Tempo dulu, de oude tijd

door:Adriaan Bijl | 21 mei 2012 |Historisch, Oorlog, Politiek
Uit het dagboek van mijn moeder

21 april 1937
Gister hebben wij, Tiito en ik, besloten om voor ons zelf een huis te bouwen, het ouderwetse ‘ouderlijk huis voor onze kinderen. Het is een groot besluit om alles wat we bij elkaar gespaard hebben – en nog iets meer – op een kaart te zetten. Maar het lijkt zoiets veiligs: een eigen huis. Van de fundamenten af zullen we het huis zien bouwen Wij zelf maken de geschiedenis van dat huis. Het wordt gebouwd zoals we t graag willen en de tuin wordt aangelegd zoals wij t mooi vinden met zo weinig mogelijk onderhoud en geen grote aantallen bedienden. We kunnen ook niet langer wachten met de beslissing want de prijzen van de bouwmaterialen gaan omhoog.

Koops- Dekker lijkt een goede architect die het gaat bouwen en zijn vrouw is tuinarchitect. 710 m2 is de grond groot, juist tegenover de kathedraal, waarlangs we nog vrij de bergen zien. De Arjuno staat er als trouwe wachter, die zullen wij zien in mist en regen bij zonsopgang en bij maanlicht dat alles zo sprookjesachtig en onwezenlijk kan maken.

 

 

 

Ons ouderlijk huis in Malang in 1937, Buringweg 55

The past is fixed, will never come back, is irreversible, and so is the future. Herinneringen aan een onrustige en schokkende periode uit een kinderleven worden op latere leeftijd uit geheugenflarden samengesteld. De samenhang van dergelijke herinneringen kan hiaten vertonen.

Veel is er echter bewust of onbewust verdrongen. Alle trauma’s zijn opgeborgen. De meeste zijn nog wel na te vertellen, nog voor herleven vatbaar. De meest pijnlijke herinneringen verdwenen in een laatje, waarvan de sleutel is weggegooid. Over deze diepe zielenroerselen werd niet meer gesproken, maar vergeten zijn ze niet.

Toch was ik verbaasd, dat tijdens de reünies van ‘Jongens uit de jongenskampen’, men niet meer scheen te weten om welke reden wij ten slotte in het bergkamp ‘Bandungan’ belanden. Ook de laatste atlas over ‘De Concentratiekampen in de Archipel’ vermeldt hier niet veel over.

Tempo dulu, de oude tijd
In de jaren dertig leefden wij in een kolonie van Nederland en de crisisjaren waren nog niet voorbij. Wij telden wel enkele rijke zakenmensen als bankiers en reders, maar de meerderheid van de Nederlanders behoorde tot de middenklasse met matige lonen. Genoeg om voor een huis, auto of zelfs een eenvoudig buitenverblijf in de bergen te sparen. De voornaamste redenen om in Nederlands Indië te wonen waren misschien wel het warme klimaat, naast de mogelijkheid met weinig rond te kunnen komen en betere kansen voor bescheiden zaken doen en carrière maken dan in Nederland. Een veel gehoorde opmerking was: “Wat moet ik in Nederland beginnen als ik het in Indië goed heb?”

En iedereen herinnerde zich aanvankelijk met heimwee de wisselingen van de seizoenen in Nederland, maar eenmaal door de betovering van de overweldigende natuur van Insulinde, de gordel van smaragd rond de evenaar, overrompelt, voelden zij zich voor altijd verwant met deze natuur.

Ambtenaren namen eens in de zeven jaren verlof, vaak voor een jaar. Die niet in overheidsdienst was of in zaken zat, bezocht hoogstens eenmaal in de tien of twintig jaar het vaderland. Gemengde families kwamen nooit meer naar Nederland. Men spaarde voor een pensioentje en men trok zich terug in eigen huis in de stad of in zijn pondok in de bergen geheel vervlochten met en verknocht aan het nieuwe vaderland. Zo ook hadden mijn ouders zich hun toekomst voorgesteld. In 1924 was hun eerste standplaats Ambarawa op midden Java. Beiden waren verbonden aan het lager onderwijs. Hier leerde mijn ouders de familie van den Berg kennen. Zij woonden al langer in Banjubiru, niet ver van Ambarawa. Mevrouw van den Berg bracht mijn moeder op de hoogte van de regels, die in een Indische huishouding met bedienden golden en gaf haar goede adviezen over de leefwijze in het tropische klimaat. Haar man was als militair veearts verantwoordelijk voor het welzijn van de paarden.

Wij verbleven al een paar jaar in Malang, Oost Java, een stad in de hoogvlakte in een kom tussen vijf vulkanen. De leraren van de HBS woonden in riante villa’s aan de Idjenboulevard. Wij woonden in een zijstraat in een kleiner huis, wel met gastenverblijf, garage en prieel en met het grote verschil, dat wij het huis zelf hadden gebouwd en die leraren een huurhuis hadden betrokken.

