Beklemming en isolatie

door:Adriaan Bijl | 21 mei 2012 |Alledaags, Oorlog, Politiek

Het leven hernam zijn gewone gang ondanks het door het plotseling uitvallen van de posterijen en telefonie verbroken contact met het vaderland. Het werk en de school vonden gewoon voortgang. In onze Archipel gebeurde verder niets bijzonders. In Nederland was men op een oorlog niet voorbereid en in Nederlands Indië nog minder. In Nederland hadden ze nog twee tanks, hier hadden wij er niet één Het KNIL en de marine waren er alleen voor de interne orde. Wat voor oorlog van buiten kon men verwachten? De Duitsers konden toch niet zomaar naar hier komen.

En dan opeens was er een oorlogsdreiging die als een stormwind uit het oosten kwam opzetten.

Vaak bezochten wij achter de alun alun de Chinese wijk met Oosterse zaken, waarvan de Japanse speelgoedwinkels zeer in trek waren. Zij hadden veel keus en het was er spotgoedkoop. De Japanse winkels waren duidelijk te onderscheiden van de Chinese door uithangborden met Japanse letters en vlaggetjes. Pas toen op 7 december 1941 de Japanners de Amerikaanse vloot in Pearl Harbour vernietigden, viel het ons op, dat deze winkels verdwenen waren.

Onze eerste reactie luidde:”Dit betreft Amerika, niet ons”. Deze naïeve mening veranderde snel. Zonder oorlogsverklaring werd geheel Oost Azië overrompeld.

Oorlog, luchtalarm, verduistering
De oorlogsverklaring kwam na de eerste aanvallen van onze kant. Singapore, Surabaya, Palembang, Timor en Bali waren al in Japanse handen en de slag in de Javazee op 26 februari 1942 was de genadeslag. Mijn vader was tijdens de mobilisatie bij de eerste lichting opgeroepen, als ‘landstormer’, een soldaat onder direct commando van het KNIL.

Dat ‘landstormers’ in Nederland voor de Duitsers werkten, wisten wij niet, anders was er misschien een andere titel bedacht. Hun voornaamste bezigheid in de kazerne was wachten, wachten op dingen die zouden gaan komen, maar nooit kwamen. Eén keer kwam mijn vader onverwacht thuis gewapend met geweer en een gordel behangen met handgranaten. Hij was een dag en een nacht uit de kazerne weggebleven.

 

Mijn vader met zijn kameraden op een legervoertuig

Op Centraal Java was geen sprake van een frontoorlog. Nu en dan hoorden wij van gesneuvelden aan de kuststreken, zagen wij getroffen en verslagen familieleden, iets wat mij vervulde met een tragische romantiek, vooral als het een gesneuvelde verloofde betrof. Dan bekroop mij het melancholische gevoel, dat ik herkende uit het lied van Heinrich Heine: “Ich hatte ein waffenbruder, ich hab ihm jetzt nicht mehr”.

In de stad hadden wij nog geen oorlogsgeweld ondervonden. Iedereen moest met stapels zandzakken zijn achtergalerij beveiligen voor bommen en granaten en er tevens voor waken dat er na het invallen van de duisternis geen licht naar buiten doordrong.Overal langs de grote straten werden halfondergrondse schuilkelders gebouwd, waar je bij luchtalarm in kon schuilen. Soms loeiden de sirenes inderdaad, maar vliegtuigen zagen wij niet en bommen vielen er niet.

De schuilkelder was een toevluchtsoord voor allerlei straatvolk met gestolen goederen en als het donker was voor ontuchtige katjongs en gadis (jongens en meisjes). Wij waren erg nieuwsgierig wat zij daar deden, maar wij hebben nooit iets gezien, omdat het te griezelig was in de duisternis naar binnen te gaan.

Op 8 maart 1942, de verjaardag van mijn moeder, capituleerde het KNIL. De dag er na werd mijn vader 43 jaar en kwam hij clandestien met een half dozijn vrienden thuis zijn verjaardag vieren, waarbij zij de hele voorraad Oranjebitter, die er te vinden was, opdronken.

Uit het dagboek van mijn moeder

8 maart 1942, geschreven op haar verjaardag in 1945
In 1942 was het een zwarte rouwdag. De dag van Java’s capitulatie. Het was een zondag en ik had het grote geluk, dat Tito de avond tevoren ongedeerd thuiskwam en de hele nacht thuisbleef.’s Morgens vroeg vertrok hij naar de kazerne, maar om een uur of elf kwam hij weer even, juist toen ik uit de stad terug was met de taartjes en roomijs, Miep van Oosten was juist op de koffie en tante Kammen met Bien en Anneke woonden bij ons in. Syd en Adje vonden alles vreselijk opwindend. De volgende dag op zijn verjaardag is Tito ‘s morgens komen borrelen (Oranjebitter!) met een heel stel landstormers. En ’s avonds is hij nog 10 minuten thuis geweest. Sedert dien nooit meer.

