaten we  even dat we op een woest wegdrijvend vaartuigje zaten zonder roer of welk hulpmiddel dan ook. Tussen steenbrokken door stoven we als maar verder, omringd door schuimend water en de ons nog steeds achtervolgende wespen, die niet meer aanvielen of staken, maar erg dicht op onze huid zaten.

In de bocht van de rivier wisten we met veel moeite het bamboe geval aan de oever te krijgen en vast te leggen. We waren aan de overkant, maar de wespensteken deden gemeen pijn en ik had al een buil op mijn hoofd zo groot als een kers. We hebben het vlot, het vlot gelaten en zijn in het gras vlak langs het water onze bulten en steken gaan behandelen. Met fijngewreven blaadjes van allerlei plantjes, met tabakswater, betelnoot en zelfs speeksel hebben we elkaar geholpen en zowaar, het hielp. Na een paar uur was de bult nog wel aanwezig op mijn voorhoofd, maar lang niet meer zo groot en deed geen pijn meer. Mijn koelies, die ook minder pijn aan de door hen opgelopen steken hadden en weer druk aan het converseren waren, weten dit voor ons drieën nogal pijnlijke voorval aan de geesten die we vergeten waren gunstig te stemmen toen we de kembang bankehs uit de grond groeven. We waren door de loerah, het dorpshoofd nog zo gewaarschuwd!

Een ernstig ongeluk
Alsof de straf der geesten voor ons nog niet genoeg was, ervoeren wij enkele minuten later, terwijl wij daar in het gras zaten en onze tocht wilden voortzetten naar het gehucht, Tjikalong Koelon, een nog veel ernstiger ongeluk dat echter niet ons trof, maar waarvan wij ontzettend schrokken.

In de verte, door de rivierbocht heen, hoorden we eensklaps  hard schreeuwen. Het geluid klonk hard, maar gedempt door het dichte gebladerte en het geruis van de rivier. Het kwam uit de richting waar wij enkele uren tevoren de knollen uit de aarde hadden gegraven en vergaten waren om de geesten goed te stemmen opdat ze niet boos zouden zijn over onze verwoestende graverij.

Alles verloren
Plotseling zagen we een enorm lang gevaarte de rivierbocht door komen. Het was een tweetal bamboe vlotten van wel twintig meter elk. Ze waren aan elkaar gebonden en deze sliert schuurde langs de oever, over grote keien, onder dikke, overhangende takken, door de stroomversnelling terwijl een paar mannen in hun blote lijf het geval in de goede richting trachtten te houden. Duidelijk kon ik zien dat hier een ongeluk ging gebeuren want er was geen houden meer aan. De bocht was veel te groot genomen. Takken scheurden van de bomen, stenen vielen omlaag. Het was een gekraak  van jewelste terwijl de lading die bestond uit stapels dakpannen, aarde kruiken en martavanen, gendi’s en zakken houtskool. van het vlot werd geveegd. Een oorverdovend gekraak verstoorde de stilte hier in het bos en ik zag hoe de bamboes van het vlot los schoten en loodrecht de lucht in staken. Honderden aardewerk kruiken, duizenden dakpannen en andere voorwerpen, welke van een aardewerkfabriekje ergens nabij Bandung afkomstig bleken te zijn, sloegen in één klap aan scherven. Het tweedelig vaartuig kwam dwars in de rivierbocht te liggen en zat eventjes klem. Toen kwam de kracht van het water en als een kanonschot knalde alles uit elkaar. Alles, maar dan ook alles was in enkele minuten tot pulver geslagen en de brokstukken stoven in het woeste water langs ons heen, stroomafwaarts.