 

 

 

Mijn ouders op het terras van hun nieuwe woning

Mijn moeder had in die tijd tegenover de kerk een geschikt lapje grond gevonden en aangekocht. Met een architect ontwierp zij een huis naar haar zin, dat in een half jaar gebouwd werd. Wij betrokken dit huis op 23 oktober 1937.

Na het schokeffect van Max Havelaar op de Nederlandse regeerders kwam een einde aan de periode van de cultures, waarin de desabewoners hongerleden, wat voor de wereldopinie verborgen bleef. Wij genoten van een bescheiden welvaart in een land, waar zij niet meer door honger werden gekweld, maar wel nog steeds massaal in armoede leefden. Mede veroorzaakt door de beurscrisis van 1929, die tot 1936 duurde, kregen zij nauwelijks ooit een kans in onze koloniale wereld vooruit te komen. In deze crisisjaren kwam de inlander nog het meest in de knel. Het grote in de kolonie verdiende geld stroomde Nederland binnen, maar kwam in gene mate het inlandse volk ten goede. Daar wist ik als jongetje niets van. Mijn wereld was het vanzelfsprekende tropenleven, waar wij blanken, totoks, de dienst uitmaakten en waarom zou dat niet altijd zo blijven?

10 mei 1940
Op 28 april was ik negen jaar geworden. Ik probeerde met mijn nieuwe meccanodoos, gezeten onder de acaciaboom in de tuin, die grote vrachtauto te maken met bestuurbare voorwielen, zoals het plaatje op het deksel te zien gaf. Mijn oma uit Beverwijk had het jaarlijkse cadeau gestuurd: een verjaardagsbriefkaart met een flink handschrift en rechtsboven een postzegel van twaalf centen, waarop koningin Wilhelmina, een forse vrouw met vooruitgestoken kin en een douairièrenek mij ernstig leek aan te kijken en links boven een Nederlandse rijksdaalder met een kruissteek vastgenaaid met de identieke afbeelding van dezelfde vorstin der Nederlanden. Nederlands en Indisch geld hadden dezelfde waarde. Twee en een halve gulden was een heel bedrag. Honderdmaal een gobang. In Nederland kende men de stuiver doch in Indië was een koperen munt, zo groot als een rijksdaalder, de gobang, een halve stuiver waard. Met die twee en een halve cent kon je op de pasar een hele maaltijd kopen in een bananenblad. Een kop mierzoete zwarte koffie kreeg je voor een halve cent.

Ieder jaar had ik de neiging om alles op die briefkaart wekenlang in tact te houden om dan opeens in een bevlieging alles aan iets overbodigs of zelfs nutteloos te besteden. Oma had met ferme kleine letters geschreven. Ga nooit mee met grote jongens! In de trant van: neem nooit snoepjes van vreemden aan. “Nou, ik kan wel op mijzelf passen”, zei ik tegen mijn moeder en dacht als ik de kans krijg, ga ik juist met grote jongens mee. Dit bracht me op een idee.

Plotseling zie ik Tante van Kammen driftig over het voorerf aanlopen, met een zakdoek in de hand tranen met tuiten huilend; vreemd, want zij kwam altijd met een dienstauto of een taxi:

“Oh Poeli”, zo werd mijn moeder genoemd in haar vriendenkring, “zij zijn ons lieve land binnengevallen”. Zij hebben het hele land bezet, de koningin is naar Engeland gevlucht. Wat moeten wij beginnen? Misschien komen wij nooit meer in ons vaderland!” Zij had de radioberichten beluisterd en gaf het nieuws door. Wij hadden de radio niet regelmatig aan, waardoor de laatste berichten van de Nirom ons waren ontgaan. Schrik en ontzetting waren de eerste reacties. Opeens was er een atmosfeer van beklemming, zorg en onzekerheid, een duistere toekomst, alsof er geen uitweg meer was.

Tante van Kammen was vaak op Java, ze woonde in Banjermasin op Borneo, waar oom van Kammen directeur van de ANIEM was, Algemene Nederlands Indische Elektriciteit Maatschappij. Ze was groot van postuur, kwam uit de bollenstreek Hillegom. Zij was zwaar Nederlands Hervormd, zeer vroom en wekte bij iedereen veel vertrouwen. Zij en haar man waren al jaren trouwe vrienden van mijn ouders, die elkaar jaren geleden in Bunjuwangi (het meest oostelijke punt van Java) hadden leren kennen. Als de oorlog met de Japanners uitbreekt, blaast haar man de centrale in Banjemasin op, zodat die niet in handen van de vijand zal vallen. Hij werd opgepakt en voor deze daad tot de dood veroordeeld en onthoofd.

herinnering, oorlog Gunung Arjuno, Pecalukan, Pasuruan, Oost-Java, Indonesië

Jouw verhalensite met verhalen over Indonesië. Oude en nieuwe verhalen. Om te lezen, maar ook om zelf te publiceren. Doe mee en beleef mee!