Op 10 maart 1942 werden alle militairen geïnterneerd in de kazerne. Een hoge afrastering rond de omringende velden maakte ontsnappen nu onmogelijk en iedere poging werd met de dood bestraft. In die eerste onzekere dagen na de capitulatie zwierven wij als echte kwajongens rond. Tijdens een dergelijke zwerftocht ontdekten wij een parkeerplaats met legertrucks en artilleriegeschut met kapotte banden, kogelgaten en lekkende benzinetanks, kennelijk door eigen mensen gesaboteerd om deze niet gebruiksklaar in handen van de vijand te laten vallen. Wij werden door enkele politie agenten in gescheurde uniformen ontdekt en naar huis gestuurd.

De Japanse bezetting is een feit
Wij leefden nu in een door de Jappen veroverd en bezet land. In die eerste maanden vol onrust, onzekerheid en radeloosheid bleef iedereen zo dicht mogelijk bij huis. De afbraak van de sociale orde begon. De scholen sloten; auto’s werden in beslag genomen; voor de fietsen moest een belastingpenning van twee gulden vijftig gekocht worden; de avondklok deed zijn intrede. Fabrieken, kantoren, regeringsgebouwen werden bezet en alle blanken ontvingen een oproep voor registratie. De meeste mensen verloren vrij snel hun werk. Ambtenaren en technische medewerkers bleven op bevel van de bezetter, die voor hun salaris garant stond, voorlopig nog op hun posten. De Japanse kalender en tijd werden voor alle bezette gebieden ingevoerd. Het jaar 1942 heette voortaan 2602. De Nippon tijd liep anderhalf uur vóór bij de oorspronkelijke Javatijd. De zon kwam nu om halfacht op in plaats van om zes uur en verdween om halfacht achter de horizon. En tenslotte diende aan onze huizen de Japanse vlag te wapperen, die wij zelf moesten maken. Een rode bol op een witte achtergrond als het symbool van het land van de rijzende zon. Uiteraard gebruikten wij hiervoor textiel van de slechtste kwaliteit, waardoor het rood in de regen uitliep over het wit. Dit werd als een belediging gezien, dat soms tot onaangename reacties van de Japanse soldaten leidde.

Het sociale leven was volledig ontwricht. Iedereen was zijn baan en daarmee zijn inkomen kwijt. Spoedig sloeg de verveling toe. Men creëerde baantjes. Mijn moeder bleef lesgeven, ik was huisjongen, tuinman, fietsenmaker, broodbezorger. De vergoeding bestond uit geld of uit een ruildienst. Wij leden hier nog geen honger. Geld was er nog hoewel niemand een salaris of inkomen meer had, maar er ontstond weldra een te kort. De Jap voerde een nieuwe munteenheid in de Japanse bezettingsgulden in plaats van de Nederlands Indische gulden met dezelfde waarde. Behalve de naam vertoonde het bankbiljet geen verschil met het oude betalingsmiddel.

Diegenen die in een ouwe sok gespaard hadden of hun spaargeld bijtijds van de bank hadden gehaald konden het geluid van geld laten horen en waren nu rijk. Daar hoorde mijn moeder ook toe. Zij heeft vanaf het begin van de oorlog thuis gespaard. Zij kon aan verschillende families, die berooid uit de buitengewesten kwamen wat geld voorschieten voor het leningen van de eerste nood. De meeste hebben haar na de oorlog, toen zij als weduwe het financieel moeilijk had, terugbetaald. Van de families, die na de oorlog werden herenigd en waarvan de man weer een goede baan had verworven, weigerden sommige hun schuld af te lossen met als argument “toen was het oorlog”. Het waren juist zij, die toen bij ons in huis ook voor problemen zorgden. Uit de buitengewesten, vooral van Borneo, kwamen vele families, meestal zonder de vader, naar Java om tijdig een onderkomen te vinden, voordat dat dit misschien onmogelijk werd. Wij zagen steeds meer Japanse officieren en Koreaanse manschappen, het lagere kader, op straat met een duidelijk statusverschil. Deze laatsten kenden weinig manieren en getuigden van weinig beschaving. Zij droegen geweren, maar geen sabels. Op een middag kwamen 3 officieren in keurige zijden uniformen met de slepende sabel opzij, de tuin in en liepen het platje op. Mijn moeder durfde hen niet te negeren en deed de voordeur open. Zij kwamen binnen, zetten zich op het puntje van de stoel in de zitkamer en plaatsten hun met fluweel beklede sabels tussen de benen. Een stootte een bijzettafeltje om. “Oh, excuse me, sorry”. Het klonk beleefd, bijna beschaafd. Hun adem rook naar drank, hun kleren wasemden een zweetlucht uit, maar echt dronken waren ze niet.

