De alang-alangbrand

door:Lodewijk de Geer Boers | 16 april 2012 |Alledaags, Natuur

Het is januari 1978 en ik zit voor een door de koude, beslagen raam naar buiten te kijken. Ergens op een pleintje hebben jongens een stapel kerstbomen in de fik gestoken en ik ruik de geur van dennen. Zo nu en dan waaien er een paar verkoolde dennentakjes voorbij mijn raam. Ik kan het niet knus en fijn vinden in de wintermaanden. Ik kan met geen mogelijkheid de gezelligheid aanvoelen van de lange winteravonden. Ik heb mijn best gedaan sinds mijn komst in het goede vaderland om aan te voelen wat men bedoelt met de knusse, gezellige en warme winteravonden, met de spelletjes, raadseltjes  en meer van die bezigheden. Ik ben te lang in de tropen geweest, ben er opgegroeid vanaf mijn zesde jaar. Heb geen winteravonden gekend. Heb nimmer bij een hete kachel spelletjes hoeven te doen omdat het buiten niet om te harden was van de kou. Heb nooit om een pinda een ganzenbordspelletje hoeven spelen. Ik ken dit alles niet dan alleen van verhalen die in Indië over Holland de ronde deden.

Een vrij leven
In Indië speelden we buiten. In de zon of in de schaduw van een enorme koele waringinboom. Vrij, in het gras, van de vroege morgen tot de avond. We renden het open huis binnen wanneer we dat wilden en er werd niet gelet op een karpet of vloerkleed dat eens vuil mocht worden. Die dingen waren er niet. De vloeren waren geglazuurde tegels. Een koel windje blies de hele dag door het huis en nam elk stofdeeltje dat binnen was gekomen, mee naar buiten. Er waren geen kachels die je een vuurrode kop van benauwdheid gaven. Zonder die overigens afschuwelijke kachels die hier in Europa nu eenmaal onontbeerlijk zijn, kon je daar leven in luchtige kleding en als kind spelen op blote voetjes.

Die tijd is voorbij. De tijd van zonnige blijdschap, van vrijheid en onbezorgdheid is geweest, maar die onvergetelijke tijd waarin wij allen een waar prinsenleven hadden, kan niemand ons meer afnemen. Wij hebben het geluk gehad dat te mogen beleven en dat Nederland na een periode van ruim 350 jaar Indië heeft terug moeten geven aan de rechtmatige eigenaar, is niet meer dan billijk. Wij hebben er veel vandaan gehaald, maar er ook wel het een ander gepresteerd, waarop het Indonesië van nu kan verder bouwen.

Ik kan er maar niet aan wennen…
In elk geval, ik zit vor het raam in een straat ergens in Amsterdam. Veilig weggeborgen bij de kachel en een tafel met een soort Perzisch kleed erop. Ik kan het er soms zo benauwd van krijgen, dat ik in de sneeuw ga lopen om alles te vergeten waaraan ik denk, vooral in dit jaargetijde dat bij de meeste Hollanders doorgaat als de gezelligste tijd van het hele jaar. Nou, als het dan toch moet (en het moet ook), geef mij dan maar een bloedhete zomer waarin ik bloemen zie en vogels hoor. Ik ben nu al 27 jaar bezig om als hier in Brabant geboren mens, te wennen aan dit land, dat toch mijn vaderland is, ook al verliet ik het op zesjarige leeftijd om 34 jaar in de Tropen door te brengen.
Een oude boom moet je niet overplanten zegt men. Dat is juist gebleken, maar het moest wel. Enfin, zo is het ook goed. Best zelfs…

Een prachtig stukje natuur, vol leven…
Terwijl ik naar de voorbij waaiende, verkoolde takjes kijk, moet ik ineens heel sterk denken aan een brand die ik als jongen van 14 jaar meemaakte in het toenmalige Batavia. Wij woonden daar namelijk nogal aan de buitenkant van de stad. De sawah’s en dorre grasvlakten lagen niet ver van ons huis af. Indische verhalenAls kind speelden wij daar. Vingen er vogels, haalden er nesten uit, vingen er klapperratten (soort eekhoorntjes) en hagedissen, visten er in de poelen op bétoks en lélé’s en zochten er naar kleine schildpadjes. Het was daar wel oppassen voor slangen en schorpioenen, maar als kind ben je daar, in de tropen, opgegroeid met de gevaren en je kent ze. In die dorre grasvlakten, kroeilde het in de droge moesson van allerlei dieren zoals kadals (een soort hagedis), sigoengs (bunzings), sero’s (otters), leguaantjes en jonge krokodillen, die uit de nabij gelegen kali bandjir kwamen. Er leefden enkele apen die eigenlijk hun woongebied iets verderop langs de weg naar Tandjong Priok hadden en langs Java’s Noordkust nabij Antjol. Daar zaten ze zelfs bij honderden langs de spoorbaan. Er leefde ook de peusing, een soort miereneter, een soort schubdier met een lange snuit.