Drie ongelukkige mannen
Van de mannen die ik op het lange vlot had gezien en die we hadden horen roepen, was geen spoor te bekennen. Als verslagen zaten we daar in het gras. Alles was voorbij en de stilte werd slechts verstoord door het ruisen van de rivier Tji Taroem. Opeens stonden we oog in oog met de mannen van het rampzalige vaartuig. Ze liepen in hun sarongs gehuld over een bospaadje in onze richting en kwamen hoofdschuddend naast ons zitten. Ze vertelden ons dat ze met een lading ter waarde van een kleine vijfhonderd gulden, in opdracht van een Chinese pottenbakker bij Bandung, naar Poerwakarta moesten om daar de zaak af te leveren aan een andere Chinees. In die tijd was vijfhonderd gulden een formidabel bedrag, dus kon ik me voorstellen dat de drie ongelukkigen niet wisten hoe ze zich straks moesten verantwoorden. Een nare en droevige geschiedenis voor deze mannen, maar al spoedig na dit gebeuren staken ze de door mij verstrekte sigaartjes op en zeiden, gelaten en flegmatisch als het Soendavolk is: ‘Alahhh djoeragan, ijeu kemauhan Toehan’, hetgeen zoveel wil zeggen als: ‘Ach meneer, dit is nu eenmaal de wil van de Heer’.

We hebben de mannen wat rijst en zoute vis gegeven en zijn toen uit elkaar gegaan. Ze trokken langs de rivier het donkere bos in, richting Poerwakarta en wij vervolgden onze tocht naar Tjikalong Koelon waar we door al deze gebeurtenissen tegen zonsondergang aan kwamen. We zagen de drie mannen, gehuld in hun sarong het bos in gaan. Zwijgend verdwenen ze uit het gezicht en werden opgeslokt door de dikke boomstammen en het dichte bladergewelf.

Het werk van de kwade geesten
Mijn metgezellen waren er van overtuigd dat alles wat wij die dag hadden moeten meemaken het werk was van de in toorn ontstoken geesten wiens Amorphophallusplanten wij op brute wijze hadden weggehaald. Gestolen, gegapt, geroofd uit hun bossen. Ik wist me geen raad met die theorie en heb er lang over nagedacht. Ik wist het niet, maar ik heb veel van deze vreemde dingen meegemaakt. Ik elk geval allemaal typische voorvallenen ik ben er van terug gekomen dergelijke gebeurtenissen lichtvaardig opzij te schuiven. Op een of andere manier zijn er in de Tropen geheime dingen, die waarschuwen voor naderend onheil en daarom heb ik altijd het zekere voor het onzekere genomen en me gestoord aan de raad en opvattingen van het gewone volk, want het ging, vreemd genoeg, vaak zoals men had zien aankomen.

Een goed resultaat
Even voor de dessa Tjikalong Koelon lag inderdaad de pasanggrahan waarvan een van mijn mensen had gesproken. Het was een aardig houten huis met atapdak en lag in een soort tuin van allerlei gewassen. Hier verschoonden wij ons, aten een stevig doch sobere rijsttafel welke door de vrouw van de waker was klaargemaakt en zaten met ons drieën tot vrij laat in  de avond na te praten over alles wat ons was overkomen. De waker wist in de dessa een vrouw te wonen die een probaat middel had tegen de wespensteken die bij mij vooral een nogal koortsig gevoel veroorzaakten. Een groen papje van stinkende blaadjes, ik meen een soort wilde wijnruit, de daoen inggoe (Ruta graveolens), moest ik die nacht op mijn hoofd leggen. Ik was de volgende dag weer zo fit als een hoen en ben weer aan het zoeken gegaan naar de bewuste knollen. Velen vonden we nog in de omstreken van het zijriviertje de Tji Koendoel dat een twintig kilometer verderop tussen Sindangglaja en Tjipannas door stroomt. Na twee dagen hier te hebben rondgezworven en aantekeningen en schetsjes te hebben gemaakt, was ik in het bezit van zo’n vierhonderd gave knollen en vele broedknolletjes van de bewuste Amorphophallus. Met dit goede resultaat ben ik mijn  koelies in een klein rijtuigje, een sado, dat ergens in de kampong voor ons werd opgetrommeld, voor de som van twee gulden terug gereisd naar mijn uitgangspunt Poerwakarta, waar ik een week eerder mijn dragers had opgepikt.