Mijn moeder had ons snel in de achterkamer gezet en tot stilte ge-maand. In haar beste engels sprak zij voorzichtig: “Can I help you, perhaps?” “Ah, Yes, water please”, was het ongemakkelijke antwoord. Water! Mijn moeder haalde opgelucht een dienblaadje met glazen water. Zij, als ook mijn moeder, spraken te weinig Engels om enige conversatie te kunnen voeren. Vanuit de achterkamer bespiedden wij hen door de glazen tussendeuren en wij zagen hoe zij hun glazen beleefd leegdronken. Na een kwartier haalden zij de sabels tussen de glanzende laarzen vandaan en vertrokken. Wij speelden verder.

Wij werden overstelpt met eindeloze, afschuwelijk klinkende toespraken in het Japans en Maleis via luidsprekers op legerauto’s. Toespraken, die bedoeld waren de algemene gedragsregels uiteen te zetten, maar waar nooit iemand iets van kon verstaan, als ook om onder de inlandse bevolking jonge mannen te verleiden dienst te nemen in het nieuwe keizerlijke leger. Daar bleek toch animo voor te zijn. Spoedig trokken massa’s rekruten langs de Idjenboulevard met houten geweren over de schouders enthousiast legerliederen te zingen, terwijl anderen in het Japans commando’s schreeuwden. Het plan was, dat zij het laagste kader zouden vormen van het immense nieuwe Japanse leger.

Voor ons was het toen zeer merkwaardig, dat deze Javaanse jongens, die zich in ons bestel lui en dienstbaar gedroegen, zich zo snel lieten ronselen voor dit leven onder een barbaarse macht. Na de bevrijding begrepen wij hun opportune daad beter. Op de verjaardag van de keizer was er hoog bezoek. Wij werden opgetrommeld de enorme parade, die over de boulevard voorbij trok te komen aanschouwen. Bij ieder voorbijtrekkend bataljon, voorafgegaan door een officier te paard, moesten wij buigen met een Japans vlaggetje in de hand.

Het kwam ons hoogste merkwaardig voor, dat wij met de rug naar de straat moesten staan en toch buigen, toen de hoogste generaal, de rechtstreekse vertegenwoordiger van Tenno Heika in een deftige limousine op het einde van de parade voorbij reed. Hij, de hoogste vertegenwoordiger van de kroon, mocht evenals de keizer niet door gewone stervelingen aanschouwd worden. De in Japan geldende protocollaire regels, werden ons hier opgedrongen.

Uit het dagboek van mijn moeder

29 oktober 1942
Alleen aan mijn schrijftafel in de paviljoenkamer die in deze tijden onze zitkamer is. Daar branden de lampen ‘s avonds en nergens anders, want het is zuinig met licht en met alles Tito is al zo lang niet thuis geweest,‘krijgsgevangene’ ik kan het me niet anders denken dan met aanhalingstekens. Leo als politieke gevange in de Bubutangevangenis in Surabaya, Leo Jorritsma dito in Struyswijckgevangenis. Hans ik weet niet waar op zee. Soms lijkt alles op een boze droom.

Tot nu toe zijn we bij anderen vergeleken nog gelukkig. Tito is nog in dezelfde stad als wij en wij drieën zijn nog steeds in ons eigen huis en komen nog niets te kort, al is het steeds zuiniger. En we weten geen van allen wanneer er verandering zal komen en wat de toekomst brengen zal. ’s Avonds als de jongens slapen is het rustig en heb ik mijn leesuurtje.

Intussen had mijn moeder kennis gemaakt met de joodse familie Schuyer die een grote juwelierszaak dreef in Malang en als middenstanders voor rijk doorgingen. Zijn eerste vrouw stierf in het kraambed in Den Haag, waar zij verbleef om te bevallen van hun eerste kind. Hij nam een vrouw in dienst om voor Arthur te zorgen, die graag als zijn nieuwe echtgenote mee naar de tropen kwam. Zij kregen nog drie zonen Eddy, Richard en Paul.