De brand
Duizenden wevervogels nestelden er in het hoge gras en bouwden hun lange nesten aan de uiteinden van de grashalmen.  Het waren goudgele vogels die hun nesten zeer kunstig wisten te bouwen. een vrij ronde nestkamer met als ingang een lange gevlochten tuit van ongeveer 30 cm die naar beneden hing. Kunstenaar van de eerste orde waren deze manjars, zoals ze bij de bevolking bekend stonden. Afgezien nog van de tienduizenden rijstvogeltjes die er huisden en zich dagelijkes tegoed deden aan de paddi op de sawah’s, leefden er in deze enorme, droge grasvlakte nog vele andere diersoorten, die zich niet bewust waren van het gevaar dat hen bedreigde als er een brand zou uitbreken. En deze brand brak op een namiddag uit. Plotseling. De oorzaak is altijd onbekend. De grote hitte overdag kan een broeiproces in een hoop dorre bladeren veroorzaken en in een korte tijd staat alles in vuur en vlam. Er is geen blussen meer aan. Zelfs de dikke bodem van een kapotte fles kan als vergrootglas, als brandglas dus dienst doen en de brand veroorzaken.

Als bij een donderslag zagen wij pikzwarte rookwolken opstijgen en de vlammen de lucht inschieten. Vanaf de oever van de grote kali-bandjir, waarheen wij waren gelopen, hadden we een veilig uitzicht op de enorme vuurzee, waar een mens niets tegen kon beginnen. Tientallen dieren sprongen in hun wanhoop in de kali en probeerden de overkant te bereiken. We voelden duidelijk de hete gloed  van het steeds groter wordende vuur hoewel de wind van ons af was. Tegen de reeds donker wordende avondhemel zagen wij de duizenden vogels totaal hulpeloos wegfladderen en velen ervan vielen in het vuur. De lucht was vol van opgewaaide, verkoolde rietbladeren die mijlen ver werden meegevoerd. Soms wel honderden kilometers ver. De vuurzee verwijderde zich steeds verder van ons af en in enkele minuten stond alleen nog de horizon in vlammen. In een klein uur was het hele veld door het vuur weggevaagd en bleef er slechts een grote vlakte van zwartgeblakerde aarde achter.

Een troosteloze, nog na-rokende vlakte, waarin geen enkel leven meer was te bespeuren. Hier en daar vloog nog een overgebleven stukje alang-alang in brand. Het geknetter van het enorme vuur was opgehouden en de stilte was droevig. Er was ineens geen groene vlakte meer. Er was geen leven meer op deze uitgestrektheid. Alles was dood of in paniek gevlucht. Alles was zwart, intens zwart.

De natuur is veerkrachtig
Die nacht viel er een enorme plensbui. Te laat, de brand had alles reeds verkoold. De vlakte werd een enorme zwarte modderpoel en twee weken later liep elk graspolletje weer uit. Het enorme veld kreeg weer een groene waas. Het leven keerde terug op de plaats waar kort tevoren de dood had gezegenvierd. Ook de vogels waren alle narigheid vergeten en zongen enkele maanden later weer hun hoogste lied in de toppen van de opgeschoten riet- en grasstengels.

Branden als hier door mij beschreven komen geregeld voor op Java en vaak ziet men tijdens een treinreis grote velden in brand staan. Dan hangen dikke, zwarte rookwolken over de spoorbaan en moet de machinist telkens fluitsignalen geven omdat hij nagenoeg niets meer kan zien. Dan moeten de houten raampjes van de coupé dicht voor het binnenwaaien van verkoold en vaak nog nagloeiend gras. Men kijkt er op het laatst nier meer naar, hoewel het toch altijd weer opnieuw een angstaanjagend schouwspel blijft. Men kent die soort dingen. Ze horen nu eenmaal bij het land, net als in Holland het kertbomenfikkie op het pleintje bij mij in de buurt.

herinnering, natuur Tangkuban Perahu, Guntur, Kota Jakarta Selatan, Jakarta, Indonesië

Jouw verhalensite met verhalen over Indonesië. Oude en nieuwe verhalen. Om te lezen, maar ook om zelf te publiceren. Doe mee en beleef mee!