Een grappige terugtocht
De rit er heen was een van mijn amusantste en grappigste toertjes die ik ooit maakte en ging over een afstand van ongeveer vijfentwintig kilometer via smalle, onverharde paadjes. Dwars door casave-bataten en pindatuinen, door kampongs en door dalen en ravijnen werd ons karretje door een tweetal beekjes voortgetrokken.

In een kittig drafje ging het over de weggetjes. Het grootste beekje liep recht voor het wagentje terwijl het tweede exemplaar helemaal uit het gelid aan een apart trektouw buiten het profiel van het geheel draafde. Een koddig gezicht was ook, dat als we een helling op gingen, de koetsier met allerlei geluiden, voorover ging hangen, met z’n gezicht boven op de bil van het paardje om zo de last wat te verminderen en daarbij het grootste paardje tot sneller draven aanspoorde door de staart van het beest tussen z’n tenen te grijpen en er rukjes aan te geven.

Dan stoof de zaak weer ferm voorwaarts waarbij het buiten profiel lopende beestje eveneens zijn beste beentje voortzette. Het wilde heel wat zeggen, zo’n vracht van vier man en een zak vol knollen voort te moeten trekken over vrij ruig bergterrein en daarom liet ik om het half uur de koetsier halt houden om de trekkers wat rust te geven en te laten drinken. Dan kwam de onder het wagentje hangende bak met “Hoe-Oet”, een soort zemelen van rijst te voorschijn en konden de dieren wat eten. Na een twintig minuten ging het dan weer in galop verder en ratelden de wieltjes van het voertuigje weer over de losse bergstenen. Over de rode aarde van Tji Kalong. In Poerwakarta nam ik afscheid van mijn helpers, betaalde hen en gaf beiden een extra beloning voor hun gezin dat ergens in Radjamandala op hun thuiskomst zat te wachten.

Vastgehechte herinneringen
Dit verhaaltje speelde zich af in 1932, nu zo’n tweeënvijftig jaar geleden, meer dan een halve eeuw. Alles is voorbij gevlogen  en als ik nu, achter mijn tafel gezeten, mijn ogen sluit, zie ik alles weer voor me. Dan zie ik weer de rivier, de wilde vegetatie langs de oevers, de ketjoeboeng, de bedwelmende Datura bloemen en hoor ik weer de Priendjak in de Hybiscus fluiten. Dan hoor ik weer het getjirp van de cicade, de tongérét. Dan proef ik weer de smaak van rode rijst met zoute vis en geurige tjabé. Dat vergeet je als echt Indiëkenner nooit meer. Het is met angels vastgehecht in je lichaam en gaat er nooit meer uit ook al speelt het draaiorgel op de Dam nog zo mooi en al vallen de sneeuwvlokken nog zo wit op je balkon.

Ook de Amorphophallus, die geheimzinnige ‘stinkerd’ uit de bamboebossen, die rekel onder de planten, die ons wel eens last bezorgde, vergeet je niet. Mogelijk staat er een afstammeling van de door mij gevonden exemplaren in de Hortus te Amsterdam, maar ik heb hem daar nog niet gezien of geroken.

Nu, in 1984 stroomt de Tji Taroem nog steeds vanuit de bergen in West Java naar het Noorden, naar haar monding bij Oedjoeng Krawang aan de Javazee. Zo gaat het door, als een perpetuum mobile en zo was het duizenden jaren geleden reeds. De Tjitaroem en vele andere rivieren doorstroomden de geschiedenis.

herinnering, natuur Java, Indonesië

Jouw verhalensite met verhalen over Indonesië. Oude en nieuwe verhalen. Om te lezen, maar ook om zelf te publiceren. Doe mee en beleef mee!