Mevrouw Schuyer, Sophie, was geen schoonheid. Haar wang werd ontsierd door een grote wrat met donzig haar. Zij had het haar glad achterover gekamd, droeg chique kleding en op nonchalante wijze veel kostbare juwelen, terwijl zij zich rijkelijk met dure parfums besprenkelde. Zij sprak met een Duits accent uitvoerig en verontwaardigd over de dingen die haar niet aanstonden met steeds eenzelfde opmerking als “bei uns zu Hause, war alles besser”. Altijd voerde zij vaak schaterlachend de boventoon en besloten met de gezegde “ es gibt wichtiger Sachen”. Met haar man maakte ze korte metten en werkte hem de zaak en het huis uit. Hij mocht, of moest wel, af en toe langs komen om geld uit de kassa te nemen voor zijn levensonderhoud. Zij had hem de toegang tot het huis ontzegd alsook het bezoek aan zijn kinderen. Hij woonde ergens apart in de stad en accepteerde alles zolang hij maar kon genieten van zijn boeken en vioolspel. Ik was niet bang voor haar. Eigenlijk mocht ik haar wel. Tegenover ons was ze uiterst gastvrij, misschien ook wel omdat ze ons nodig had. Toen de scholen gesloten werden zocht zij een permanente onderwijzeres voor haar kinderen. Zij was te druk met zaken doen en zij had geen tijd voor de opvoeding van haar zoontjes. Mijn moeder aanvaardde deze baan onder de voorwaarde dat zij haar twee zoontjes mee kon brengen. Wij kregen de beschikking over het gastenverblijf in haar schitterende villa aan het begin van de Idjenboulevard. In de week woonden wij bij haar en in het weekend thuis. Haar jongens, met duidelijk joodse gelaatstrekken, waren vrij onhandelbaar. Zij spraken stiekem over hun vader, die ze misschien wel eens ergens zagen. Tegen Sophie kwamen zij altijd in opstand, vooral Paultje, die met zijn acht jaren al een geduchte ervaring had in het smijten met servies en meubelen. Hij barricadeerde de toegang tot zijn kamer en schreeuwde naar haar: “Ik laat mij dit niet welgevallen, wacht maar ik zal wraak nemen”.

In deze omgeving bracht mijn moeder orde en regelmaat en leerde hen discipline, zoals op een school behoort. Daarbij ontwikkelde zich een kunstmatige affiliatie, waaraan de kinderen bij gebrek aan affectie behoefte hadden. Sophie miste hiervoor alle talent en vertoonde nooit enige behoefte er toe, terwijl zij toch de schijn ophield dat zij deze kinderen van de ondergang had gered.

Als mijn moeder de trappen afkwam en naar het luxe interieur keek zei wel eens: “Zoveel rijkdom en stijl en zoveel sociale ontwrichting, hoe speel je het klaar?”

Arthur achttien jaren oud, zat in Holland op de HBS. Eddy op zijn zeventiende een grote en bonkige vent met het begin van een snor kon slecht studeren, maar speelde goed cello. Een keer in de week sleepte hij die op de fiets mee naar zijn leraar. Als wij ’s avonds in bed lagen speelde hij zijn etudes in een zijkamer beneden, altijd dezelfde. Op deze warme diep sonore klanken sliepen wij in. Dicky (Richard) en ik waren even oud en wij werden boezemvrienden. Hij pochte, dat zijn naam Richard Leeuwenhart luidde afkomstig uit de sage van die naam. Hij toonde daarbij een trotse houding, die me steeds weer jaloers maakte. Bij het worstelen kon ik nooit van hem winnen, wij eindigden steeds buiten adem met gescheurde kleren. Hij droeg fijne zijden bloezen en fluwelen broeken. De geuren van zijn fijne zeep en zijn lichaam bedwelmden mij als ik in zijn greep om genade vroeg. Wij trokken er nog wel eens samen op uit om op de af en aanrijdende suikerriettreintjes te klimmen of in de kapokaanplant in de buurt rond te dwalen, of met de kebon (tuinman) een tuintje aan te leggen, bedden inzaaien en begieten. Wij verbouwden steeds tomaten, afrikaantjes en bonen maar verloren iedere belangstelling voor de vruchten of bloementjes, wanneer die zich vertoonden. Soms bezochten wij de juwelierszaak in de winkelstraat Kayutangan in het centrum. Wij bewonderden de juwelen in de glazen vitrines en ik rekende altijd uit of het zilveren roosje, dat ik voor mijn vriendin Marian Stenger wilde kopen, wel betaalbar was van de jaarlijkse rijksdaalder, die oma mij met mijn verjaardag stuurde. Sophie kwam, als ik te lang draalde bij die kast, kijken. Zij hield haar personeel en klanten scherp in de gaten, terwijl zij in haar glazen kantoortje in de boeken trachtte de maandelijkse cijfers rond en hoog te krijgen.

herinnering, oorlog Tangkuban Perahu, Cikahuripan, West-Bandung, West-Java, Indonesië

Jouw verhalensite met verhalen over Indonesië. Oude en nieuwe verhalen. Om te lezen, maar ook om zelf te publiceren. Doe mee en beleef mee!